Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BD2917

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
21-05-2008
Datum publicatie
30-05-2008
Zaaknummer
AWB 07/4050
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De minister van LNV heeft geweigerd om aan een varkensslachterij gegevens met betrekking tot de kwantitatieve baanbezetting door dierenartsen en keurmeesters bij vleesvarkensslachterijen te verschaffen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft hij onvoldoende onderbouwd dat openbaarmaking van de gevraagde gegevens zou leiden tot onevenredige benadeling van derden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 07/4050

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van

inzake

Compaxo Vlees Zevenaar BV, eiseres,

gevestigd te Zevenaar vertegenwoordigd door mr. R. van Rees,

tegen

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 28 augustus 2007.

2. Procesverloop

Bij besluit van 23 maart 2007 heeft verweerder geweigerd om in te willigen het verzoek van eiseres om verstrekking van gegevens met betrekking tot de kwantitatieve baanbezetting door dierenartsen en keurmeesters bij vleesvarkensslachterijen.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Verweerder heeft de stukken waarop het verzoek van eiseres betrekking heeft aan de rechtbank overgelegd en heeft daarbij een beroep gedaan op artikel 8:29 van de Awb.

Nadat de rechtbank heeft besloten dat beperking van de kennisneming van die stukken gerechtvaardigd is, heeft eiseres bij brief van 14 november 2007 de toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb, verleend.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 18 maart 2008. Eiseres is aldaar verschenen, vertegenwoordigd door [A] en [B] en bijgestaan door mr. R. van Rees. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. C.A.H.J. Anthonissen.

3. Overwegingen

Eiseres exploiteert een varkensslachterij. Bij brief van 21 september 2004 heeft eiseres aan de Voedsel en Waren Autoriteit bericht dat medewerkers van eiseres hebben waargenomen dat de bezetting van de slachtbanen door medewerkers van de Rijksdienst voor Keuring van Vee en Vlees (RVV) bij enkele grotere varkensslachterijen lager is dan bij eiseres. Zij heeft daarbij verzocht om te worden geïnformeerd over de baanbezetting bij eiseres ten opzichte van andere bedrijven. Eiseres heeft dit verzoek op 17 november 2006 wederom ingediend. Verweerder heeft bij besluit van 23 maart 2007 het verzoek van eiseres afgewezen. Dit besluit heeft hij bij het thans bestreden besluit gehandhaafd. Verweerder heeft aan het bestreden besluit samengevat ten grondslag gelegd dat artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob), in dit geval aan openbaarmaking in de weg staat. Volgens verweerder specificeren de gevraagde gegevens de werktijden en normeringen die direct zijn gerelateerd aan de productiecapaciteit van de bedrijven en geeft de informatie inzicht in de technische bedrijfsvoering van de betrokken bedrijven. Deze gegevens bevatten volgens verweerder concurrentiegevoelige informatie. Van openbaarmaking van de gevraagde informatie zouden de bedrijven waar de gegevens betrekking op hebben onevenredig nadeel kunnen ondervinden, nu deze informatie voor concurrenten een strategisch voordeel kan opleveren. Verweerder stelt zich daarbij op het standpunt dat hij geen nadere onderbouwing van de taxatie omtrent mogelijke benadeling voor betrokkenen behoeft te geven, zo dat al mogelijk zou zijn.

Eiseres voert hiertegen het volgende aan. Verweerder heeft niet gemotiveerd dat er een strategisch voordeel valt te behalen met de door eiseres gevraagde gegevens en er heeft geen belangenafweging plaatsgehad. De gevraagde gegevens hebben betrekking op een periode uit het verleden, waardoor concurrentiebelangen al helemaal geen rol meer kunnen spelen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wob voor zover thans van belang, kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Wob verstrekt het bestuursorgaan de informatie met betrekking tot de documenten die de verlangde informatie bevatten door:

a. kopie ervan te geven of de letterlijke inhoud ervan in andere vorm te verstrekken,

b. kennisneming van de inhoud toe te staan,

c. een uittreksel of een samenvatting van de inhoud te geven, of

d. inlichtingen daaruit te verschaffen.

Ingevolge artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob voor zover thans van belang, blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het voorkomen van onevenredige benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

Ten aanzien van de weigeringsgrond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob overweegt de rechtbank het volgende. Het recht op openbaarmaking op grond van de Wob dient uitsluitend het publieke belang van een goede en democratische bestuursvoering, welk belang de Wob vooronderstelt. Daarom kan ten aanzien van de openbaarmaking geen

onderscheid worden gemaakt naar gelang de persoon of de oogmerken van de verzoeker. Bij de in het kader van de Wob te verrichten belangenafweging worden slechts het algemene of publieke belang bij openbaarmaking en de door de weigeringsgronden beschermde belangen betrokken en niet het belang dat appellant stelt te hebben bij openbaarmaking ervan, ook al is dit voor hem van groot gewicht.

