Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BD0493

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
25-03-2008
Datum publicatie
24-04-2008
Zaaknummer
AWB 07/167
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Recht van Successie. Indeling van kleinkinderen van een ongehuwd partner van een erflater ter zake van een verkrijging van die erflater in tariefgroep III in plaats van in tariefgroep I van artikel 24, eerste lid, van de SW. Geen sprake van gelijke gevallen. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 19 oktober 2007 geoordeeld dat de wetgever zonder overschrijding van de hem toekomende beoordelingsvrijheid aanverwanten heeft kunnen onderbrengen in tariefgroep III van artikel 24, eerste lid, van de SW. Temeer heeft dit te gelden in een geval als zich hier voordoet waarin elke vorm van verwantschap ontbreekt.

Rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar, omdat verweerder ten onrechte bij één uitspraak op bezwaar op het door de erfgenamen gezamenlijk ingediende bezwaarschrift heeft beslist. Bevoegdheid van de rechtbank. Geen verwijzing naar een andere rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2008/1280
FutD 2008-0952
Belastingadvies 2008/10.13
V-N 2008/32.2.5
KWEP 2008/25
Vp-bulletin 2008, 29

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 07/167

Uitspraakdatum: 25 maart 2008

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/[te P], verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiser een aanslag recht van successie opgelegd met aanslagnummer [0].

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 17 november 2006 de aanslag gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 22 december 2006, ontvangen bij de rechtbank op 27 december 2006, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 december 2007 te Arnhem. Eiser is daar verschenen. Namens verweerder is verschenen mr. [A]. Eiser heeft een pleitnota overgelegd en voorgedragen.

De rechtbank heeft na afloop van de mondelinge behandeling het beroep gesplitst in acht beroepen met de zaaksnummers 07/167, 08/1357, 08/1358, 08/1359, 08/1360, 08/1361, 08/1362 en 08/1363.

2. Feiten

Mevrouw [B] (hierna: erflaatster) is overleden op 7 juli 2003. Haar partner, de heer [C], is overleden op 21 augustus 1992. Tot zijn overlijden voerde erflaatster gedurende meer dan vijf jaar met hem een gemeenschappelijke huishouding. Tussen hen was geen wettig huwelijk gesloten. Wel was tussen hen een kerkelijk huwelijk gesloten. [C] had een aantal kinderen uit een eerder huwelijk. Erflaatster verkreeg bij het overlijden van [C] uit zijn nalatenschap het

vruchtgebruik van een deel van zijn vermogen. Die verkrijging is bij haar belast in tariefgroep I.

Erflaatster heeft bij testament, opgemaakt bij notariële akte van 28 oktober 1993, over haar nalatenschap beschikt. In dat testament heeft zij, onder de last van twee legaten, tot haar erfgenamen benoemd, gezamenlijk en voor gelijke delen:

- [D] te [Q] (Spanje),

- [E] te [R],

- [F] te [Z],

- [G] te [S],

- [X] te [Z],

- [H] te [T],

- [I] te [U],

- [J] te [V], inmiddels wonend te [W].

Deze erfgenamen, waarvan eiser er één is, (hierna: de erfgenamen), zijn allen kleinkinderen van de heer [C]. Er bestaat geen bloed- of aanverwantschap tussen erflaatster en de erfgenamen.

Op 11 november 2003 heeft de executeur testamentair, notaris mr. [K], een aangifte recht van successie met betrekking tot de nalatenschap van erflaatster ingediend. In de aangifte is domicilie gekozen ten kantore van [L], notarissen te [QQ].

Met dagtekening 18 januari 2005 heeft verweerder onder één aanslagnummer aan ieder van de erfgenamen een aanslag successierecht opgelegd ten bedrage van € 10.279. De aanslagen zijn op de voet van artikel 24, eerste lid, van de Successiewet 1956 (hierna: SW) opgelegd met toepassing van tariefgroep III.

