Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BD2370

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
07-05-2008
Datum publicatie
23-05-2008
Zaaknummer
166531
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank stelt voorop dat het algemeen belang is gediend bij een effectief functionerende arbitragerechtspleging. Een vernietigingsprocedure mag niet gebruikt worden als een verkapt hoger beroep. De rechtbank grijpt alleen dan in – lees ziet alleen aanleiding om een arbitraal vonnis te vernietigen – indien sprake is van één van de vernietigingsgronden van artikel 1065 Rv., waarbij geldt dat de rechtbank deze terughoudend toetst. Tegen dat kader zal de rechtbank de bezwaren van de Maatschap tegen het arbitraal vonnis beoordelen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1065
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GJ 2008/94
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

als nevenzittingsplaats van rechtbank Utrecht

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 166531 / HA ZA 08-248

Vonnis van 7 mei 2008

in de zaak van

1. de maatschap

DE MAATSCHAP ANESTHESIOLOGIE,

gevestigd te Goes,

2. [eiser sub 2]

wonende te Maria ter Heide, België,

3. [eiser sub 3],

wonende te Bazel, België,

4. [eiser sub 4],

wonende te Goes,

5. [eiser sub 5],

wonende te Kloetinge, gemeente Goes,

6. [eier sub 6]

Wonende te Goes,

eisers,

procureur mr. N.L.J.M. Rijssenbeek,

advocaat mr. J. Boogaard te Middelburg,

tegen

de stichting

STICHTING OOSTERSCHELDEZIEKENHUIZEN,

gevestigd te Goes,

gedaagde,

procureur mr. A.T. Bolt,

advocaat mr. A.L. Heinen te Arnhem.

Eisers zullen hierna gezamenlijk worden aangeduid als de Maatschap en gedaagde zal worden aangeduid als de Stichting.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 13 februari 2008 van de rechtbank Utrecht waarbij de zaak in de stand waarin deze zich op dat moment bevond is overgedragen aan de rechtbank te Arnhem, als nevenzittingsplaats van rechtbank Utrecht.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 16 april 2007 heeft het Scheidsgerecht Gezondheidszorg (het “Scheidsgerecht”) tussen de Maatschap enerzijds en de Stichting anderzijds een arbitraal vonnis gewezen (het “arbitraal vonnis”), dat op 19 april 2007 is gedeponeerd bij de rechtbank te Utrecht.

2.2. In het arbitraal vonnis heeft het Scheidsgerecht bepaald:

Verklaart voor recht dat in de rechtsverhouding tussen enerzijds de Stichting en anderzijds de maatschap, de Stichting tot 1 januari 2008 gehouden is de loonkosten van de anesthesioloog [X] voor haar rekening te nemen en diens omzet aan de maatschap uit te keren.

De Stichting wordt veroordeeld om aan eiseres sub 1 (de Maatschap zonder haar maten – rb) te betalen de waarnemingsvergoeding over 2006 ad in totaal € 19.600,--.

2.3. Van het arbitraal vonnis staat geen appel open.

3. Het geschil

3.1. De Maatschap vordert - kort gezegd - vernietiging van het arbitraal vonnis met veroordeling van de Stichting in de kosten van de procedure.

3.2. De Maatschap legt aan haar vordering tot vernietiging ten grondslag dat (i) het Scheidsgerecht zich niet aan zijn opdracht heeft gehouden, (ii) het arbitraal vonnis niet met redenen is omkleed en (iii) het arbitraal vonnis of de wijze waarop het tot stand is gekomen, in strijd is met de openbare orde.

3.3. De Stichting voert gemotiveerd verweer.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De rechtbank stelt voorop dat het algemeen belang is gediend bij een effectief functionerende arbitragerechtspleging. Een vernietigingsprocedure mag niet gebruikt worden als een verkapt hoger beroep. De rechtbank grijpt alleen dan in – lees ziet alleen aanleiding om een arbitraal vonnis te vernietigen – indien sprake is van één van de vernietigingsgronden van artikel 1065 Rv., waarbij geldt dat de rechtbank deze terughoudend toetst. Tegen dat kader zal de rechtbank de bezwaren van de Maatschap tegen het arbitraal vonnis beoordelen.

Ad (i) – Scheidsgerecht heeft zich niet aan zijn opdracht gehouden (art. 1065 lid 1 sub c jo art. 1065 lid 5 Rv)

4.2. De Maatschap onderbouwt de eerste grond waarop zij haar vordering tot vernietiging baseert met de stelling dat het Scheidsgerecht iets anders heeft toegewezen dan zij heeft gevorderd. De Maatschap stelt daarbij dat bij toewijzing van een verklaring voor recht naar zijn aard geen sprake kan zijn van een afwijking van het gevorderde.

