Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BD1764

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
18-04-2008
Datum publicatie
16-05-2008
Zaaknummer
165719
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Gedaagde is gehouden om uitvoering te geven aan de in rechte vastgestelde verdeling.

Machtiging tot tegeldemaking van een gemeenschapsgoed kan worden verleend ter voldoening van een gemeenschapsschuld en om een andere gewichtige reden (artikel 3:174 BW). Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan de voldoening van de overbedelingsvordering gelden als een andere gewichtige reden als hier bedoeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 165719 / KG ZA 08-49

Vonnis in kort geding van 18 april 2008

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

procureur mr. M.J. Germs,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur mr. B.J. Driessen.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de brief van 7 april 2008 van mr. Germs aan de voorzieningenrechter.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Partijen zijn met elkaar in gemeenschap van goederen gehuwd geweest.

Hun huwelijk is op 5 juli 2007 ontbonden door inschrijving op die datum in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Nijmegen van de echtscheidingsbeschikking van 24 mei 2007 van de rechtbank Arnhem.

2.2. Bij kort gedingvonnis van 6 november 2006 heeft de voorzieningenrechter te Arnhem [gedaagde] veroordeeld om binnen veertien dagen na betekening van dat vonnis een bedrag van € 20.000,00 aan [eiseres] te betalen als voorschot op de boedelverdeling.

Het vonnis is op 7 november 2006 aan [gedaagde] betekend. [gedaagde] heeft tot op heden het voorschot van € 20.000,00 niet betaald.

2.3. De rechtbank Arnhem heeft bij beschikking van 25 oktober 2007 de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap vastgesteld zoals neergelegd in de aan de beschikking gehechte verdelingsstaat. Het daarin vastgestelde bedrag aan achterstallige leasetermijnen

- met betrekking tot een door [gedaagde] geleasde en aan [eiseres] ter beschikking gestelde auto – dient gecorrigeerd te worden voor de periode tot en met de maand september 2007

en bedraagt per die datum € 11.073,11. Voorts heeft de rechtbank bij die beschikking bepaald dat [gedaagde] wegens overbedeling aan [eiseres] een bedrag dient te betalen van

€ 125.106,89.

2.4. In de hiervoor genoemde verdelingsstaat is de voormalige echtelijke woning aan de [adres] gewaardeerd op € 490.000,00 en toegedeeld aan [gedaagde], onder de verplichting om de hypothecaire lening van de ING Bank voor eigen rekening te nemen. Voorts zijn in de verdelingsstaat onder meer een bedrijfshal en grond toegedeeld aan [gedaagde].

2.5. Bij brief van 12 november 2007 van haar raadsman heeft [eiseres] (de raadsman van) [gedaagde] verzocht om per omgaande mee te werken aan de effectuering van de verdeling die door de rechtbank is bepaald en om uiterlijk op 12 december 2007 de vergoeding wegens overbedeling te voldoen. [gedaagde] heeft tot op heden zijn medewerking aan de effectuering van de verdeling niet gegeven en evenmin de vergoeding wegens overbedeling voldaan.

2.6. [gedaagde] heeft de voormalige echtelijke woning, tezamen met een daarbij gelegen bedrijfshal en grond sinds november 2007 te koop staan voor een totale vraagprijs van

€ 695.000,00.

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis waarbij [gedaagde] in de proceskosten worden veroordeeld,

primair

1. [gedaagde] te veroordelen om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis mee te werken aan de levering van de voormalige echtelijke woning, staande en gelegen te [adres], aan hem tegen betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 125.106,89;

2. [gedaagde] te veroordelen om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis er voor zorg te dragen dat [eiseres] wordt ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid jegens de ING Bank, dan wel om de hypotheekschuld bij deze bank af te lossen, met toezending van de daarop betrekking hebbende justificatoire bescheiden, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag of een gedeelte van een dag dat [gedaagde] daarmee in gebreke blijft;

3. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over het uit hoofde van het vonnis van 6 november 2006 in kort geding door [gedaagde] verschuldigde voorschot op de boedelverdeling van € 20.000,00 met ingang van 21 november 2006 tot aan de dag der algehele voldoening;

4. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over de uit hoofde van de beschikking van 25 oktober 2007 van de rechtbank Arnhem door [gedaagde] aan [eiseres] verschuldigde vergoeding wegens overbedeling van

€ 125.106,89 vanaf 12 december 2007 tot aan de dag der algehele voldoening;

althans subsidiair, indien [gedaagde] niet binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis geheel of gedeeltelijk aan de onder punt 1. en 2. genoemde veroordelingen voldoet,

5. [eiseres] te machtigen om de woning in onbewoonde en onbezwaarde staat mede namens [gedaagde] te verkopen en te leveren, met bepaling dat dit vonnis dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte tot verkoop en levering van de woning, althans op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 per dag of een gedeelte daarvan dat [gedaagde] geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft daaraan zijn onvoorwaardelijke medewerking te verlenen, met bepaling dat [eiseres] gerechtigd zal zijn tot de helft van de verkoopopbrengst van deze woning, na inlossing van de daarop rustende hypotheek en aftrek van de aan de verkoop verbonden kosten en lasten, voor zover deze opbrengst een bedrag van € 490.000,00 te boven gaat;

geheel subsidiair

6. een zodanige beslissing te nemen als de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent dat behoort.

3.2. [eiseres] legt aan de vorderingen ten grondslag dat [gedaagde] in verzuim is met betrekking tot de betaling van het voorschot van € 20.000,00 op de boedelverdeling en de uitvoering van de vastgestelde verdeling. [eiseres] stelt een spoedeisend belang te hebben bij de effectuering van de verdeling. Zij voert daarvoor aan dat zij dringend op zoek is naar eigen woonruimte en dat zij op korte termijn een belastingschuld moet voldoen. [eiseres] stelt hiervoor het bedrag nodig te hebben waarop zij wegens overbedeling van [gedaagde] recht heeft.

3.3. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Het spoedeisend belang bij de vorderingen blijkt voldoende uit de stellingen van [eiseres].

4.2. [gedaagde] betwist niet dat hij uitvoering dient te geven aan de verdeling die bij beschikking van 25 oktober 2007 van de rechtbank is vastgesteld en evenmin dat hij al uitvoering had moeten geven aan de veroordeling bij kort gedingvonnis van 6 november 2006 om bij wijze van voorschot op de boedelverdeling € 20.000,00 te betalen aan [eiseres]. In de kern voert [gedaagde] als verweer dat hij daarvoor niet de financiële middelen heeft, maar dat hij die - via zijn familie - over vier weken wel kan hebben, althans een bedrag van € 120.000,00. Volgens [gedaagde] is dat voldoende omdat hij nog een aantal leasetermijnen heeft te verrekenen met [eiseres] en omdat de waarde van de caravan nog verdeeld moet worden.

4.3. [gedaagde] is gehouden om uitvoering te geven aan de in rechte vastgestelde verdeling. De verdelingsbeschikking is op 7 november 2007 aan hem betekend en hij is vervolgens bij brief van 12 november 2007 gesommeerd tot het verlenen van medewerking en tot betaling van de overbedelingsvordering op uiterlijk 12 december 2007. Dit betekent dat de vordering onder 1. zal worden toegewezen, met dien verstande dat deze zal worden beperkt tot het aandeel van [eiseres] in de voormalige echtelijke woning. Het beroep dat [gedaagde] doet op verrekening van de overbedelingsvordering met leasetermijnen en de helft van de waarde van de caravan, wordt op grond van artikel 6:136 BW gepasseerd.

Tussen partijen is niet in geschil dat de leasetermijnen verrekend moeten worden en dat de caravan in de verdeling betrokken moet worden. Zij zijn het echter niet eens over de bedragen (leasetermijnen) en de wijze waarop (caravan). Daarmee heeft [gedaagde] die vorderingen onvoldoende geconcretiseerd om de gegrondheid ervan in dit kort geding op eenvoudige wijze te kunnen vaststellen. Wel zal de gevorderde termijn van veertien dagen worden verlengd tot vier weken na betekening van dit vonnis.

