Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BD1779

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
23-04-2008
Datum publicatie
16-05-2008
Zaaknummer
155133
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser vordert vergoeding van (im-)materiële schade van gedaagde en stelt daartoe dat gedaagde hem buiten de spelsituatie om tijdens een voetbalwedstrijd plotseling een harde trap tegen de achillespees heeft gegeven.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 101
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2008/107

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 155133 / HA ZA 07-726

Vonnis van 23 april 2008

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur en advocaat mr. C.W. Langereis,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur en advocaat mr. A.F. van Dam.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 25 juli 2007,

- het proces-verbaal van comparitie van 3 oktober 2007,

- de akte van [eiser],

- de akte overlegging producties en akte uitlating van [gedaagde],

- de antwoordakte tevens houdende akte vermeerdering van eis van [eiser],

- de akte uitlating vermeerdering van eis van [gedaagde].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op zondag 4 september 2005 heeft een amateurvoetbalwedstrijd plaatsgevonden tussen een team van de voetbalvereniging [XXX] en een team van de voetbalvereniging [XXX]. [eiser] speelde in het team van [XXX] en [gedaagde], met rugnummer [XX], in het team van [XXX].

2.2. Tijdens de voetbalwedstrijd is [eiser] geblesseerd geraakt aan zijn achillespees. Hij heeft zich met pijnklachten bij de EHBO gemeld en is de volgende ochtend 5 september 2005 geopereerd aan zijn achillespees.

2.3. Op 10 september 2005 heeft [eiser] aangifte gedaan, stellende dat nummer [XX] van de [XXX] hem opzettelijk tegen de achillespees heeft getrapt.

2.4. De politie heeft naar aanleiding van die aangifte een aantal getuigen gehoord.

[gedaagde] zelf heeft op 18 oktober 2005 tegenover de politie verklaard:

“Tijdens het gesprek met de KNVB (…) heb ik gezegd dat ik hem niet met opzet geraakt heb. Ik weet ook niet zeker of ik hem heb geraakt. Een kameraad van de persoon, die ik geraakt heb, kwam na de wedstrijd naar mij toe. Ik heb toen tegen hem gezegd dat het per ongeluk is gegaan.

Ik stond aan de zijkant van het veld. Ik zag dat de persoon voor mij liep. Ik zag dat de bal zijn richting op ging. Ik weet dat dit in de tweede helft was. Ik denk dat wij ongeveer 10 minuten bezig waren. Ik ben toen achter hem langs gerend. Ik zag dat de bal zich een paar meter voor deze persoon bevond. Ik weet niet wat hij op dit moment deed. Ik weet wel dat hij bewoog. Ik ben toen langs hem heen gerend.

U zegt dat u het vreemd vind dat ik hem geraakt heb, omdat ik er ook met een boog omheen kon. Ik weet het ook niet. Ik ben achter hem langs gerend, maar ik weet niet of ik hem geraakt heb. Waarom zou ik hem een trap geven? Ik heb niet eens ruzie met hem gehad. (…)

Ik moet hem geraakt hebben want anders had hij zijn achillespees niet gescheurd. Ik weet dit zelf echter niet. Wel heb ik van mensen langs de kant gehoord dat ik hem wel geraakt heb. Ik niet aan hun gevraagd hoe ik hem geraakt heb.

Ik kan u niet vertellen waar de scheidsrechter op dat moment stond. Ik ben gewoon achter de bal aangerend. Ik zie op dat moment alleen nog maar de bal. Ik zie de mensen wel, maar op dat moment wil ik alleen de bal hebben. Ik weet ook niet waarom de scheidsrechter deze situatie niet gezien heeft. Ik heb niet gevoeld dat ik hem geraakt heb. Ik snap dat u dit een rare situatie vindt, maar ik weet het ook niet. (…)

Ik weet zeker dat de bal in de buurt was. Ik weet echter niet op welke afstand. Ik denk dat de bal ongeveer 7 meter weg was. Het was geen duel. Ik denk niet dat de bal op een afstand van 20 meter was. Ik weet het echter niet meer precies. (…)

Ik zie mezelf niet als een gevaar. Toch hoor ik dit weleens van teamgenoten. Ik trap dan weleens tegen de schenen in plaats van de bal. Ik moet volgens mijn teamgenoten beter opletten. Ik heb dit regelmatig. ”

2.5. De getuige [XXX], uit het team van [eiser], heeft over de toedracht verklaard:

“Ronald [[eiser], rb] paaste de bal naar voren. Ik zag dat achter Ronald een speler van de [XXX] aan kwam rennen. Ik zag dat de speler een sliding maakte en Ronald daarbij vol van achteren raakte.”