Bij brief van 28 februari 2005, nader gemotiveerd bij brief van 16 maart 2005, heeft eiser voor zichzelf en de andere erfgenamen bezwaar gemaakt tegen voornoemde aanslagen. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 17 november 2006 de aanslagen gehandhaafd. Bij brief van 22 december 2006 heeft eiser voor zichzelf en de andere erfgenamen beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar. Hij heeft dit beroep aangevuld bij brief van 12 februari 2007.

3. Geschil

In geschil is of verweerder de aanslag recht van successie terecht en tot het juiste bedrag heeft opgelegd. Met name is in geschil

- of de indeling van kleinkinderen van een ongehuwde partner van een erflater voor de heffing van successierecht ter zake van een verkrijging van die erflater in tariefgroep III in plaats van in tariefgroep I een ongelijke behandeling oplevert van die kleinkinderen ten opzichte van de kleinkinderen van gehuwd samenwonenden en

- zo ja, of die ongelijke behandeling in strijd is met artikel 26 van het Internationale Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: IVBPR) en van artikel 14 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).

Eiser beantwoordt deze vragen bevestigend. Verweerder beantwoordt deze vragen ontkennend.

Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de belastingaanslag tot een berekend met toepassing van tariefgroep I. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en op hetgeen door hen ter zitting is aangevoerd.

4. Ambtshalve overwegingen

Gezamenlijk beroep erfgenamen

De erfgenamen hebben één bezwaarschrift ingediend tegen de aan hen in verband met de verkrijging uit de nalatenschap van erflaatster opgelegde aanslagen. Verweerder heeft daarop één uitspraak op bezwaar gedaan die betrekking heeft op alle erfgenamen. De erfgenamen hebben vervolgens hiertegen bij één geschrift beroep ingesteld.

Uit artikel 24a, eerste lid, van de AWR volgt dat hij die bezwaar heeft tegen één of meer belastingaanslagen daartegen bezwaar kan maken bij één bezwaarschrift. Deze bepaling laat echter niet toe dat een zodanig bezwaarschrift wordt ingediend door meerdere belanghebbenden. Het bepaalde in artikel 24a, eerste lid, van de AWR brengt ook mee dat het de inspecteur niet is toegestaan bij één geschrift uitspraak op bezwaar te doen op bezwaren van meer belanghebbenden tegen verschillende aanslagen. Gelet op het voorgaande had verweerder op de voet van het bepaalde in artikel 6:6 van de Awb de erfgenamen gelegenheid moeten geven om dit verzuim te herstellen en het bezwaar te splitsen om vervolgens op die bezwaren afzonderlijk uitspraak te doen. Nu ten onrechte bij één uitspraak op bezwaar op alle bewaren is beslist, moet de uitspraak op bezwaar worden vernietigd.

De rechtbank heeft in het bepaalde in artikel 24a, eerste lid, van de AWR voorts aanleiding gezien het beroep tegen die uitspraak te splitsen in acht afzonderlijke beroepen.

Bevoegdheid

Uit artikel 8:7, tweede lid, van de Awb, volgt dat indien beroep wordt ingesteld tegen een besluit van een bestuursorgaan, de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan de indiener van het beroepschrift zijn woonplaats heeft, bevoegd is. Indien de indiener van het beroepschrift geen woonplaats heeft in Nederland, is de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan verweerder zijn zetel heeft, bevoegd.

In artikel 8:13, eerste lid, van de Awb is, voor zover hier van belang, bepaald dat de rechtbank een bij haar aanhangig gemaakte zaak ter verdere behandeling kan verwijzen naar de rechtbank waar een andere zaak aanhangig is gemaakt, indien naar haar oordeel behandeling van die zaken door één rechtbank gewenst is.

[E] en [I] wonen binnen het rechtsgebied van de rechtbank Arnhem. De rechtbank is daarom bevoegd in de door hen ingestelde beroepen.

