Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BD1063

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
18-04-2008
Datum publicatie
07-05-2008
Zaaknummer
411744 CV Expl. 05-5957
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidsovereenkomst. Aanbesteding. Art. 50 CAO voor het schoonmaak- en glazenwassersbedrijf. Het schoonmaakbedrijf dat bij een contractswisseling ten gevolge van heraanbesteding een project verwerft, is verplicht de werknemers van het bedrijf dat het project verliest een arbeidsovereenkomst aan te bieden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAAN 2008/37
AR-Updates.nl 2008-0310
Prg. 2008, 101

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector kanton

Locatie Nijmegen

zaakgegevens 411744 \ CV EXPL 05-5957 \ 282fh

uitspraak van 18 april 2008

Vonnis

in de zaak van

[werkneemster]

wonende te Nijmegen

eisende partij in conventie

verwerende partij in reconventie

gemachtigde mr. J. van Delft

toevoeging [nummer]

tegen

de besloten vennootschap A.M.C. Armo Multi Cleaning B.V.

gevestigd te Wijchen

gedaagde partij in conventie

eisende partij in reconventie

gemachtigde mr. G.W.J.M. van Mierlo

Partijen worden hierna [werkneemster] en [werkgeefster] genoemd.

Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het griffie-exemplaar van het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter van 23 maart 2007 en de daarin genoemde gedingstukken;

- de akte uitlating van [werkneemster];

- het proces-verbaal van enquête aan de kant van eisende partij ter zitting van 5 juni 2007;

- het proces-verbaal van getuigenverhoor in enquête en contra-enquête, gedaagde partij, ter zitting van 21 augustus 2007;

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van voortzetting enquête aan de kant van eisende partij en voortzetting contra-enquête aan de kant van gedaagde partij ter zitting van 16 oktober 2007;

- de konklusie na enquête en kontra-enquête van [werkneemster], met producties;

- de antwoordconclusie na enquête en contra-enquête van [werkgeefster].

De verdere beoordeling van het geschil in conventie en in reconventie

1. De kantonrechter neemt hier over hetgeen in het tussenvonnis van 23 maart 2007 is overwogen en beslist en blijft daarbij.

2. Bij dat vonnis is [werkneemster] toegelaten te bewijzen dat zij slechts op grond van het argument dat zij anders ontslagen zou worden heeft getekend en zich de volle 20 uur beschikbaar heeft gehouden, als bedoeld in rechtsoverweging 4.4 van dat vonnis.

3. Vervolgens is [werkgeefster] toegelaten te bewijzen dat voor de periode na 25 februari 2005 [werkneemster] akkoord ging met een contract voor onbepaalde tijd van 14,5 uur per week, als bedoeld in rechtsoverweging 4.5 van genoemd vonnis.

4. [werkneemster] heeft zichzelf als partij-getuige doen horen en een collega die evenals zij voorheen bij VSP werkte en mee overgegaan is naar [werkgeefster], [getuige Y], als getuige.

5. Naar het oordeel van de kantonrechter is [werkneemster] niet geslaagd in het haar opgedragen bewijs. De getuige [getuige Y] heeft desgevraagd verklaard, dat zij gelijktijdig met [werkneemster] een gesprek gehad heeft bij de afdeling Personeelszaken bij [werkgeefster], dat [werkgeefster] in dat gesprek [werkneemster] heeft meegedeeld dat zij twee uren per week minder kreeg, dat [werkneemster] het daar niet mee eens was en dat zij ([getuige Y]) zich niet herinnert hoe [werkgeefster] hierop reageerde. Eerst later heeft [werkneemster] haar verteld dat [werkgeefster] had gezegd dat zij ([werkneemster]) ontslagen zou worden als ze niet met het nieuwe contract akkoord ging. [getuige Y] heeft dat dus niet uit de mond van degene die namens [werkgeefster] sprak gehoord. Ook heeft zij niet zelf [werkneemster] tegen [werkgeefster] horen zeggen dat ze net zoveel uren wilde als bij VSP.