2.5. De getuige [XXX], uit het team van [eiser], heeft over de toedracht verklaard:

“Ik zag de linksbuiten, dit was de directe tegenstander van Ronald [eiser], richting Ronald lopen. De linksbuiten had rugnummer twaalf. Ik zag dat de nummer twaalf Ronald van de achterkant naderde. Ik zag vervolgens dat Ronald door deze nummer twaalf van achter tegen de achillespees aangeschopt werd. Op dat moment hoorde ik iets knappen en zag ik dat Ronald op de grond viel. Ik zag dat de nummer twaalf Ronald met opzet van achteren tegen zijn rechter onderbeen schopte. Ik weet het niet zeker maar ik geloof dat de nummer twaalf met zijn linkerbeen schopte.”

2.6. De getuige [XXX], uit het team van [eiser], heeft over de toedracht verklaard:

“De speler van de [XXX] liep terug. Ik bedoel, vanaf ons doelgebied naar zijn eigen helft. Ik zag dat de speler van de [XXX] mijn teamgenoot van achteren onder tegen de benen schopte. Hierdoor kwam mijn teamgenoot ten val.”

2.7. De getuige E.A. [eiser], uit het team van [gedaagde], heeft over de toedracht verklaard:

“De bal was op de helft van de tegenpartij. Ik zag dat een speler van [XXX] naar de bal toerende. Ik zag ook dat een teamgenoot van mij, Iwan [gedaagde] naar de bal rende. Ik zag dat Iwan de speler van [XXX] schuin van achteren naderde. Ik zag dat Iwan de speler van [XXX] omver liep. Ik zag dat de speler van [XXX] op de grond viel.”

2.8. Naar aanleiding van het incident heeft een tuchtzaak onder auspiciën van de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond (“KNVB”) plaatsgevonden. De tuchtcommissie heeft op 24 oktober 2005 geconcludeerd dat zij de overtuiging heeft dat [gedaagde] opzettelijk buiten een spelsituatie een speler heeft getrapt tengevolge waarvan deze speler ernstig letsel heeft opgelopen, en in elk geval dusdanig letsel dat hij meer dan twee maanden arbeidsongeschikt is met zelfs de mogelijkheid tot blijvend letsel. [gedaagde] is daarvoor tuchtrechtelijk veroordeeld tot 12 maanden uitsluiting. [gedaagde] heeft tegen deze beslissing geen hoger beroep ingesteld.

2.9. [XXX], assistent scheidsrechter en tevens leider van de [XXX], tenslotte, heeft tegenover de tuchtcommissie van de KNVB verklaard:

“Ik zag dat zonder dat de bal in de buurt was [gedaagde] in botsing kwam met een speler van [XXX]. Volgens mij gebeurde het doordat beiden botsten terwijl beiden wegliepen. Ik heb niet gezien dat [gedaagde] een trappende beweging heeft gemaakt naar deze speler.”

Er is geen verklaring van [XXX] tegenover de politie in het geding gebracht.

2.10. [gedaagde] is naar aanleiding van de aangifte van [eiser] strafrechtelijk vervolgd. [eiser] heeft zich in de strafzaak gevoegd als benadeelde partij. De politierechter heeft [gedaagde] op 4 januari 2006 veroordeeld tot zestig uur taakstraf en betaling van schadevergoeding. In hoger beroep heeft het hof Arnhem [gedaagde] bij arrest van 13 juli 2006 vrijgesproken van opzettelijke mishandeling. Het hof heeft bewezenverklaard dat [gedaagde]:

“op 4 september 2005 te [plaats], grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en onachtzaam R. [eiser] tegen diens achillespees heeft geschopt/getrapt, waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat voornoemde R. [eiser] zwaar lichamelijk letsel (een afgescheurde achillespees) heeft bekomen.”

Terzake heeft het hof nog overwogen:

“Vast is komen te staan dat verdachte tijdens een voetbalwedstrijd in botsing is gekomen met een speler van [XXX] zonder dat de bal in de buurt was. Dit blijkt onder andere uit een verklaring van [XXX], assistent-scheidsrechter en tevens leider van de [XXX]. Ook andere spelers verklaren dat de bal niet in de buurt van het voorval was. Het hof merkt hieromtrent op dat een sport-/spelsituatie beperkt moet worden uitgelegd. Speltechnisch was er geen enkele aanleiding voor het voorval.”