Eiser, [F], [G], [H] en [J] wonen niet binnen het rechtsgebied van de rechtbank Arnhem. [D] heeft geen woonplaats in Nederland. Verweerder heeft zijn zetel in ’s-Hertogenbosch. Dit ligt buiten het rechtsgebied van de rechtbank Arnhem. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank in beginsel niet bevoegd is in de door [F], [G], [X], [H], [J] en [D] ingestelde beroepen. Volgens de wet zou in die beroepen dus verwijzing moeten volgen naar de wel bevoegde rechtbanken. Deze rechtbanken zouden de zaken vervolgens eventueel weer kunnen verwijzen naar de rechtbank Arnhem op grond van het bepaalde in artikel 8:13 van de Awb.

De rechtbank acht verwijzing naar een andere rechtbank niet gewenst. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verweerder bij één uitspraak op bezwaar op de bezwaren van de erfgenamen heeft beslist, dat de erfgenamen hiertegen gezamenlijk in één brief beroep hebben ingesteld bij deze rechtbank, die in de uitspraak op bezwaar ook als beroepsinstantie is genoemd, dat deze rechtbank zelf niet tijdig heeft onderkend dat dit beroep moest worden gesplitst en een aantal zaken in beginsel moest worden verwezen en dat de erfgenamen bij een verwijzing naar een andere rechtbank geen belang hebben. De rechtbank zal daarom, mede gelet op de ratio van artikel 8:13 van de Awb, te weten doelmatigheid en het verkrijgen van gelijkluidende beslissingen bij samenhangende zaken, verwijzing achterwege laten.

5. Beoordeling van het geschil

Nu tussen partijen geen verschil van mening bestaat over de feiten en eiser ook overigens geen belang heeft bij terugwijzing ziet de rechtbank in het onder 4 (gezamenlijk beroep erfgenamen) overwogene geen belemmering om inhoudelijk op het geschil te beslissen.

Eiser heeft gesteld dat de indeling in tariefgroep III van artikel 24, eerste lid, van de SW in strijd is met artikel 26 van het IVBPR en van artikel 14 van het EVRM. Hij is van mening dat er sprake is van ongerechtvaardigde discriminatie tussen (klein)kinderen van gehuwden en (klein)kinderen van ongehuwd samenwonenden. Volgens eiser is sprake van gelijke gevallen. Eiser wijst er in dit verband op dat sinds 1985 ongehuwd samenwonenden die voldoen aan de voorwaarden van artikel 24, tweede lid, van de SW geheel gelijk gesteld zijn aan gehuwden. Volgens eiser brengt dit mee dat ook de kleinkinderen van die partners voor het successierecht in dezelfde positie dienen te verkeren als kleinkinderen van gehuwden. Eiser wijst er in dit verband op dat ten tijde van het overlijden van [C] de wet nog niet voorzag in de mogelijkheid om te kiezen voor geregistreerd partnerschap en dat het door hem van erflaatster verkregen vermogen afkomstig is uit de nalatenschap van [C]. Volgens eiser is het ook in overeenstemming met de ratio van de SW om het vermogen in de familielijn te houden en geldt dat ook voor niet huwelijkse samenlevingsverbanden. Volgens eiser is er voor de door hem geconstateerde ongelijke behandeling geen rechtvaardiging en moet rechtsherstel worden verleend nu de groep van gevallen die ongelijk worden behandeld klein is en rechtsherstel niet een nieuwe ongelijkheid tot gevolg heeft.

Verweerder heeft hiertegenover gesteld dat de wetgever de gelijkstelling van gehuwden en ongehuwd samenwonenden niet heeft doorgetrokken naar kleinkinderen. Volgens verweerder is geen sprake van gelijke gevallen. Verweerder betwist dat het aan de erfgenamen nagelaten vermogen van erflaatster afkomstig is uit het vermogen van [C].

Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel als door eiser gesteld, is nodig dat sprake is van gelijke gevallen die ongelijk worden behandeld, terwijl hiervoor geen objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat.

