Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BD0126

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
16-04-2008
Datum publicatie
22-04-2008
Zaaknummer
AWB 06/5772
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Korting wegens schuldig nalatig (art. 13 AOW). Herziening met terugwerkende kracht (art. 17 AOW). Regeling intrekking en herziening ouderdomspensioen (12-07-1985, Stcrt. 1985,136).

Schuldig nalatig staat vast, het gaat om de terugwerkende kracht van de herziening.

Artikel 3 van de Regeling: tijdstip waarop beslissing tot schuldig nalatig redelijkerwijs kon worden genomen.

Afhankelijkheid van fiscale informatie doet niet af aan verweerders eigen verantwoordelijkheid. Nader onderzoek nodig naar de mogelijkheid dat redelijkerwijs éérder had kunnen worden beslist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 06/5772

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van

inzake

[A], eiser,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. M.J.M. Willems,

tegen

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb), verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 3 oktober 2006, uitgereikt door de Svb, kantoor Nijmegen.

2. Procesverloop

Bij besluit van 8 mei 2006 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat een korting op zijn ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) wordt toegepast van 4 maal 2%, omdat eiser schuldig nalatig is geweest de premies over de jaren 1996, 1997, 1998 en 1999 te voldoen.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank van 1 juni 2007. Eiser is aldaar verschenen, bijgestaan door mr. D. van Aalst. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M.M.W. van der Ent-Eltink, werkzaam bij de Svb, kantoor Nijmegen. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.

Op 12 juli 2007 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.

Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 14 maart 2008. Eiser is aldaar verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. M.J.M. Willems, advocaat te Malden. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M.M.W. van der Ent-Eltink, werkzaam bij de Svb, kantoor Nijmegen.

3. Overwegingen

Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder b, van de AOW luidde ten tijde hier van belang als volgt:

“Op het bruto-ouderdomspensioen, vastgesteld op grond van artikel 9 wordt een korting toegepast van 2%:

b. voor elke jaarpremie ingevolge deze wet, welke de pensioengerechtigde na het bereiken van zijn 15-jarige leeftijd schuldig nalatig is geweest te betalen als bedoeld in artikel 18 van de Wet financiering volksverzekeringen.”

Artikel 17, derde lid van de AOW luidde ten tijde hier van belang als volgt:

“De intrekking van het ouderdomspensioen of de herziening daarvan, welke voortvloeit uit een wijziging der omstandigheden en welke een verlaging van dit ouderdomspensioen tot gevolg heeft, gaat, behoudens in de bij ministeriële regeling aan te wijzen gevallen, in op de eerste dag der maand, volgende op die, waarin de dag is gelegen met ingang waarvan degene, aan wie ouderdomspensioen is toegekend, daarvoor niet meer in aanmerking komt, onderscheidenlijk voor een lager ouderdomspensioen in aanmerking komt. Indien het ouderdomspensioen ten onrechte of tot een te hoog bedrag is toegekend, wordt het ingetrokken onderscheidenlijk herzien met ingang van de dag, waarop het is ingegaan.”

Op grond van artikel 17, derde lid van de AOW is de Regeling intrekking en herziening ouderdomspensioen vastgesteld (ministeriële regeling van 12 juli 1985, Stcrt. 1985, 136, verder: de Regeling). Artikel 3, eerste lid van de Regeling luidde ten tijde hier van belang als volgt:

“Indien de Sociale Verzekeringsbank na de toekenning van een ouderdomspensioen beslist dat de pensioengerechtigde schuldig nalatig is geweest premie te betalen, is zij bevoegd, mits deze beslissing redelijkerwijs niet vóór de toekenning genomen had kunnen worden, het ouderdomspensioen met terugwerkende kracht in te trekken of te herzien.”

Bij besluit van 5 januari 2001 is met ingang van februari 2001 een ouderdomspensioen aan eiser toegekend.

Bij besluiten van 21 juni 2005 is eiser schuldig nalatig gesteld over de jaren 1997 en 1998, en bij besluiten van 24 maart 2006 over de jaren 1996 en 1999. Deze besluiten zijn rechtens onaantastbaar.

Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat in verband met de schuldig nalatig stelling over de jaren 1996 tot en met 1999 een korting van 8% moet worden toegepast op het ouderdomspensioen van eiser, met terugwerkende kracht tot de datum van toekenning.