[gedaagde] is daarvoor veroordeeld tot 40 uren werkstraf en betaling van een schadevergoeding van € 950,01 aan [eiser] en betaling van € 582,76 wegens door [eiser] gemaakte (proces)kosten.

2.11. [gedaagde] heeft tegen dit arrest beroep in cassatie ingesteld. Dat is bij arrest van 13 november 2007 onder toepassing van artikel 81 RO verworpen.

3. Het geschil

3.1. [eiser] heeft gevorderd dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van

€ 8.638,60 met wettelijke rente vanaf 4 september 2005, met proceskosten en nakosten. Daarnaast heeft hij na vermeerdering van eis gevorderd, samengevat, primair, dat [gedaagde] zal worden veroordeeld tot cessie aan [eiser] van zijn vordering op de aansprakelijkheidsverzekeraars AON en SNS, binnen drie maanden na betekening van het in deze te wijzen vonnis, op straffe van een dwangsom, alsmede [gedaagde] te veroordelen in de daadwerkelijke kosten die eiser zal moeten maken in de alsdan te voeren procedure tegen AON en SNS, subsidiair, dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot het aanspannen van een procedure tegen AON en SNS ter verkrijging van de door de rechtbank toe te kennen schadevergoeding en proceskosten, binnen drie maanden na betekening van het te wijzen vonnis, op straffe van een dwangsom, onder de bepaling dat [gedaagde] alle processtukken vooraf aan [eiser] ter goedkeuring dient voor te leggen en dat hij zonder toestemming van [eiser] geen schikkingsvoorstel mag accepteren.

3.2. Aan zijn vorderingen heeft [eiser] ten grondslag gelegd dat [gedaagde] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door hem tijdens de voetbalwedstrijd op 4 september 2005 van achteren, buiten de spelsituatie om, plotseling een harde trap tegen de achillespees te geven. Als gevolg daarvan is [eiser] op 5 september 2005 geopereerd, heeft hij behandeling van een fysiotherapeut moeten ondergaan, heeft hij een tijd niet kunnen werken en ondervindt hij ook thans nog blijvende beperkingen. [eiser] vordert de schade die hij daardoor heeft geleden, bestaande uit reiskosten, diverse posten materiële schade en smartengeld. Aan zijn vordering tot cessie van de aanspraken van [gedaagde] op de aansprakelijkheidsverzekeraars heeft [eiser] ten grondslag gelegd dat hij er weinig vertrouwen in heeft dat [gedaagde] actie zal ondernemen en een en ander ook graag in eigen hand houdt.

3.3. [gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd, dat er samengevat op neer komt, primair, dat hij eiser tijdens de wedstrijd op 5 september 2005 niet heeft geschopt en subsidiair, dat sprake was van een sport- en spelsituatie zodat zijn handelen niet onrechtmatig was jegens [eiser]. Verder heeft hij de schade van [eiser] betwist. Voor wat betreft de gevorderde cessie van zijn aanspraken op de verzekeraars heeft [gedaagde] gesteld onder omstandigheden wel bereid te zijn tot cessie. Er kan echter geen sprake van zijn dat [eiser] zijn schade op [gedaagde] verhaalt en tevens op diens verzekeraars. Verder heeft [gedaagde] zich ertegen verzet dat hij in de kosten van de procedure op de verzekeraars zou worden veroordeeld

3.4. De standpunten van partijen zullen hierna nader aan de orde komen.

4. De beoordeling

4.1. Allereerst dient te worden beoordeeld of [gedaagde] onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld. [eiser] heeft gesteld dat hij plotseling van achter een heel harde trap tegen zijn achillespees heeft gekregen, op een moment dat de bal zich aan de andere kant van het veld bevond, dus buiten de spelsituatie om. Hij viel en zag toen een persoon van [XXX] met rugnummer [XX], naar naderhand bleek [gedaagde]. Dit handelen buiten de spelsituatie om getuigt van grove onzorgvuldigheid en is daarom onrechtmatig, aldus nog steeds [eiser].