4.3. De vordering van de Maatschap luidde, voor zover hier van belang:

Te verklaren voor recht dat in de rechtsverhouding tussen enerzijds de Stichting en anderzijds de Maatschap, de Stichting gehouden is een voltijds werkzame anesthesioloog in dienst te houden en de omzet daarvan, tezamen met de omzet van de aan de Maatschap verbonden anesthesiologen aan Maatschap uit te keren dan wel, indien niet aan de verplichting tot het voltijds werkzaam doen zijn van één anesthesioloog integraal wordt voldaan, de Stichting gehouden is de Maatschap daarvoor op gelijke wijze als over het jaar 2005 te compenseren, dat wil zeggen een waarneemvergoeding van € 750,-- per dag te indexeren met een gebruikelijke indexering op basis van de CBS prijsindexcijfers.

4.4. De rechtbank overweegt als volgt. Het Scheidsgerecht heeft de afspraak die de Maatschap in rechte vastgesteld wenste te zien - kort gezegd, dat de Stichting voor onbepaalde tijd de loonkosten van een full time zesde anesthesioloog voor haar rekening zou nemen - niet vast kunnen stellen. Hij heeft echter wel een minder vergaande afspraak aanwezig geacht, namelijk die om gedurende enige tijd de loonkosten van de op dat moment werkzame anesthesioloog voor rekening van de Stichting te laten komen. Die afspraak, die dus kwalificeert als het “mindere” van hetgeen de Maatschap heeft gevorderd, heeft het Scheidsgerecht vervolgens voor recht verklaard. Daarmee heeft hij niet meer of iets anders behandeld dan gevorderd, wel iets minder toegewezen dan gevorderd maar daarmee is het Scheidsgerecht niet buiten zijn opdracht getreden. Dat de Maatschap het door haar gewenste resultaat heeft gegoten in de vorm van vordering voor een verklaring voor recht en bijvoorbeeld niet in de vorm van een vordering tot nakoming, maakt dat niet anders. Aan deze verklaring voor recht heeft het Scheidsrecht voorts een uitwerking gegeven door, conform zijn opdracht, als goede mannen naar billijkheid een termijn te koppelen en voorts een vergoeding vast te stellen voor de verminderde inzetbaarheid van [X] en de kosten die verband houden met zijn vervanging. Deze uitwerking ligt besloten in, en vormt door de beperkte periode waarvoor deze wordt toegewezen het mindere van, de door de Maatschap gevorderde verklaring dat de Stichting gehouden is de Maatschap te compenseren, samengevat, voor onbepaalde tijd op de wijze als over het jaar 2005. Ook daarmee heeft het Scheidsgerecht niet meer of iets anders behandeld doch slechts minder toegewezen dan gevorderd. Van de gestelde grond voor vernietiging is dus geen sprake.

Ad (ii) - Het arbitraal vonnis is niet met redenen omkleed (art. 1065 lid 1 sub d (en e) Rv.)

4.5. De Maatschap onderbouwt de tweede grond in de eerste plaats met de stelling dat het Scheidsgerecht niet motiveert waarom zij de gevorderde rente, de buitengerechtelijke kosten en de boete afwijst. Zij stelt dat het arbitraal vonnis ter zake van alle onderdelen van het dictum een beslissing dient bevatten, bij gebreke waarvan sprake is van een grond voor vernietiging.

4.6. Voor zover de Maatschap heeft willen stellen dat het Scheidsgerecht uitsluitend heeft overwogen de vorderingen op de genoemde punten af te wijzen maar dat niet heeft beslist, merkt de rechtbank op dat het Scheidsgerecht wel degelijk heeft beslist. Dat ligt besloten in de zinsnede in het dictum: “Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen”. Het Scheidsgerecht heeft geen afzonderlijke overwegingen gewijd aan de motivering van zijn beslissing om de vorderingen van de Stichting ter zake van de rente, de buitengerechtelijke kosten of de boete af te wijzen. Nu het hier gaat om vorderingen die onderschikt zijn aan de andere vorderingen, kunnen de afwijzingen op deze punten echter gedragen worden door de motivering van de overige beslissingen. Het gaat er dus om vast te stellen of de motivering van deze andere vorderingen ontbreekt.

4.7. De Maatschap stelt zich op het standpunt dat de motivering in de rechtsoverwegingen 4.3 en 4.4 van het arbitraal vonnis dermate gebrekkig is dat deze gelijk te stellen is aan een beslissing waarvoor een motivering geheel ontbreekt. Vooropgesteld zij dat het niet de taak is van de rechtbank om na te gaan of het Scheidsgerecht op juiste wijze motiveert en of hij tot een juiste beslissing is gekomen. De rechtbank toetst uitsluitend of er een motivering is (NJ 2000, 508 Benneton/Eco Swiss) dan wel, of de beslissing weliswaar een motivering bevat maar daarin enige steekhoudende verklaring voor de betreffende beslissing niet te onderkennen valt (NJ 2005, 190, Nannini-arrest (r.o. 3.5.2)). Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval geen sprake. Het Scheidsgerecht heeft zijn beslissing met argumenten onderbouwd en niet geoordeeld kan worden dat de argumenten die het Scheidsgerecht in r.o. 4.3 en 4.4. van het arbitraal vonnis aan zijn beslissing ten grondslag legt, op geen enkele wijze steekhoudend zijn. Van de gestelde grond voor vernietiging is dus geen sprake.