De vraag of een door de weigeringsgronden beschermd belang aanwezig is, dient door de rechter integraal te worden beoordeeld. De rechterlijke toetsing van het bestuurlijk oordeel of het openbaarheidsbelang meer of minder zwaar weegt dan de andere in de Wob genoemde belangen, wijkt niet af van de redelijkheidstoetsing overeenkomstig het tweede lid van artikel 3:4 van de Awb. Bij die toetsing dient het uitgangspunt van de Wob - openbaarheid is regel - zwaar te wegen (zie Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 5 maart 2008, LJN: BC5803).

De rechtbank merkt allereerst op dat niet aannemelijk is geworden dat de door eiseres gevraagde gegevens enig inzicht kunnen verschaffen in de technische bedrijfsvoering van de desbetreffende slachterijen. Wel is aannemelijk dat op basis van de gevraagde gegevens in enige mate inzicht kan worden verkregen in de productie(capaciteit) van de desbetreffende bedrijven.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder echter onvoldoende heeft onderbouwd dat het verstrekken van deze gegevens leidt tot een reëel nadeel voor deze bedrijven. De enkele mogelijkheid van benadeling is onvoldoende grond voor de weigering tot het openbaar maken van de gevraagde gegevens. Het ligt op de weg van verweerder te beargumenteren dat een nadeel voor andere betrokken bedrijven mogelijk is en aan te geven in welke orde van grootte het nadeel is dat betrokkenen als gevolg van de openbaarmaking van de gegevens ondervinden. Daarbij dient verweerder mede te betrekken het gegeven dat deze productiegegevens volgens eiseres haar ook uit andere bron(nen) bekend is. Nu verweerder dit heeft nagelaten en volstaat met de opmerking dat geen nadere onderbouwing van de mogelijkheid tot het ontstaan van nadeel nodig is, is de rechtbank van oordeel dat het besluit onvoldoende draagkrachtig is gemotiveerd.

De rechtbank merkt voorts op dat, zo al van benadeling van de betrokken bedrijven sprake is, verweerder niet heeft gemotiveerd dat sprake is van onevenredige benadeling zoals bedoeld in de Wob. Uitgangspunt van de Wob is dat openbaarheid regel is. Het ligt op de weg van verweerder om te motiveren, indien zij meent dat openbaarmaking van de gegevens strekt tot nadeel van de betrokkene, waarom dit nadeel onevenredig is gelet op het algemeen belang van openbaarmaking. Dit heeft verweerder nagelaten, zodat ook in dit opzicht het besluit onvoldoende is gemotiveerd.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit niet voldoet aan het motiveringsvereiste van artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtbank zal het beroep tegen dit besluit dan ook gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Verweerder dient opnieuw op het bezwaar van eiser te beslissen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

De rechtbank merkt voorts nog op dat eiseres aan haar verzoek tot openbaarmaking ten grondslag heeft gelegd de observatie dat de bezetting van de slachtbanen door medewerkers van de RVV bij enkele slachterijen lager is dan bij haar en dat zij heeft verzocht om te worden geïnformeerd over de baanbezetting bij eiseres ten opzichte van andere bedrijven. Gelet op dit verzoek is het naar het oordeel van de rechtbank niet uitgesloten dat verweerder in voldoende mate aan dit verzoek om openbaarmaking tegemoet kan komen, door bij haar aanwezige gegevens omtrent de relatieve baanbezetting bij eiseres en andere bedrijven openbaar te maken. Uit de door verweerder overgelegde stukken, waarvan de rechtbank bij uitsluiting conform artikel 8:29 van de Awb heeft kunnen kennis nemen, is de rechtbank gebleken dat deze gegevens bij verweerder aanwezig zijn onder de noemer onderbezet KM/DA of overbezet KM/DA.

De rechtbank acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 644,- aan kosten van verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten ten bedrage van € 644,-en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

bepaalt voorts dat de Staat der Nederlanden het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 285,- aan haar vergoedt.

Aldus gegeven door mr. C. van Linschoten, voorzitter, en mrs. J.J.W.P. van Gastel en J.H.A. van der Grinten, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.W.B. Heijmans, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2008.

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 21 mei 2008