4.2. [gedaagde] heeft primair betwist dat hij [eiser] iets heeft aangedaan en subsidiair gesteld dat er wel degelijk sprake was van een spelsituatie waarin het risico van het oplopen van een blessure tot het eigen risico van [eiser] behoorde. [gedaagde] heeft gesteld dat hij achter [eiser] stond, dat [eiser] de bal doorspeelde en dat [gedaagde] toen achter [eiser] langs rende omdat hij meende eerder bij de bal te kunnen zijn dan een ander. [gedaagde] heeft gesteld dat hij [eiser] niet heeft geraakt. Hij is rechts en heeft dus, toen hij [eiser] aan diens rechterzijde passeerde, hem niet met opzet, dat wil zeggen met de rechtervoet, een trap kunnen geven. [gedaagde] heeft verder betwist dat het spel zich aan de andere kant van het veld zou afspelen. Hij rende juist naar de bal toe omdat hij meende die eerder te kunnen halen dan een speler van de tegenstander dat zou kunnen.

4.3. Voor de beoordeling is allereerst van belang dat het arrest van het hof door de verwerping van het daartegen gerichte cassatieberoep in kracht van gewijsde is gegaan. Artikel 161 Rv brengt dus mee dat de bewezenverklaring door het hof dwingend bewijs oplevert van de bewezenverklaarde feiten. Op grond van artikel 151 lid 2 Rv staat daartegen tegenbewijs open.

4.4. Voor toelating tot nadere bewijslevering, waaronder tegenbewijs, is slechts ruimte indien de gestelde feiten mede in het licht van het aanwezige bewijsmateriaal voldoende gemotiveerd zijn betwist (zie HR 14 november 2003, NJ 2005, 269). [gedaagde] had dus de stelling van [eiser] dat [gedaagde] hem van achteren tegen het been heeft getrapt, gemotiveerd dienen te betwisten in het licht van de door de verschillende getuigen ten overstaan van de politie afgelegde verklaringen en met name ook in het licht van zijn eigen verklaring tegenover de politie. [gedaagde] heeft in deze civiele procedure niet aangevoerd dat zijn verklaring tegenover de politie niet klopt. In die verklaring heeft [gedaagde] in zeer vage bewoordingen te kennen gegeven dat hij niet heeft gemerkt dat hij [eiser] heeft geraakt. Hij heeft daarnaast ook te kennen gegeven dat hij achter [eiser] langs is gerend, dat hij in zo’n situatie alleen nog maar de bal ziet. Hij heeft verder verklaard dat hij na de wedstrijd van anderen heeft gehoord dat hij [eiser] had geraakt. [gedaagde] heeft in wezen niet gesteld dat de waarneming van alle andere getuigen, die zonder uitzondering hebben verklaard dat [gedaagde] tegen [eiser] is aangelopen, onjuist is, maar slechts dat hij zelf de botsing niet heeft gemerkt. [gedaagde] heeft niet gesteld dat er getuigen zouden zijn die hebben waargenomen dat hij [eiser] niet heeft geraakt. Dat [gedaagde] nu, bij conclusie van antwoord, iets stelliger aanvoert dat hij [eiser] niet heeft geraakt, is gezien dit alles geen voldoende gemotiveerde betwisting van de stelling van [eiser] dat [gedaagde] hem van achteren tegen het been heeft geraakt. [gedaagde]s stelling dat hij rechts is en dus, [eiser] aan diens rechterzijde passerend, niet met opzet heeft kunnen trappen is daartoe eveneens onvoldoende. Niet valt in te zien waarom het feit dat [gedaagde] rechts is zou impliceren dat hij [eiser] niet met links heeft kunnen raken. Ook gaat de rechtbank voorbij aan de stelling van [gedaagde] dat [eiser] geen verwonding had aan de huid, zodat de meest voor de hand liggen verklaring van het letsel een misstap of stijfheid is. [eiser] heeft immers onbetwist gesteld dat hij scheenbescherming droeg met daarover een kussentje en een sok. Het is voorts volstrekt onaannemelijk dat [eiser], juist op het moment dat [gedaagde] hem van achter passeerde, spontaan of door een misstap een achillespeesruptuur zou oplopen.

4.5. [gedaagde] heeft subsidiair aangevoerd dat sprake was van een sport- en spelsituatie en dat – kort gezegd –zijn handelen in de situatie waarin dat plaatsvond niet onrechtmatig was.