De rechtbank is van oordeel dat het besluit van 8 mei 2006, gelezen in samenhang met de brief aan eiser van 8 mei 2006 waarin een terugvordering van te veel ontvangen ouderdomspensioen wordt aangekondigd, inhoudt dat het ouderdomspensioen van eiser met terugwerkende kracht tot de datum van toekenning is herzien.

De rechtbank is van oordeel dat, voor zover de gronden die eiser in bezwaar heeft aangevoerd inhouden dat de besluiten tot schuldig nalatig stelling niet juist zijn, verweerder bij het bestreden besluit terecht heeft geoordeeld dat die bezwaren ongegrond zijn. De verwijzing in het bestreden besluit naar de artikelen 4:5 en 4:6 van de Awb doet daaraan niet af, omdat uit het besluit niet kan worden afgeleid dat verweerder beoogd heeft om bij dat besluit een verzoek tot herziening van de besluiten tot schuldig nalatig stelling af te wijzen.

In de onderhavige procedure dient van de juistheid van de besluiten tot schuldig nalatig stelling te worden uitgegaan. Voor zover de beroepsgronden gericht zijn tegen deze besluiten, dient derhalve aan de beroepsgronden voorbij te worden gegaan.

De onderhavige zaak draait om de vraag of verweerder het ouderdomspensioen van eiser met terugwerkende kracht heeft mogen herzien. De rechtbank overweegt het volgende.

Artikel 3, eerste lid, van de Regeling houdt naar het oordeel van de rechtbank in dat herziening met terugwerkende kracht niet mogelijk is indien de beslissing tot schuldig nalatig stelling redelijkerwijs vóór de toekenning van het ouderdomspensioen genomen had kunnen worden. Als de beslissing tot schuldig nalatig stelling redelijkerwijs niet voor de toekenning van het ouderdomspensioen genomen had kunnen worden, is verweerder bevoegd om met terugwerkende kracht het herzien.

Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de beslissingen tot schuldig nalatig stelling redelijkerwijs niet voor de toekenning van het ouderdomspensioen genomen hadden kunnen worden. Uit de stukken blijkt dat eiser bij beslissing van de rechtbank van 19 april 1999 in de schuldsaneringsregeling terecht is gekomen, dat hij op 25 september 2001 failliet is verklaard en dat het faillissement op 17 april 2002 wegens gebrek aan baten is opgeheven. De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat de belastingdienst in ieder geval tot de opheffing van het faillissement doende is geweest met de invordering van de premies AOW over de jaren 1996 tot en met 1999. Een faillissement strekt er immers toe de bezittingen van de schuldenaar te gelde te maken en de vorderingen van schuldeisers, waaronder de fiscus, zo veel als mogelijk te voldoen.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Regeling was verweerder derhalve bevoegd om het ouderdomspensioen met terugwerkende kracht te herzien.

Wat betreft het gebruik maken van deze bevoegdheid overweegt de rechtbank het volgende.

Aan artikel 3, eerste lid, van de Regeling ligt kennelijk de gedachte ten grondslag dat als de beslissing tot schuldig nalatig stelling redelijkerwijs voor de toekenning van het ouderdomspensioen genomen had kunnen worden, maar feitelijk pas later wordt genomen, dit niet ten nadele van de betrokkene mag uitpakken. De rechtbank is van oordeel dat de gedachte dat een betrokkene niet benadeeld mag worden door het feit dat een beslissing tot schuldig nalatig stelling later wordt genomen dan redelijkerwijs mogelijk was geweest, leidend behoort te zijn bij het gebruik maken van de bevoegdheid, omdat niet valt in te zien waarom in dat opzicht een onderscheid gemaakt zou mogen worden tussen degene ten aanzien van wie redelijkerwijs reeds vóór de toekenning van het ouderdomspensioen een beslissing tot schuldig nalatig stelling genomen had kunnen worden, en degene ten aanzien van wie een dergelijke beslissing pas na de toekenning genomen had kunnen worden.