6. In haar eigen verklaring is [werkneemster] hier enigszins vaag over. Zij zegt 14,5 uur te hebben moeten accepteren omdat zij anders problemen zou krijgen met de sociale dienst wegens werkweigering; wie dat tegen haar gezegd heeft, dan wel of dit haar eigen conclusie uit bepaalde feiten en/of uitlatingen is, blijkt niet uit haar verklaring. Zij heeft ook verklaard dat mevrouw [X] tijdens het gesprek in februari 2005 zei dat zij niet meer uren voor haar had, en dat zij toen gezegd heeft dat zij daarmee akkoord ging. Daarna heeft zij, zo blijkt verder uit haar verklaring, nog wel telefonisch contact gehad met [Z] (kennelijk is bedoeld: [Z], personeelsfunctionaris bij [werkgeefster], zie hierna), aan wie zij heeft gevraagd het haar te laten weten als zij meer werk had; soms werd zij gebeld voor wat extra werk; de sociale dienst vulde inderdaad aan als zij minder uren werkte. [werkgeefster] bleef haar uren veranderen: eerst had zij 17,5 uur, toen 14,5 uur. Zij moest dat accepteren anders had zij niks, aldus [werkneemster]. Desgevraagd heeft zij verklaard dat zij denkt dat als zij 14,5 uur niet had geaccepteerd, zij ontslagen was.

7. Uit een en ander volgt dat haar stelling dat zij zou zijn ontslagen als zij geen vermindering van het aantal uren had geaccepteerd, berust op haar eigen interpretatie van uitlatingen van de zijde van de werkgever tegenover haar, die op zichzelf geen aanwijzing bevatten dat bedoeld is haar door dreiging met ontslag onder druk te zetten om akkoord te gaan met de urenvermindering. Uit haar verklaring dat zij, nadat zij daarom had verzocht, soms gebeld werd voor wat extra werk, blijkt integendeel dat [werkgeefster] bereid was haar tegemoet te komen.

8. [werkgeefster] heeft in de contra-enquête en in de enquête aan haar zijde haar personeelsfunctionaris [Z] en haar projectleidster [V], alsook [voorletters] [X] als getuige doen horen.

9. [werkgeefster] is wel geslaagd in het haar opgedragen bewijs. De getuige [X] heeft verklaard, enkele weken voor het aflopen van het contract eind februari 2005 met [werkneemster] haar uren besproken te hebben; enkele werkzaamheden in het pand waar [werkneemster] werkte vervielen, waardoor zij minder uren zou krijgen. [werkneemster] had daar geen problemen mee. In dat gesprek, waarbij genoemde [V] aanwezig was, is concreet afgesproken dat [werkneemster] 14,5 uur per week zou krijgen, aldus [X]. De getuige [V] heeft dit bevestigd. Zij heeft verklaard dat zij samen met [X] een gesprek met [werkneemster] heeft gehad, dat zij haar een contract voor onbepaalde tijd voor 14,5 uur per week hebben aangeboden en dat [werkneemster] dit aanbod heeft geaccepteerd: ze zei dat het goed was. Pas later, toen de advocaat erbij betrokken werd, heeft [werkneemster] aangegeven dat zij meer uren wilde werken. Ook de eigen getuigenverklaring van [werkneemster] bevestigt dit.

10. Voor zover partijen van mening verschillen over de vraag of [werkgeefster] gehouden was, [werkneemster] ook in een andere vestiging van dezelfde opdrachtgever/aanbesteder (ROC) te werk te stellen om urenvermindering te voorkomen, overweegt de kantonrechter het volgende. Artikel 50 van de destijds toepasselijke CAO (de CAO voor het schoonmaak- en glazenwassersbedrijf, Bijvoegsel Stcrt. van 7 juni 2004, nr. 105) legt op het schoonmaakbedrijf dat bij een contractswisseling ten gevolge van heraanbesteding een project verwerft, niet een algemene verplichting om de werknemers van het bedrijf dat het project verliest enigerlei arbeidsovereenkomst aan te bieden, maar in beginsel een verplichting tot het aanbieden van een arbeidsovereenkomst die hen in staat stelt hun bestaande werkzaamheden op “het project” ongewijzigd voort te zetten. Het begrip “project” is niet nader gedefinieerd, maar kennelijk wordt met de regeling van genoemd artikel 50 beoogd de werknemers door een arbeidsovereenkomst toegesneden op hun werkzaamheden te vrijwaren van voor hen nadelige gevolgen van de contractswisseling.