4.6. De vraag of een deelnemer aan een sport- of spelsituatie onrechtmatig heeft gehandeld door een gedraging als gevolg waarvan aan een andere deelnemer letsel is toegebracht, moet minder spoedig bevestigend worden beantwoord dan het geval zou zijn geweest wanneer die gedraging niet in een sport- of spelsituatie zou hebben plaatsgevonden. De reden daarvan is dat de deelnemers aan die sport of dat spel in redelijkheid tot op zekere hoogte gevaarlijke, slecht gecoördineerde, verkeerd getimede of onvoldoende doordachte handelingen of gedragingen waartoe de activiteit uitlokt of die daarin besloten liggen, van elkaar moeten verwachten.

4.7. Uit het arrest van het hof blijkt dat het hof van oordeel was dat [gedaagde] tijdens een voetbalwedstrijd in botsing is gekomen met [eiser] zonder dat de bal in de buurt was. Het hof heeft verder geoordeeld dat er speltechnisch geen enkele aanleiding voor het voorval was. [gedaagde] heeft betwist dat de bal niet in de buurt was. Hij heeft er in dat kader bij conclusie van antwoord op gewezen dat de vraag of de bal in de buurt van [eiser] was door de onderscheiden getuigen zeer verschillend wordt uitgelegd. Ter comparitie heeft hij verklaard dat het volgens hem zo is gegaan dat [eiser] de bal doorspeelde en dat hij achter [eiser] langs liep, kennelijk, zo leidt de rechtbank mede uit het gestelde onder 4 bij conclusie van antwoord af, om te trachten vóór een andere speler de bal te bereiken. Verder heeft [gedaagde] aangevoerd dat elk spelmoment in een voetbalwedstrijd voor iedere speler een spelsituatie inhoudt omdat hij in zijn specifieke positie moet anticiperen en reageren op mogelijkheden om aangespeeld te worden. Het behoort tot de spelsituatie dat een voetballer zich begeeft naar een positie waar hij de bal alsnog kan bemachtigen of waarin hij aangespeeld kan worden.

4.8. De rechtbank is met [gedaagde] van oordeel dat ook in een situatie waarin de bal niet direct in de buurt is sprake kan zijn van een spelsituatie waarin een verhoogde drempel voor aansprakelijkheid geldt. Aan de andere kant kan ook in een situatie waarin de bal (nog) wel in de buurt is sprake zijn van een gedraging die als onrechtmatig moet worden aangemerkt. Het is voor de beoordeling van de aansprakelijkheid dus niet per definitie doorslaggevend, hoewel wel degelijk relevant, of de bal nu al dan niet ‘in de buurt’ was. De vraag is veeleer of sprake was van een situatie waarin beide betrokken spelers op de bal aan het spelen waren en waarin het spel tot een ingrijpen van [gedaagde] uitnodigde (zie HR 28 juni 1991, NJ 1992, 622). Als geen van beide spelers op de bal aan het spelen zijn, behoeven zij in mindere mate van elkaar gevaarlijke, slecht gecoördineerde, verkeerd getimede of onvoldoende doordachte handelingen te verwachten, dan wanneer zij in een duel om de bal zijn verwikkeld. De vraag is dan ook of de actie van [gedaagde] zodanig was dat deze buiten het normale risico valt dat men in een voetbalwedstrijd loopt, met andere woorden, of sprake was van een abnormaal gevaarlijke gedraging.

4.9. Naar het oordeel van de rechtbank volgt ook uit de toedracht zoals [gedaagde] die heeft gesteld, dat sprake was van een actie die dermate gevaarlijk was, dat [eiser] die in die situatie niet meer behoefde te verwachten. Ook volgens [gedaagde] was hij immers niet met [eiser] in een direct gevecht om de bal gewikkeld, maar had [eiser] de bal al weggespeeld en was deze buiten het directe bereik van beide spelers. Dat [gedaagde] in die situatie na het wegspelen van de bal [eiser] van achteren heeft omvergelopen is niet alleen een overtreding van de spelregels, maar ook een gedraging die buiten het normale risico van een voetbalwedstrijd valt, óók buiten het normale risico van een wedstrijd op relatief laag amateurniveau. Daarmee is die gedraging onrechtmatig.

