Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BD3060

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
17-04-2008
Datum publicatie
04-06-2008
Zaaknummer
AWB 07/836
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing subsidie op grond van de Subsidieregeling natuurbeheer 2000. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het betreffende stuk grond geen landbouwgrond is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 07/836

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van

inzake

Steenfabriek Zennewijnen B.V., thans Wienerberger B.V., h.o.d.n. Steenfabriek Zennewijnen, als haar rechtsopvolgster, eiseres,

gevestigd te Tiel, vertegenwoordigd door mr. E.H.M. Harbers,

tegen

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

thans het college van Gedeputeerde Staten van Gelderland, hierna gezamenlijk aangeduid als verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 15 januari 2007.

2. Procesverloop

Bij besluit van 29 april 2004 heeft verweerder het verzoek van eiseres om in aanmerking te komen voor subsidie op grond van de Subsidieregeling natuurbeheer 2000 (hierna: de SN 2000) afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is, voor zover thans relevant, bij besluit van 15 januari 2007 gedeeltelijk gegrond verklaard is.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld. Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend, alsmede een verweerschrift.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 5 oktober 2007. Eiseres is aldaar vertegenwoordigd door [x], [y] en [z], bijgestaan door mr. E.H.M. Harbers. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. C.J.M. Daniëls en T. Paternotte, medewerker van de Dienst landelijk gebied (hierna: de DLG).

De rechtbank heeft het onderzoek op 6 november 2007 heropend om aanvullende informatie te verkrijgen over de overname van Steenfabriek Zennewijnen B.V. door Wienerberger B.V. Nadat de rechtbank de informatie heeft verkregen en partijen toestemming hebben verleend voor het achterwege laten van een nader onderzoek ter zitting, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

3. Overwegingen

3.1 Ingevolge artikel 4 van de Regeling inrichting landelijk gebied heeft het college van Gedeputeerde Staten van Gelderland met ingang van 1 januari 2007 de behandeling van het beroep overgenomen van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

3.2 Steenfabriek Zennewijnen B.V. en de eigendom van de percelen grond zijn in juni 2007 respectievelijk september 2007 overgenomen door eiseres.

Eiseres is eigenares van een aantal percelen grond, die grenzen aan percelen van Staatsbosbeheer. Zowel de percelen van eiseres als die van Staatsbosbeheer worden sinds 1997 (tot voor kort) beheerd door de stichting Wetland Passewaay. Eiseres wenst deze percelen grond om te vormen naar natuurterrein, te weten (half)natuurlijk grasland. Zij heeft bij verweerder op 3 november 2003 een aanvraag ingediend om in aanmerking te komen voor een subsidie voor onder meer functieverandering als bedoeld in de SN 2000.

De subsidieaanvraag is afgewezen op de grond dat de betreffende percelen geen landbouwgrond zijn in de zin van de SN 2000.

3.3 Verweerder heeft bij zijn oordeelsvorming gebruik gemaakt van advies van de DLG, die op grond van artikel 98 van de SN 2000 belast is met het toezicht op de naleving van de SN 2000. Verweerder heeft zijn standpunt gebaseerd op veldonderzoeken van 24 februari 2004 en 8 augustus 2006, uitgevoerd door de DLG.

De DLG heeft naar aanleiding van het veldonderzoek op 24 februari 2004 vastgesteld dat de percelen geen landbouwgrond zijn en niet landbouwkundig worden beheerd.

Op 6 april 2004 heeft de DLG nader gerapporteerd dat de betreffende percelen extensief worden begraasd met paarden, dat de percelen samen met de aangrenzende natuur-terreinen van Staatsbosbeheer als een geheel zijn ingerasterd, dat de bodem van de percelen ruw (met kuilen, bulten en bandensporen) is en dat de plantenresten in de percelen aangeven dat zich een vegetatie van ruigtekruiden heeft ontwikkeld.