4.4. Ook de vordering sub 2. zal op grond van het hiervoor overwogene worden toegewezen. De voorzieningenrechter acht het, anders dan [gedaagde] stelt, genoegzaam aannemelijk dat de verdeling ook inhoudt dat [eiseres] ontslagen wordt uit de hoofdelijke aansprakelijk jegens de ING Bank. De woning is immers aan [gedaagde] toegedeeld voor een waarde waarvan op de verdelingsstaat de restant-hypotheekschuld aan de ING Bank is afgetrokken omdat [gedaagde] die schuld voor eigen rekening dient te gaan voldoen. In verband met het hiervoor ten aanzien van de vordering sub 1. overwogene zal ook hier de gevorderde termijn van veertien dagen worden verlengd tot vier weken.

De dwangsom zal worden beperkt als hierna vermeld.

4.5. Op grond van het kort gedingvonnis van 6 november 2006 is [gedaagde] verplicht om binnen veertien dagen na betekening van dat vonnis € 20.000,00 aan [eiseres] te betalen als voorschot op de boedelverdeling. Omdat het vonnis op 7 november 2006 aan [gedaagde] is betekend en hij niet heeft betaald, is hij vanaf 21 november 2006 in verzuim. Dit betekent dat [eiseres] vanaf die datum tot aan de dag dat het voorschot aan haar is voldaan, recht heeft op wettelijke rente bij wijze van schadevergoeding (art. 6:119 BW). Op grond daarvan zal de vordering sub 3. worden toegewezen. De voorzieningenrechter volgt [gedaagde] dan ook niet in diens betoog dat de vordering sub 3., evenals de vordering onder 4. tot vergoeding van wettelijke rente over de overbedelingsvordering, niet in kort geding kan worden toegewezen.

4.6. Ook de vordering sub 4, tot vergoeding van wettelijke rente over de overbedelingsvordering, zal worden toegewezen. [eiseres] heeft [gedaagde] bij brief

van 12 november 2007 gesommeerd tot voldoening van de overbedelingsvordering die de rechtbank bij beschikking van 25 oktober 2007 heeft vastgesteld. Dit betekent dat [gedaagde]

vanaf 12 december 2007 in verzuim is nu hij de overbedelingsvordering nog niet heeft voldaan.

4.7. Onder 5. vordert [eiseres] - kort gezegd - machtiging om de woning mede namens [gedaagde] te mogen verkopen en leveren als [gedaagde] geen uitvoering geeft aan de veroordelingen die [eiseres] onder 1. en 2. heeft gevorderd. Weliswaar staat er in de dagvaarding boven de vordering sub 5. “SUBSIDIAIR”, maar gelet op de overige tekst boven de vordering sub 5., mede in het licht van de rest van de dagvaarding, begrijpt de voorzieningenrechter de vordering sub 5. aldus dat [eiseres] de machtiging vordert ter aanvulling van de vorderingen onder 1. en 2. De vordering onder 5. zal daarom hierna worden behandeld, ook al worden de vorderingen sub 1. en 2. toegewezen.