4.10. [gedaagde] heeft nog aangevoerd dat [eiser] het risico van blessures heeft aanvaard, door als trainer van militairen in een laag amateurelftal te spelen. Nu het huidige recht ‘risico-aanvaarding’ niet als afzonderlijke rechtsfiguur erkent (zie HR 28 juni 1991, NJ 1992, 622), moet worden aangenomen dat [gedaagde] met deze stelling niet alleen nader beoogt te onderbouwen dat zijn handelen niet onrechtmatig is geweest, maar ook beoogt aan te voeren dat het letsel van [eiser] mede het gevolg is van een omstandigheid die aan hem kan worden toegerekend in de zin van artikel 6:101 BW, te weten zijn keuze om op een relatief laag niveau te voetballen. In dit laatste wordt [gedaagde] niet gevolgd. Uit het oordeel dat [eiser] het handelen van [gedaagde] niet behoefde te verwachten, volgt eveneens dat de omstandigheid dat [eiser] er zelf voor heeft gekozen op een relatief laag niveau te spelen, niet tot vermindering van de vergoedingsplicht van [gedaagde] kan leiden.

4.11. Over de schade wordt als volgt overwogen. [eiser] heeft een schadestaat in het geding gebracht (productie 14), ter hoogte van, in totaal, € 8.638,90. Uit het arrest van het hof blijkt dat alle schadeposten genoemd onder het kopje ‘diversen’, met uitzondering van de contributie van de voetbalvereniging en de kosten voor de sportschool, door het hof reeds zijn toegewezen. Voor wat betreft die toegewezen posten beschikt [eiser] dus over een executoriale titel, die inmiddels in kracht van gewijsde is gegaan. Daarop stuit zijn vordering voor wat betreft die posten af.

4.12. Indien iemand uitgaven heeft gedaan ter verkrijging van een op zichzelf niet op geld waardeerbaar onstoffelijk voordeel en hij dit voordeel heeft moeten missen, zal met het oog op het begroten van de door hem geleden schade - die als vermogensschade moet worden aangemerkt - als uitgangspunt hebben te gelden dat de waarde van het gemiste voordeel moet worden gesteld op de voor het verkrijgen daarvan gedane uitgaven die hun doel hebben moeten missen (zie HR 28 januari 2005, NJ 2008, 55). De contributie voor de voetbalvereniging voor het voetbalseizoen 2005-2006 ad € 110,= is op die grond toewijsbaar. Dat [eiser] die contributie heeft moeten betalen is door [gedaagde] niet betwist. Aangezien [eiser] op 4 september 2005, dus aan het begin van het voetbalseizoen, geblesseerd is geraakt, is – gezien de aard van de blessure - voldoende aannemelijk dat dat seizoen voor hem zo niet geheel, dan toch voor een groot deel verloren is gegaan.

4.13. [eiser] vordert daarnaast een bedrag van € 570,= voor kosten van de sportschool tot en met maart 2007. De contributie aan de sportschool bedraagt € 30,= per maand, zodat het gevorderde bedrag kennelijk ziet op de contributie gedurende de periode september 2005 tot en met maart 2007. Gezien de aard van het letsel is aannemelijk dat [eiser] in de periode na 4 september 2005 niet kon sporten, zodat de kosten die hij voor de sportschool moest maken hun doel hebben gemist. Het valt echter niet in te zien dat [eiser] niet eerder zijn abonnement had kunnen opzeggen of had kunnen terugbrengen tot een abonnement voor een geringere frequentie dan drie keer per week. Dat [eiser] dat niet op tijd door had, zoals hij ter comparitie heeft verklaard, is een omstandigheid die aan hem kan worden toegerekend in de zin van artikel 6:101 BW. De rechtbank stelt schattenderwijs vast dat van [eiser] kon worden gevergd binnen vier maanden nadat hij geblesseerd was geraakt zijn abonnement aan te passen. Terzake van deze vordering is dus een bedrag van € 120,= toewijsbaar.

4.14. [eiser] heeft verder een bedrag van € 285,60 aan reiskosten gevorderd. Het hof heeft terzake van reiskosten reeds een bedrag van € 164,01 toegewezen, zodat terzake van reiskosten in ieder geval niet meer dan (€ 285,60 - € 164,01 = ) € 121,59 kan worden toegewezen. [gedaagde] heeft deze kosten slechts in algemene zin betwist met de stelling dat [eiser] heeft nagelaten aan te geven welke posten na de zitting van het hof zijn opgekomen. Die algemene betwisting is onvoldoende gemotiveerd, te meer daar ook [gedaagde] zelf de bij dagvaarding overgelegde schadestaat had kunnen vergelijken met de in de strafzaak overgelegde schadestaat. De meerdere reiskosten ten bedrage van € 121,59 zijn daarom als onvoldoende gemotiveerd betwist toewijsbaar.