Ad (iii) - Het arbitraal vonnis is in strijd met de openbare orde (art. 1065 lid 1 sub e Rv.)

4.8. Deze laatste grond voor vernietiging onderbouwt de Maatschap met de stelling dat één van de drie argumenten die het Scheidsgerecht ten grondslag legt aan zijn beslissing, te weten “gewijzigde omstandigheden op grond waarvan de Maatschap de Stichting naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onverkort mag houden aan de (stilzwijgende) verplichting van de Stichting”, geen onderdeel is geweest van het processuele debat tussen partijen en dat partijen zich dus ook niet over dit argument hebben kunnen uitlaten. De Maatschap stelt dat daarmee sprake is van een verrassingsbeslissing.

4.9. Deze stelling berust echter op een onjuiste lezing van het arbitraal vonnis. Het Scheidsgerecht stelt eerst vast dat de Stichting tegen over de (leden van de) Maatschap de verplichting op zich heeft genomen de loonkosten van [X] gedurende een zekere periode voor haar rekening te nemen. Het Scheidsgerecht stelt voorts vast dat er verder geen afspraken tussen partijen zijn gemaakt (laatste zin van 4.2 op pagina 4 overlopend naar p. 5) en dus ook niet is komen vast te staan dat de Stichting de kosten voor haar rekening zou nemen indien de [X] niet meer volledig werkzaam zou zijn voor de Maatschap. Voor de invulling van de duur van de periode waarvoor de kosten door de Stichting gedragen worden en de situatie dat [X] niet meer geheel voor de Maatschap werkzaam is, baseert het Scheidsgerecht zich op de redelijkheid en billijkheid. Het Scheidsgerecht neemt bij de invulling van de redelijkheid en billijkheid een aantal omstandigheden in aanmerking. Dat zijn de verwachting dat de Maatschap gedurende enige tijd het voordeel zou hebben van een zesde collega, welk voordeel niet zonder overgangstermijn kan eindigen, het ontbreken van enige afspraak over vervanging van [X], terwijl voor de Maatschap zonneklaar moest zijn dat het voordeel van de kosteloze bijstand niet voor onbepaalde tijd zou gelden en ten slotte dat ook met de nieuwe leden van de Maatschap geen enkele afspraak over deze materie is vastgelegd. Op grond van die omstandigheden komt het Scheidsgerecht tot de conclusie dat de periode vastgesteld moet worden op vijf jaar, eindigend op 1 januari 2008. Bij de vaststelling van die termijn zoekt de Stichting tevens aansluiting bij de wijziging van de financieringsystematiek in de gezondheidszorg. Het Scheidsgerecht oordeelt voorts dat het verlies aan inkomsten doordat [X] 10% minder is gaan werken, in 2005 en 2006 voor rekening is van de Stichting en voor 2007, bij wijze van overgangsjaar, voor rekening van de Maatschap blijft.

4.10. Het argument dat de Maatschap als dragend element in de redenering van het Scheidsgerecht meent te zien, maakt geen onderdeel uit van die redenering, althans niet in de door de Maatschap gestelde zin. Het Scheidsgerecht merkt slechts op dat in de stellingen van de Stichting ligt besloten dat de omstandigheden inmiddels zijn gewijzigd zodat de Maatschap niet langer gehouden kan worden aan verplichtingen die zij eerder is aangegaan. Hij maakt die stelling echter niet tot de zijne. Ook hierin kan dus geen grond gevonden worden voor vernietiging van het vonnis. Maar ook indien het Scheidsgerecht deze stelling wel tot de zijne zou hebben gemaakt, zou dat niet onbegrijpelijk of verrassend zijn geweest gelet op hetgeen door partijen in de arbitrage is aangevoerd over het totstandkomen van de afspraak, de reden daarvan en de ontwikkelingen zowel binnen de maatschap als in de financieringstructuur sindsdien. Van een verrassingsbeslissing zou ook dan geen sprake zijn.

4.11. De maatschap heeft voorts nog aangevoerd dat de periode van vijf jaar en het oordeel van het Scheidsgerecht dat dat een voldoende compensatie biedt, in het debat niet aan de orde zijn geweest. Dat zijn echter conclusies van het Scheidsgerecht en deze geven invulling aan de overeengekomen “bepaalde periode”. Het Scheidsgerecht hoefde deze conclusies niet tot onderdeel van het debat te maken.

4.12. De vorderingen van de Maatschap zullen dus worden afgewezen. De Maatschap zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Stichting worden begroot op:

- vast recht 251,00

- salaris procureur 904,00 (2,0 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.155,00

4.13. De rechter, ten overstaan van wie de comparitie is gehouden, heeft door de verwijzing van de procedure naar de rechtbank in Arnhem dit vonnis niet kunnen wijzen.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt Maatschap in de proceskosten, aan de zijde van Stichting tot op heden begroot op EUR 1.155,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Blaisse en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2008.