Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BD2546

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
28-04-2008
Datum publicatie
28-05-2008
Zaaknummer
AWB 06/4662, AWB 06/4663 en 06/4728
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2011:BU5164, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder hoefde niet te twijfelen aan de inhoud van de door eiser ingediende aangifte. Navordering mogelijk. Commanditair vennoot in Duitse GmbH & Co KG kan fiscaal geen hoger bedrag aan verliezen in aanmerking nemen dat tot het bedrag van zijn kapitaalinbreng.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2008, 1856
FutD 2008-1170
V-N 2008/40.2.3

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

AWB 06/4662, AWB 06/4663 en 06/4728

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 28 april 2008

inzake

[X], wonende te [Z], eiser,

tegen

de inspecteur van de Belastingdienst/Randmeren, kantoor Lelystad, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft bij eiser een boekenonderzoek ingesteld naar onder meer de winst uit onderneming zoals opgenomen in de aangiften inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen van eiser over de jaren 1996 tot en met 1998. De bevindingen van dit onderzoek zijn vastgelegd in het rapport d.d. 25 februari 2004, opgemaakt door

[A] en [B]. Een afschrift van dit rapport behoort tot de gedingstukken.

Naar aanleiding van voornoemd boekenonderzoek heeft verweerder aan eiser voor de jaren 1996, 1997 en 1998 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (aanslagnummers [00].H.67, [00].H.77 en [00].H.87) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 268.843 (1996),

ƒ 286.884 (1997) en ƒ 296.037 (1998).

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 12 juli 2006 de navorderingsaanslagen gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brieven van 18 augustus 2006, ontvangen bij de rechtbank op 21 augustus 2006, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 april 2008 te Arnhem.

Namens eiser is daar verschenen [gemachtigde], bijgestaan door [gemachtigde]. Namens verweerder is verschenen [gemachtigde], bijgestaan door [gemachtigde], [B] en [gemachtigde].

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

Eiser is directeur en enig aandeelhouder van [C] Beheer B.V. (hierna: Beheer B.V.).

Beheer B.V. is aandeelhouder van de in Duitsland gevestigde vennootschap [D] GmbH (hierna: de GmbH).

De GmbH is beherend vennoot van [E] KG (hierna: de KG). Eiser is commanditair vennoot van de KG. Zijn kapitaaldeelname bedraagt DM 25.000 (ƒ 28.000 of € 12.706).

Eiser heeft in de door hem ingediende aangiften inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over de jaren 1996 tot en met 1998 de volgende bedragen als verlies uit onderneming aangegeven ten aanzien van zijn deelname in de KG:

• 1996: ƒ 649.901 (€ 294.912),

• 1997: ƒ 631.068 (€ 286.366),

• 1998: ƒ 181.482 (€ 82.353).

3. Geschil

Tussen partijen is primair in geschil het antwoord op de vraag of verweerder beschikt over een zogenoemd nieuw feit in de zin van artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr) dat navordering mogelijk maakt. Subsidiair houdt partijen verdeeld of eiser als commanditair vennoot van de KG het aan hem toegerekende verlies van de KG op zijn inkomen in mindering kan brengen.

Eiser concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vernietiging van de navorderingsaanslagen. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4. Beoordeling van het geschil

Ten aanzien van het ontbreken van een nieuw feit

Artikel 16, eerste lid, van de Awr bepaalt dat indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, de inspecteur de te weinig geheven belasting kan navorderen. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.

Voor het antwoord op de vraag of sprake is van een nieuw feit dient beoordeeld te worden of de navordering voortvloeit uit feiten die bij het opleggen van de primitieve aanslag reeds bij verweerder bekend waren of redelijkerwijs bekend hadden kunnen zijn. Op verweerder rust de bewijslast dat sprake is van een nieuw feit.

Volgens vaste rechtspraak mag verweerder bij het vaststellen van de aanslag uitgaan van de juistheid van de gegevens die een belastingplichtige in zijn aangifte heeft vermeld. Tot een nader onderzoek is verweerder in beginsel niet gehouden. Wel is hij tot een nader onderzoek gehouden, indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen. Naar het oordeel van de rechtbank hoefde de inhoud van de aangifte alsmede de bij de aangifte ingediende bijlage – de jaarrekening van de KG – verweerder geen aanleiding te geven om in afwijking van voormelde hoofdregel een nader onderzoek in te stellen. Uit deze stukken blijkt immers niet in welke hoedanigheid eiser participeerde in het samenwerkingsverband. De hoogte van de in aftrek gebrachte bedragen doet hieraan niet af te meer nu verweerder hiervoor een afdoende verklaring heeft gegeven, te weten de grote fluctuaties van winsten in de staalbouwbranche.

Ten aanzien van het in aanmerking genomen verlies

Eiser stelt zich op het standpunt dat op grond van interne afspraken tussen de beherend en commanditair vennoot de door de KG geleden verliezen volledig voor rekening van eiser kwamen. Deze afspraak brengt naar eiser stelt mee dat de geleden verliezen als verlies uit onderneming in aanmerking kunnen worden genomen.

Ingevolge artikel 20, derde lid, van het Wetboek van Koophandel (hierna: WvK) behoeft een commanditair vennoot niet meer in de verliezen bij te dragen dan de inbreng waartoe hij zich heeft verbonden. Dit is een bepaling van dwingend recht. In paragraaf 171 van het Duitse Handelsgesellschaftsbuch (“Haftung des Kommanditisten”) is een soortgelijke bepaling opgenomen.

In de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: Wet IB 1964) is geen afzonderlijke regeling opgenomen met betrekking tot de verliestoerekening aan een commanditaire vennoot.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat paragraaf 171 van het Handelsgesellschaftsbuch – gelijk aan de bepaling van artikel 20, derde lid, van het WvK – dwingend recht is waarvan niet kan worden afgeweken. Eiser heeft deze stelling van verweerder niet, althans onvoldoende, weersproken. Het dwingendrechtelijke karakter van deze bepaling heeft tot gevolg dat de tussen de beherend en commanditair vennoot gemaakte afspraken omtrent de verdeling van de verliezen geen betekenis heeft.

Volgens vaste jurisprudentie kan een commanditair vennoot fiscaal geen hoger bedrag aan verliezen in aanmerking nemen dan tot het bedrag van zijn kapitaalinbreng in de commanditaire vennootschap (vergelijk Hoge Raad 3 juni 1970, nr. 16.346, BNB 1970/152).

Onder omstandigheden kan een commanditair vennoot een hoger verlies dan de kapitaalinbreng in aftrek brengen. Hiervoor is echter vereist dat het hogere verlies wordt veroorzaakt door een fiscale faciliteit (vergelijk Hoge Raad, 30 november 2007, nr. 41.577, VN 2007/57.8). Van bijzondere omstandigheden als bedoeld in dit arrest is in het onderhavige geval echter geen sprake.

Verweerder heeft dan ook terecht en op juiste gronden de door eiser in aanmerking genomen verliezen niet in aftrek toegestaan.

Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 28 april 2008 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. A.M.F. Geerling, voorzitter, mr. V.M. van Daalen-Mannaerts en mr. R.A.V. Boxem, rechters, in tegenwoordigheid van mr. drs. J.A. Vriezen, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.