11. In deze zaak heeft ROC een van de gebouwen waar [werkneemster] gewoonlijk haar werkzaamheden verrichtte, afgestoten en (een zeker deel van) de activiteiten verplaatst naar een gebouw waar [werkneemster] niet eerder werkzaam was. Indien de heraanbesteding gepaard gaat met wijzigingen in de aard en de omvang van de opdracht, staat het bepaalde in artikel 50 van de CAO niet in de weg aan dienovereenkomstige wijziging van (de omvang van) de dienstbetrekking, hetzij met wederzijds goedvinden van de nieuwe werkgever en de betrokken werknemer, hetzij met gebruikmaking van de wettelijke mogelijkheden tot (gedeeltelijke) beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

12. In dit licht kan [werkneemster] geen aanspraak maken op loon voor 20 uur per week, zoals zij stelt. Zij heeft immers door ondertekening van de arbeidsovereenkomst van 1 december 2004 ingestemd met een werkweek van 17,5 uur. Verder heeft [werkgeefster] genoegzaam aangetoond dat [werkneemster] in een later gesprek akkoord ging met 14,5 uur. Feiten of omstandigheden waarop het oordeel kan worden gegrond dat [werkgeefster] heeft moeten begrijpen dat haar verklaring niet overeenstemde met haar wil, zijn niet komen vast te staan. [werkgeefster] mocht er dan ook van uitgaan dat, voor zover de arbeidsovereenkomst is geëindigd doordat het aantal van 14,5 uren afwijkt van een eerder overeengekomen aantal uren, sprake is van beëindiging met wederzijds goedvinden.

13. Al het voorgaande, met inbegrip van wat in het tussenvonnis is overwogen, leidt tot afwijzing van de vordering van [werkneemster]. Zij zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in conventie. De aan de zijde van [werkgeefster] gevallen kosten worden begroot op nihil voor verschotten en vijf punten à € 150,- volgens het liquidatietarief voor salaris gemachtigde, totaal € 750,-.

14. Wat de vordering in reconventie betreft staat vast dat [werkgeefster] bij brief van 21 juni 2005 aan [werkneemster] heeft meegedeeld dat zij een nabetaling van € 645,48 bruto (inclusief vakantietoeslag) zou ontvangen over de periode van 1 december 2004 tot 25 februari 2005 op basis van 20 uren per week. De brief bevat onder meer de volgende passage:

“Op advies van de ondernemingsbranche OSB zal [werkgeefster] conform CAO overgaan tot het betalen van 20 uur per week gedurende de over te nemen lopende contractdatum van 01-12-2004 t/m 24-02-2005. Gezien het feit mevrouw [werkneemster] vooraf stilzwijgend akkoord is gegaan met de contractomzetting naar onbepaalde tijd onder de voorwaarde van aanpassing naar 14.5 uur en onder deze voorwaarde vooraf mondeling akkoord heeft gegeven, gaat [werkgeefster] niet over tot het betalen van 20 uur per week met ingang van 25-02-05. Mevrouw [werkneemster] heeft m.i.v. 17-01-2005 onder bovenstaande voorwaarden van 14,5 uur gewerkt en de omzetting m.i.v. 25-02-05 betreft immers een nieuwe arbeidsovereenkomst.”

15. Hieruit blijkt dat [werkgeefster] wist dat [werkneemster] vanaf enig tijdstip na 1 december 2004 werkweken van 14,5 uur maakte, maar zich niettemin heeft verbonden tot loonbetaling aan [werkneemster] als werkte zij tot 25 februari 2005 gedurende 20 uur per week. Het bedrag van € 645,48 is dus niet zonder rechtsgrond betaald; die rechtsgrond wordt gevonden in de verbintenis tot nabetaling, die [werkgeefster] blijkens haar brief aan [werkneemster] jegens deze op zich heeft genomen. Voor zover [werkneemster] daardoor is verrijkt ten koste van [werkgeefster], is die verrijking niet ongerechtvaardigd. Ook de vordering in reconventie zal worden afgewezen.

16. [werkgeefster] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in reconventie. De aan de zijde van [werkneemster] gevallen kosten worden begroot op nihil voor verschotten en vijf punten à € 100,- volgens het liquidatietarief voor salaris gemachtigde, totaal € 500,-. Aangezien [werkneemster] met een toevoeging op grond van de Wet op de rechtsbijstand procedeert, zal dit bedrag moeten worden betaald aan de griffier.

BESLISSING

De kantonrechter

in conventie

- wijst de vordering af;

- veroordeelt [werkneemster] in de kosten van het geding, tot op deze uitspraak aan de zijde van [werkgeefster] begroot op € 750,-;

- verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie

- wijst de vordering af;

- veroordeelt [werkgeefster] in de kosten van het geding, tot op deze uitspraak aan de zijde van [werkneemster] begroot op € 500,-, te betalen aan de griffier;

- verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. P.E.M. Messer-Dinnissen en in het openbaar uitgesproken op 18 april 2008.