4.15. [eiser] heeft verder een bedrag van € 1.823,30 aan advocaatkosten (‘buitengerechtelijke incassokosten’)gevorderd. De grondslag van deze vordering is, naar de rechtbank aanneemt, artikel 6:96 lid 2 sub b en c BW. Hij heeft ter onderbouwing van zijn vordering verwezen naar de declaraties met urenspecificaties van zijn advocaat, gedateerd 1 november 2005, 6 december 2005, 6 februari 2006, 3 juli 2006, 2 november 2006 en 2 maart 2006. Uitgangspunt bij de beoordeling van deze vordering is dat terzake van verrichtingen waarvoor de in de artikelen 237 tot en met 240 Rv bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten, zoals die ter voorbereiding van gedingstukken en ter instructie van de zaak, geen vergoeding op grond van artikel 6:96 lid 2 BW kan worden toegekend (zie artikel 241 Rv). Daarop stuiten de kosten gedeclareerd op 2 november 2006 en daarna al af, omdat die declaraties zien op het concipiëren van de dagvaarding. Blijkens de urenspecificaties zien de declaraties van 6 februari 2006 en 3 juli 2006 op het voorbereiden en bijwonen van respectievelijk de zitting van de politierechter en de zitting van het hof. Terzake van de proceskosten van [eiser] als benadeelde partij heeft het hof [gedaagde] veroordeeld tot betaling van € 582,76. Dat betekent dat de proceskosten van [eiser] in de strafzaak reeds zijn geliquideerd. Daarop stuit ook de vordering ten aanzien van de declaraties van 6 februari 2006 en 3 juli 2006 reeds af. Overigens zijn bij de declaratie van 6 februari 2006 verschotten inbegrepen terzake van het opvragen van medische informatie, die door het hof al als afzonderlijke schadepost aan [eiser] zijn toegewezen. Dan blijven over de declaraties van 1 november 2005 en 6 december 2005. Die zien voornamelijk op overleg met cliënt, bestudering stukken en het schrijven van enkele korte brieven. Hieruit is niet gebleken dat sprake is van schikkingsonderhandelingen van enige omvang. De omschrijving duidt erop dat sprake is van kosten ter instructie van de zaak, die dus onder de proceskostenveroordeling(en) vallen. Daarop stuit ook de vordering ter zake van deze facturen af.

4.16. Dan het smartengeld. [gedaagde] heeft gesteld dat [eiser] niet ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering tot betaling van immateriële schadevergoeding, omdat het hof in de strafzaak daarover reeds heeft beslist. Daarin wordt [gedaagde] niet gevolgd. Het hof heeft [gedaagde] veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding ter hoogte van

€ 905,01 en [eiser] voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering, omdat deze voor het overige niet van zo eenvoudige aard was dat deze zich leende voor behandeling in het strafgeding. Het hof heeft de vordering van [eiser] voor het overige dus niet afgewezen. Daaruit volgt dat het hof niet heeft beslist over de vordering tot vergoeding van immateriële schade, voorzover die het bedrag van € 500,= te boven ging, zodat niets eraan in de weg staat dat [eiser] die vordering thans bij de burgerlijke rechter instelt. Of de toewijzing van € 500,= aan immateriële schade heeft plaatsgevonden als voorschot, doet in dat kader niet terzake.

4.17. Bij de begroting van het smartengeld moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, waarbij met name gedacht kan worden aan de aard en ernst van het letsel, de gevolgen daarvan voor betrokkene en de aard van de aansprakelijkheid. Ook dient te worden gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Voor de onderhavige zaak leidt dat tot het volgende. Vast staat dat sprake is geweest van een ruptuur van de achillespees rechts, waarvoor [eiser] een maal operatief is behandeld. [eiser] heeft daardoor een half jaar niet gewerkt en daarna een half jaar op therapeutische basis gewerkt. Vast staat verder dat er uitval van de gevoelszenuw is geweest (nervus suralis) en dat [eiser] gedurende ruim een jaar fysiotherapie heeft gehad. Uit de brief d.d. 22 november 2007 van [XXX], sportfysiotherapeut, blijkt dat de stabiliteit, kracht en locale en totale conditie in het been gedurende de behandeling toenamen tot licht tot middelzwaar ADL-niveau en dat na mobilisatie de klachten ten gevolge van een blokkade in het enkelgewricht afnamen en de functie ervan toenam. Verder blijkt uit de rapportage d.d. 13 juni 2007 van een onderzoek van [XXX], huisarts, op verzoek van Hienfeld Assuradeuren dat sprake is van enige blijvende beperkingen bij [eiser], te weten beperkingen bij voetheffen, bij plotselinge bewegingen en hardlopen en pijnklachten bij langere tijd lopen. Er is een blijvende gevoelsstoornis aan de onderzijde van de voet, ter plaatse van de nervus suralis.