Concreet betekent dit dat verweerder in beginsel – dat wil zeggen onverminderd overige omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de gebruikmaking van de bevoegdheid – van de bevoegdheid tot herziening met terugwerkende kracht gebruik kan maken over de periode van de toekenning van het ouderdomspensioen tot het moment dat redelijkerwijs een beslissing tot schuldig nalatig stelling genomen had kunnen worden, en over de periode vanaf het moment dat daadwerkelijk een beslissing tot schuldig nalatig stelling is genomen, maar niet over de periode tussen het moment dat redelijkerwijs een beslissing tot schuldig nalatig stelling genomen had kunnen worden en het moment dat die beslissing daadwerkelijk is genomen.

Gelet op het voorgaande is van belang wanneer de beslissingen tot schuldig nalatig stelling over de jaren 1996 tot en met 1999 redelijkerwijs genomen hadden kunnen worden.

In het bestreden besluit is hierover niets opgenomen. In beroep heeft verweerder het standpunt ingenomen dat hij afhankelijk is van de aanlevering van gegevens door de belastingdienst om tot schuldig nalatig stelling over te kunnen gaan, dat die gegevens in de onderhavige zaak op 29 april 2005 en 24 februari 2006 zijn aangeleverd en dat schuldig nalatig stelling redelijkerwijs niet eerder mogelijk was dan op het moment waarop die besluiten genomen zijn.

De rechtbank acht deze benadering niet juist. Het is de verantwoordelijkheid van verweerder om ervoor te zorgen dat de beslissingen tot schuldig nalatig stelling worden genomen op het moment dat zulks redelijkerwijs mogelijk is. Dat verweerder de gegevens die daarvoor nodig zijn van de belastingdienst moet krijgen, doet daaraan niet af. In antwoord op vragen van de rechtbank heeft verweerder bij brief van 10 oktober 2007 meegedeeld dat de informatieverstrekking is gebaseerd op afspraken tussen de Svb en de belastingdienst. Naar het oordeel van de rechtbank is het aan verweerder om zodanige afspraken te maken over de aanlevering van gegevens door de belastingdienst dat verweerder beslissingen tot schuldig nalatig stelling kan nemen op het moment dat zulks redelijkerwijs mogelijk is.

In de onderhavige zaak heeft verweerder niet onderzocht wanneer de beslissingen tot schuldig nalatig stelling redelijkerwijs genomen hadden kunnen worden. In dit verband merkt de rechtbank nog op het niet op voorhand aannemelijk te achten dat de belastingdienst gedurende de gehele periode vanaf 17 april 2002 (opheffing faillissement) tot aan de data waarop de gegevens aan verweerder zijn aangeleverd, nog bezig is geweest met de invordering van de premies AOW over de jaren 1996 tot en met 1999. Integendeel, het ligt veeleer voor de hand dat na opheffing van een faillissement wegens gebrek aan baten geen invorderingshandelingen meer worden verricht. Er is dus geen reden om op voorhand aan te nemen dat de beslissingen tot schuldig nalatig stelling redelijkerwijs pas op 21 juni 2005 en 24 maart 2006 genomen hadden kunnen worden.

Het voorgaande betekent dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Verweerder zal, met inachtneming van deze uitspraak, een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen.

De rechtbank acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op

€ 483 aan kosten van rechtsbijstand. Voor het verlenen van rechtsbijstand kent de rechtbank geen punt toe voor het indienen van het beroepschrift, aangezien eiser dat zelf heeft gedaan. Voor het bijwonen van de zittingen van 1 juni 2007 en 14 maart 2008 kent de rechtbank 1 respectievelijk 0,5 punt toe. Van andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken. De genoemde kosten dienen, aangezien eiser met een toevoeging ingevolge de Wet op de rechtsbijstand heeft geprocedeerd, ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te worden voldaan door betaling aan de griffier van deze rechtbank.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser tegen het besluit van 8 mei 2006 met inachtneming van deze uitspraak;

veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ten bedrage van € 483 en wijst de Svb aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

bepaalt dat de betaling van dit bedrag dient te worden gedaan aan de griffier van het Arrondissement Arnhem, waarvoor verweerder een nota zal worden toegestuurd;

bepaalt dat de Svb het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 38 aan hem vergoedt.

Aldus gegeven door mr. D.J. Post, als voorzitter, en mrs. M. Groverman en A.G.A. Nijmeijer, als rechters, en door de voorzitter in tegenwoordigheid van J.B.M. Wassink, griffier, in het openbaar uitgesproken op 16 april 2008.

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 16 april 2008