4.8. Machtiging tot tegeldemaking van een gemeenschapsgoed kan worden verleend ter voldoening van een gemeenschapsschuld en om een andere gewichtige reden (artikel 3:174 BW). Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan de voldoening van de overbedelingsvordering gelden als een andere gewichtige reden als hier bedoeld. Er is daarom grond voor het verlenen van de gevraagde machtiging. [eiseres] heeft daar inmiddels ook voldoende belang bij. Immers [gedaagde] kan vooralsnog de overbedelings-schuld aan [eiseres] niet betalen. Om die reden heeft hij de woning, de bedrijfshal en grond gezamenlijk te koop gezet, maar ook omdat hij hoopt dat hij door de gezamenlijke verkoop van die onroerende zaken genoeg opbrengst verkrijgt om, na betaling van de overbedelings-schuld aan [eiseres], elders een doorstart te kunnen maken met zijn bedrijf.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter weegt het belang van [eiseres] bij betaling van de overbedelingsvordering, in ieder geval inmiddels, zwaarder dan [gedaagde]s belang om te proberen ook kapitaal voor zijn bedrijf te vergaren. Dit geldt te meer omdat [gedaagde] ter zitting heeft verklaard dat er nog geen enkele bieding is gedaan. De machtiging zal worden verleend voor het geval dat [gedaagde] niet binnen de vastgestelde termijn heeft voldaan aan het hierna bepaalde sub 5.1. Daarbij zal worden bepaald dat [gedaagde] geen verdere dwangsom als op te leggen met betrekking tot de vordering onder 2. zal verbeuren als [eiseres] gebruik maakt van deze machtiging. Omdat in dat geval geen uitvoering wordt gegeven aan de vastgestelde verdeling, heeft ieder van partijen, als gerechtigde tot de onverdeelde helft van de woning, recht op de helft van de verkoopopbrengst ervan, nadat uit de verkoopopbrengst de hypothecaire lening is afgelost en de aan de verkoop verbonden kosten en lasten zijn voldaan, voor zover die verkoopopbrengst een bedrag van € 490.000,00 te boven gaat, zoals [eiseres] vordert. Voor de bepaling dat dit vonnis dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte, is geen grond, nu [eiseres], wanneer zij gebruik maakt van de machtiging, de woning mede namens [gedaagde] kan verkopen en leveren (vgl. artikel 3:300 lid 1 BW). Om die reden is er ook geen grond voor de versterking van de te verlenen machtiging met een dwangsom.

4.9. De vordering sub 6, die wel als subsidiair heeft te gelden, behoeft in verband met de toe te wijzen vorderingen geen behandeling.

4.10. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. veroordeelt [gedaagde] om binnen vier weken na betekening van dit vonnis mee te werken aan de levering van het aandeel van [eiseres] in de voormalige echtelijke woning, staande en gelegen te [adres], aan [gedaagde] tegen betaling door de laatste aan [eiseres] van een bedrag van € 125.106,89;

5.2. veroordeelt [gedaagde] om binnen vier weken na betekening van dit vonnis er voor zorg te dragen dat [eiseres] wordt ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid jegens de ING Bank, dan wel om de hypotheekschuld bij deze bank af te lossen, met toezending van de daarop betrekking hebbende justificatoire bescheiden;

5.3. bepaalt dat [gedaagde] voor iedere dag dat hij in strijd handelt met het onder 5.2. bepaalde, aan [eiseres] een dwangsom verbeurt van € 250,00 per dag, tot een maximum van € 10.000,00;

5.4. machtigt [eiseres] om de woning in onbewoonde en onbezwaarde staat mede namens de man te verkopen en te leveren indien hij geen uitvoering geeft aan de veroordelingen onder 5.1. bepaalt daarbij dat [eiseres] gerechtigd zal zijn tot de helft van de verkoopopbrengst van deze woning, na aflossing daaruit van de lening tot zekerheid waarvan hypotheek op de woning is gevestigd en na betaling uit de verkoopopbrengst van de kosten en lasten die verband houden met de verkoop van de woning voor zover deze opbrengst een bedrag van € 490.000,00 te boven gaat, en bepaalt daarbij dat indien [eiseres] gebruik maakt van deze machtiging, [gedaagde] vanaf dan geen verdere dwangsom als opgelegd onder 5.3. aan [eiseres] verschuldigd zal zijn.

5.5. veroordeelt [gedaagde] aan [eiseres] te betalen de wettelijke rente over het uit hoofde van het vonnis in kort geding van 6 november 2006 door [gedaagde] aan [eiseres] verschuldigde voorschot op de boedelverdeling van € 20.000,00 met ingang van 21 november 2006 tot aan de dag der algehele voldoening;

5.6. veroordeelt [gedaagde] aan [eiseres] te betalen de wettelijke rente over de uit hoofde van de beschikking van de rechtbank Arnhem van 25 oktober 2007 door [gedaagde] aan [eiseres] verschuldigde vergoeding wegens overbedeling van € 125.106,89 vanaf 12 december 2007 tot aan de dag der algehele voldoening;

5.7. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.8. wijst het meer of anders gevorderde af;

5.9. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Blaisse en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.J. Daggenvoorde op 18 april 2008.