Er is dus sprake sprake van letsel toegebracht op het voetbalveld, dat voor [eiser] grote gevolgen heeft gehad. Hij is geopereerd, heeft geruime tijd niet kunnen werken, mede gezien het feit dat zijn werk fysieke inspanningen van hem eiste, heeft langere tijd fysiotherapie moeten ondergaan en heeft enige blijvende resterende functiebeperkingen. Lettende op hetgeen door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen is toegewezen, acht de rechtbank een bedrag van € 3.000,= als immateriële schadevergoeding passend. Nu door het hof in de strafzaak reeds € 500,= is toegewezen, is in dit geding dus nog

€ 2.500,= toewijsbaar.

4.18. [gedaagde]s betoog dat de vordering tot betaling van smartengeld moet worden afgewezen omdat uit de brief van Hienfeld Assuradeuren van 24 augustus 2007 blijkt dat er ofwel geen sprake is van invaliditeit ofwel dat de ongevallenverzekering daarvoor reeds uitkering geeft, wordt gepasseerd. De vraag of sprake is van invaliditeit in de zin van de polis van een ongevallenverzekering is een andere dan de vraag of sprake is van lichamelijk letsel in de zin van artikel 6:106 lid 1 sub b BW, dat recht geeft op smartengeld. De rechtbank ziet verder geen reden voor verrekening van een uitkering uit de ongevallenverzekering – nog daargelaten dat uit de brief van Hienfeld Assuradeuren blijkt dat vooralsnog geen uitkering wordt verstrekt – op de voet van artikel 6:100 BW. De ongevallenverzekering betreft een sommenverzekering. Niet valt in te zien waarom het redelijk zou zijn dat het voordeel uit de sommenverzekering door verrekening aan [gedaagde] zou toekomen in plaats van aan [eiser].

4.19. Uit het voorgaande volgt dat een schadevergoeding terzake van € 2.851,59 toewijsbaar is. De gevorderde wettelijke rente daarover is niet betwist en zal worden toegewezen.

4.20. De vordering van [eiser] dat de rechtbank [gedaagde] zal veroordelen tot het cederen van zijn vordering op de aansprakelijkheidsverzekeraars aan [eiser] en tot betaling van de proceskosten voor een procedure tegen die verzekeraars, dan wel zal veroordelen tot het instellen van een vordering op die verzekeraars in overleg met [eiser], alles op straffe van een dwangsom, zal worden afgewezen. [eiser] heeft niet gesteld op welke juridische grondslag die vorderingen toewijsbaar zouden zijn. Een grondslag daarvoor dringt zich evenmin direct op. Daarop stuit die vordering af.

4.21. Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij zal [gedaagde] in de proceskosten worden veroordeeld. Deze worden begroot op € 300,00 wegens vast recht, € 84,31 voor de kosten van dagvaarding, en € 1.152,= (3 punten x tarief I) wegens salaris procureur, in totaal dus op € 1.536,31. De gevorderde nakosten zijn niet betwist en zullen worden toegewezen conform het liquidatietarief rechtbanken en hoven.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 2.851,59 (tweeduizendachthonderdeenenvijftig euro en negenenvijftig cent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6: 119 BW over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf 4 september 2005 tot de dag van volledige betaling,

5.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.536,31, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3. veroordeelt [gedaagde] tevens in de nakosten, aan de zijde van [eiser] bepaald op

€ 131,00 voor (na)salaris procureur, te vermeerderen, voor het geval betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden en nodig is geweest, met € 68,- voor (na)salaris procureur en de werkelijk gemaakte kosten voor het doen uitbrengen van een exploot van betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.E.B. ter Heide en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2008.