Eiser heeft voor zijn opvatting verwezen naar de volgende passages uit de wetsgeschiedenis:

- uit de memorie van toelichting bij de Wet van 17 december 1980, Stb. 686, Kamerstukken 1979/80, 16 016, nr. 3, blz. 1:

“ (...) Ook kan niet worden voorbijgegaan aan het feit dat zich op het vlak van de intermenselijke relatiepatronen een ontwikkeling heeft voorgedaan. Zo is er een spanningsveld ontstaan tussen de maatschappelijk te onderscheiden relatiepatronen en de tariefindeling van het successierecht. Enerzijds worden immers ongehuwde niet-verwante partners in een samenlevingsverband volgens de huidige tariefindeling ingedeeld bij de categorie niet-verwanten, anderzijds kent de huidige tariefstelling een zeer verfijnde onderscheiding naar de aard van de verwantschap, welke differentiatie heden ten dage niet meer zo sterk aanspreekt, dat zij de daaraan verbonden verschillen van belasting kan dragen. (...) “;

en op blz. 8 daarvan:

“ (...) In de belastingwetgeving wordt er nog geen rekening mee gehouden, dat ook niet-gehuwde partners een gemeenschappelijk huishouden voeren (...). In de successiebelasting daarentegen verkeren bedoelde groepen op het punt van de vrijstelling en de tariefstelling in een nadelige positie, zozeer dat hierbij van een knelpunt kan worden gesproken. (...) Hoewel een meer emancipatoire benadering in de belastingheffing bepaald niet synoniem is met belastingverlaging, zijn wij van oordeel dat het in de belastingheffing gaat om een benadering van de mensen in hun feitelijke meer duurzame levenssituatie; daarvoor is het noodzakelijk het begrip twee-persoonshuishoudens niet langer alleen vanuit het al dan niet bestaan van een huwelijk te benaderen. Dit betekent evenwel niet dat voortaan voor de heffing van belasting het bestaande fiscale regime voor gehuwden zonder meer op twee-persoonshuishoudens van niet-gehuwden moet worden toegepast. Immers in de vermogensrechtelijke sfeer zijn er wel degelijk verschillen. '';

en op blz. 9 daarvan:

“Wij zijn van oordeel, dat in de geschetste situatie het overlijden van één van de partners niet een belangrijke achteruitgang in de leefsituatie van de overblijvende partner mag veroorzaken doordat een aanzienlijk bedrag aan successierecht verschuldigd wordt over de verkrijging van de goederen die gemeenschappelijk werden gebruikt.”

- en uit de toelichting bij het amendement Zijlstra/Van Reij (Kamerstukken II 1983/84, 17 041, nr. 19, blz. 1-2):

“ De regeling voor samenwonenden buiten huwelijk in de Successiewet 1956 verschilt aanzienlijk van de regeling voor echtgenoten in deze wet. Er bestaan grote verschillen tussen zowel de vrijstellingen als het tarief. (...) Dit amendement strekt ertoe de samenwonenden in de Successiewet 1956 op dezelfde wijze te behandelen als echtgenoten conform de tweeverdienersmaatregelen in de inkomstenbelasting. (...) Teneinde de gelijkstelling van samenwonenden buiten huwelijk met echtgenoten zo veel mogelijk te completeren, wordt bij dit amendement tevens voorgesteld om op de vrijstelling van een partner van een gemeenschappelijke huishouding, een pensioenimputatie toe te passen conform de bij de tweede nota van wijziging voorgestelde regeling voor echtgenoten. Hiermee wordt deels vooruitgelopen op de invoering van de mogelijkheid tot opbouw van een partnerpensioen.”.