Verder baseert de DLG zich volgens het rapport van 2004 op de website van het natuurgebied Wetland Passewaay, die vermeldt dat het terrein een natuurterrein is en deel uitmaakt van het natuurgebied Wetland Passewaay. Het rapport van 14 augustus 2006 van de DLG voegt aan een en ander nog toe dat het terrein ook (gedeeltelijk) niet zo geschikt is om landbouwkundig te gebruiken en dat hier en daar manshoge ruigtekruiden aanwezig zijn.

3.4 Eiseres heeft betoogd dat wel degelijk sprake is van landbouwgrond, omdat de percelen (extensief) worden begraasd door een kudde paarden en een kudde runderen. Dat vormt volgens eiseres weidebouw, althans een vorm van bodemcultuur, bedoeld in artikel 1, eerste lid, sub d, van de SN 2000.

Eiseres heeft voorts betoogd dat het onderzoek van de DLG onzorgvuldig is geweest, omdat de DLG op basis van de feitelijke situatie niet de conclusie kon trekken dat geen sprake is van landbouwgrond.

Verder heeft eiseres aangevoerd dat de vegetatie van ruigtekruiden de percelen nog geen natuurterrein maakt, dat de DLG zich heeft laten leiden door de aangrenzende natuurgebieden en dat begrazing voederwinning is en dus landbouwkundig gebruik van de grond.

3.5 Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de SN 2000 wordt subsidie functie-verandering verstrekt ten behoeve van de omvorming van landbouwgronden in bos en natuurterrein.

Artikel 1, eerste lid, aanhef en sub d van de SN 2000 verstaat onder landbouwgrond: grond waarop ten minste vanaf 31 juli 1992 enige vorm van akkerbouw, weidebouw, veehouderij, pluimveehouderij, tuinbouw – daaronder begrepen fruitteelt en het kweken van bomen, bloemen en bloembollen – en elke andere vorm van bodemcultuur hier te lande, met uitzondering van bosbouw, wordt bedreven, of gronden die uit productie zijn genomen in het kader van de Beschikking ter zake van het uit productie nemen van bouwland of de Regeling GLB inkomenssteun.

3.6 Eiseres is er niet in geslaagd de conclusie van de DLG dat geen sprake is van landbouwgrond te weerleggen. Uitgangspunt daarvoor is de feitelijke situatie van de betreffende grond ten tijde van de aanvraag. Het standpunt van eiseres, dat de grond tot en met 1997 is gebruikt voor het inscharen van vee, doet daarom niet ter zake.

De conclusie van DLG dat geen sprake is van landbouwgrond berust op de bij het veldonderzoek van februari 2004 door DLG gedane constatering dat de bodem van het terrein ruw was en dat er kuilen, bulten en bandensporen in de grond waren. Op grond van die feitelijke constatering heeft de DLG geconcludeerd dat de grond geen landbouwgrond was.

De rechtbank heeft in hetgeen eiseres heeft aangevoerd geen argumenten gevonden die deze conclusie ontkrachten. Het argument van eiseres dat na de aanvraag het gebied niet meer intensief is gebruikt en dat weidebouw ook een landbouwkundig gebruik van de grond vormt, treft geen doel, aangezien de DLG het terrein kort na de aanvraag heeft geïnspecteerd en toen tot de voornoemde conclusie is gekomen. Overigens is niet gebleken dat het onderzoek door de DLG onvoldoende zorgvuldig is geschied.

Ook het standpunt van eiseres dat de aanduiding van het terrein als “nieuwe natuur” in het gebiedsplan natuur en landschap Rivierenland, vastgesteld door verweerder in november 2003, uitgangspunt dient te zijn voor de beoordeling van de aanvraag is gelet op vorengenoemd uitgangspunt onjuist.

3.7 Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen van eiseres tegen het bestreden besluit geen doel treffen. Nu geen sprake is van landbouwgrond is aan de voorwaarde voor subsidieverlening niet voldaan. Het beroep dient daarom ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. S.H. Bokx-Boom, voorzitter, mrs. L. van Gijn en J.M. Neefe, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. Woestenburg, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2008. .

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 17 april 2008