Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BD0481

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
18-04-2008
Datum publicatie
24-04-2008
Zaaknummer
AWB 07/3684
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inspecteur heeft onrechtmatig gehandeld nu uit aanslagbiljet niet van verrekening voorlopige teruggaven blijkt en belanghebbende hierover ook niet anderszins is geïnformeerd. Onrechtmatigheid kan aan inspecteur worden toegerekend. Niettemin geen vergoeding voor de kosten van de bezwaarfase nu de voorlopige aanslag niet is herroepen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2008/1237
FutD 2008-0949

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

registratienummer: AWB 07/3684

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 18 april 2008

inzake

[X], wonende te [Z], eiseres,

tegen

de inspecteur van de Belastingdienst [te P], verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2006 een voorlopige aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) met nummer [H62] opgelegd van, inclusief heffingsrente, € 3.474.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 2 augustus 2007 de voorlopige aanslag gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 21 augustus 2007, ontvangen door de rechtbank op 23 augustus 2007, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eiseres en verweerder hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2008 te Arnhem.

Namens eiseres is daar verschenen haar gemachtigde [A], bijgestaan door [B]. Namens verweerder is verschenen [C].

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

Aan eiseres is voor het jaar 2006 met dagtekening 26 mei 2007 een voorlopige aanslag IB/PVV met nummer [H62] (hierna: de voorlopige aanslag) opgelegd. Op het aanslagbiljet staat onder meer het volgende vermeld:

“ Berekening van het te betalen bedrag:

inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen € 5 311

Loonheffing af € 4 218

In rekening gebrachte heffingsrente bij € 134

Te betalen € 3 474”.

Eerder waren aan eiseres voor dat jaar voorlopige teruggaven verleend tot een bedrag van € 2.247. De gemachtigde van eiseres was ten tijde van het opleggen van de voorlopige aanslag daarvan niet op de hoogte.

Van de verrekening van de voorlopige teruggaven van € 2.247 is op het aanslagbiljet geen melding gemaakt.

De gemachtigde van eiseres heeft tegen de voorlopige aanslag bezwaar gemaakt. Daarbij is verzocht om vergoeding van de kosten voor de bezwaarfase in overeenstemming met het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht. Bij uitspraak op bezwaar is de voorlopige aanslag door verweerder gehandhaafd en het verzoek om een kostenvergoeding afgewezen.

3. Geschil

In geschil is het antwoord op de vraag of verweerder aan eiseres een vergoeding van de kosten die zij in verband met de bezwaarfase heeft moeten maken terecht heeft geweigerd. Eiseres beantwoordt deze vraag ontkennend. Verweerder beantwoordt die vraag bevestigend.

Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, handhaving van de aanslag en toekenning van een vergoeding voor de kosten van de bezwaarfase.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4. Beoordeling van het geschil

De gemachtigde van eiseres stelt dat de voorlopige aanslag niet juist is. Volgens haar gemachtigde is eiseres door het niet vermelden van de voorlopige teruggaaf op het aanslagbiljet in verwarring geraakt en heeft zij daarom zijn hulp ingeschakeld. Volgens de gemachtigde van eiseres is voldaan aan de vereisten van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb voor het toekennen van een proceskostenvergoeding en is die vergoeding door verweerder ten onrechte geweigerd.

Verweerder heeft hiertegenover gesteld dat hij de gemachtigde van eiseres nadat deze namens haar bezwaar had gemaakt, telefonisch opheldering heeft verschaft. Volgens verweerder is eerst na het opleggen van de voorlopige aanslag op de website van de Belastingdienst melding gemaakt van de fout, maar kan ook dat er niet toe leiden dat een kostenvergoeding wordt toegekend nu de voorlopige aanslag juist is en het bezwaar ongegrond.

Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Awb, voor zover hier van belang, worden de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan vergoed voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) kan een voorlopige aanslag worden opgelegd tot ten hoogste het bedrag waarop de aanslag, met toepassing van de in artikel 15 van de AWR voorgeschreven verrekening van de voorlopige aanslagen en de in de belastingwet aangewezen voorheffingen, vermoedelijk zal worden vastgesteld. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de AWR geschiedt de vaststelling van een belastingaanslag door het ter zake daarvan opmaken van een aanslagbiljet door de inspecteur. Ingevolge artikel 2, derde lid, onderdeel c, van de AWR wordt onder een belastingaanslag mede verstaan een voorlopige aanslag.

Op het aanslagbiljet dat eiseres in verband met de betrokken voorlopige aanslag heeft ontvangen, is melding gemaakt van de (bruto)aanslag en ook van de hierop in mindering gebrachte voorheffingen. Het verschil tussen de (bruto)aanslag, de voorheffingen en de in rekening gebrachte heffingsrente enerzijds en het te betalen bedrag anderzijds is € 2.247. Dit bedrag is gelijk aan de eerder verleende voorlopige teruggaven. Hieruit volgt dat bij de vaststelling van de voorlopige aanslag, in overeenstemming met het bepaalde in artikel 13, eerste lid, juncto 15 van de AWR, met die voorlopige teruggaven ad € 2.247 rekening is gehouden. Geen rechtsregel verplicht verweerder hiervan melding te maken op het aanslagbiljet. Wel kan van verweerder worden verwacht dat hij op enigerlei wijze inzicht geeft in de berekening van de voorlopige aanslag, zodat door de belastingplichtige kan worden nagegaan of de voorlopige aanslag niet is opgelegd tot een hoger bedrag dan uit artikel 13, eerste lid, van de AWR volgt. In zoverre kan gezegd worden dat sprake is van onrechtmatig handelen dat aan verweerder is toe te rekenen.

Dit kan er niettemin niet toe leiden dat aan eiseres een vergoeding voor de kosten die zij voor de behandeling van haar bezwaar heeft moeten maken, wordt toegekend, nu niet voldaan is aan de andere in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb gestelde voorwaarde, namelijk dat het –in bezwaar- bestreden besluit is herroepen.

Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 18 april 2008

en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. E.C.G. Okhuizen, rechter, in tegenwoordigheid van L.A. Witten, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.