De rechtbank onderschrijft de opvatting van verweerder dat geen sprake is van gelijke gevallen. In de geciteerde passages uit de wetsgeschiedenis van de SW is geen aanknopingspunt te vinden voor de opvatting dat de gelijkstelling van gehuwden en ongehuwd samenwonenden er toe moet leiden dat een kleinkind van een ongehuwd samenwonende voor de verkrijging uit een nalatenschap van diens partner op één lijn gesteld moet worden met een kleinkind van een gehuwde of met een kleinkind van een geregistreerde partner, die gelet op het bepaalde in artikel 19, eerste lid, van de SW in een geval als het onderhavige daarmee gelijk gesteld moet worden. Ook in andere delen van de wetsgeschiedenis is geen aanknopingspunt te vinden voor de door eiser bepleite uitleg.

Ook wanneer geoordeeld zou moeten worden dat sprake is van gelijke gevallen, kan het beroep van eiser niet slagen. De wetgever komt op fiscaal gebied een ruime beoordelingsvrijheid toe bij het beantwoorden van de vraag of voor toepassing van de artikelen 26 van het IVBPR en 14 van het EVRM gevallen als gelijk moeten worden behandeld, en of, in het bevestigende geval, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen (vgl. HR 19 oktober 2007, 41 938, LJN AZ1715, V-N 2007/53.27 en EHRM 22 juni 1999, nr. 46757/99, zaak Della Ciaja/Italië, BNB 2002/398). Daarbij dient het oordeel van de wetgever te worden geëerbiedigd tenzij dat van redelijke grond ontbloot is (EHRM 12 december 2006, nr. 13378/05, zaak Burden en Burden/Verenigd Koninkrijk, EHRC 2007/18, VN 2007/54.5).

Zowel bij de invoering van de SW als bij de herziening daarvan met ingang van 1 januari 1981, waarbij de huidige tariefgroepindeling tot stand is gekomen, heeft de wetgever het redelijk geoordeeld om de hoogte van het belastingtarief mede afhankelijk te stellen van de - graad van - verwantschap tussen de verkrijger en de erflater. In zijn hiervoor genoemde arrest van 19 oktober 2007 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de wetgever zonder overschrijding van de hem toekomende beoordelingsvrijheid aanverwanten heeft kunnen onderbrengen in tariefgroep III van artikel 24, eerste lid, van de SW. Temeer heeft dit te gelden in een geval als zich hier voordoet waarin elke vorm van verwantschap ontbreekt. Het feit dat de heer [C] en erflaatster niet hebben kunnen kiezen voor een geregistreerd partnerschap, leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat zij een wettig huwelijk hadden kunnen sluiten.

Gelet op het bovenstaande zijn er geen materiële gronden voor vernietiging van de uitspraak op bezwaar. De rechtbank zal daarom zelf in de zaak voorzien. De aanslag moet worden gehandhaafd.

6. Proceskosten

Eiser heeft de rechtbank verzocht verweerder op de voet van artikel 8:73 van de Awb te veroordelen tot vergoeding van de kosten van de bezwaarfase in verband met de lange duur daarvan. Gelet op het bepaalde in artikel 8:75 juncto artikel 7:15, tweede lid, van de Awb is voor een vergoeding van kosten van de bezwaarfase nodig dat het primaire besluit wordt herroepen. Nu daarvan geen sprake is, komen die kosten niet voor vergoeding in aanmerking. Gelet op het exclusieve karakter van de regeling van artikel 8:75 en 7:15, tweede lid, van de Awb kan niet daarnaast nog een vergoeding worden verleend op grond van artikel 8:73 van de Awb. Dit verzoek van eiser moet daarom worden afgewezen.

De rechtbank ziet ook overigens geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, aangezien geen sprake is van beroepsmatig verleende bijstand en eiser niet heeft gesteld andere kosten te hebben gemaakt.

7. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- handhaaft de aanslag en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiser betaalde griffierecht van € 38 aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 25 maart 2008

en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. E.C.G. Okhuizen, voorzitter, mr. F.M. Smit en mr. R.P. van Baaren, rechters, in tegenwoordigheid van

mr. I. Lampe-Selanno, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.