Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BD0123

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
10-04-2008
Datum publicatie
22-04-2008
Zaaknummer
AWB 07/858 en AWB 07/1491
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Premie AOW, schuldig nalatig. Faillissement, curator, maar premieplichtige blijft verantwoordelijk voor de aangifte. Er is sprake van een ambtshalve aanslag, maar de (juiste) verzending daarvan is onvoldoende aannemelijk geworden. Daarmee is het besluit onvoldoende onderbouwd, wordt vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummers: AWB 07/858 en 07/1491

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van

inzake

[eiser 1], eiseres,

[eiser 2], eiser,

tezamen ook aan te duiden als eisers,

beiden wonende te [woonplaats],

tegen

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb), verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluiten

Besluiten van verweerder van 16 januari 2007 en 10 april 2007, uitgereikt door kantoor Amstelveen van de Svb.

2. Procesverloop

Bij een viertal besluiten van 6 juli 2005 heeft verweerder bepaald dat eiseres schuldig nalatig is geweest de verschuldigde premies ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) te betalen over het jaar 1997, onderscheidenlijk 1998, 1999 en 2000. Bij een viertal besluiten van 3 november 2005 heeft verweerder de door eiseres gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Tegen deze besluiten is door eiseres beroep ingesteld. Bij uitspraak van 19 december 2006 heeft de rechtbank de beroepen gegrond verklaard en de besluiten van 3 november 2005 vernietigd.

Verweerder heeft de bezwaren van eiseres bij het bestreden besluit van 16 januari 2007 wederom ongegrond verklaard.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 16 januari 2007 (registratienummer: AWB 07/858).

Het beroep is behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank op 1 juni 2007. Partijen zijn niet verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten. Bij beslissing van 12 juli 2007 heeft de rechtbank het onderzoek heropend. De enkelvoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.

Bij een drietal besluiten van 12 juli 2005 heeft verweerder bepaald dat eiser schuldig nalatig is geweest de verschuldigde premies ingevolge de AOW te betalen over het jaar 1998, onderscheidenlijk 1999 en 2000. Bij een drietal besluiten van 3 november 2005 heeft verweerder de door eiser gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Tegen deze besluiten is door eiser beroep ingesteld. Bij uitspraak van 19 december 2006 heeft de rechtbank de beroepen gegrond verklaard en de besluiten van 3 november 2005 vernietigd.

Verweerder heeft de bezwaren van eiser bij het bestreden besluit van 10 april 2007 wederom ongegrond verklaard.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 10 april 2007 (registratienummer: AWB 07/1491).

De beroepen zijn behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 14 maart 2008. Eisers zijn aldaar, zoals tevoren schriftelijk door hen meegedeeld, niet verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. A.H. Gersie, werkzaam bij de Svb, kantoor Amstelveen.

3. Overwegingen

Artikel 18, lid 2 en lid 3, aanhef onder a, van de Wet financiering volksverzekeringen (WFV), luidde ten tijde hier van belang als volgt:

“2. Een premieplichtige is schuldig nalatig indien hij nalaat de door hem op aanslag verschuldigde premie voor de volksverzekeringen te betalen. Voor zover de premieplichtige kan aantonen dat er omstandigheden aanwezig zijn op grond waarvan het niet betalen van de premie hem niet toegerekend kan worden, wordt afgezien van het schuldig nalatig stellen van de premieplichtige.

3. In afwijking van het tweede lid, wordt van het schuldig nalatig stellen niet afgezien indien:

a. de aanslag voor de premie voor de volksverzekeringen ambtshalve is vastgesteld omdat de premieplichtige geen of onvoldoende medewerking heeft verleend bij het vaststellen van het premie-inkomen;”

Artikel 18a van de WFV luidde ten tijde hier van belang als volgt:

“Het beroep kan niet zijn gegrond op het verweer dat de aanslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Het beroep kan slechts dan zijn gegrond op het verweer dat de aanslag niet is ontvangen, indien belanghebbende aannemelijk kan maken dat hij de aanslag nimmer ontvangen heeft en dat er geen omstandigheden zijn op grond waarvan het niet ontvangen van de aanslag hem kan worden toegerekend.”

Verweerder heeft aan de schuldig nalatig-verklaringen ten grondslag gelegd dat de belastingdienst aan de Svb heeft bericht dat eisers openstaande schulden hebben over de betreffende jaren, omdat zij de ambtshalve vastgestelde aanslagen voor premie volksverzekeringen over de betreffende jaren niet hebben voldaan.

Eisers kunnen zich hiermee niet verenigen. Op hun stellingen zal, voor zover nodig, in het navolgende worden ingegaan.

Eisers hebben aangevoerd dat geen sprake is van de situatie dat zij geen of onvoldoende medewerking hebben verleend bij het vaststellen van het premie-inkomen, en dat daarom het bepaalde in artikel 18, derde lid, aanhef en onder a van de WFV niet van toepassing is. Daarbij hebben eisers er op gewezen dat zij van juli 1994 tot juli 2003 in staat van faillissement hebben verkeerd en dat – kort gezegd – het doen van aangifte de verantwoordelijkheid van de curator was.

De rechtbank kan eisers hierin niet volgen. Ook tijdens faillissement is het de verantwoordelijkheid van de premieplichtige om aangifte te doen. De enkele omstandigheid dat een ambtshalve aanslag is vastgesteld, omdat geen aangifte is gedaan, leidt reeds tot de conclusie dat de premieplichtige geen of onvoldoende medewerking heeft verleend bij het vaststellen van het premie-inkomen. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 16 januari 2002, LJN: AD9464, en 10 december 2004, LJN: AR7737, alsmede op de Memorie van toelichting bij de Wijzigingswet Wet financiering volksverzekeringen, Kamerstukken II 1991/92, 22689, nr.3, p.8, alwaar het volgende is opgenomen:

“Een ander belangrijk knelpunt bij het schuldig nalatig stellen is dat er van het reële inkomen van de premieschuldige dient te worden uitgegaan. Indien de premieschuldige geen of slechts in geringe mate medewerking verleent bij het vaststellen van zijn werkelijke inkomen levert dit thans aanzienlijke problemen op om betrokkene schuldig nalatig te stellen. In de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) is bepaald dat een ieder aan wie een aangiftebiljet is uitgereikt, is gehouden aangifte te doen door dat biljet duidelijk, stellig en zonder voorbehoud ingevuld en ondertekend, met de daarin gevraagde bescheiden, in te leveren. Door het doen van een (volledige) aangifte wordt de inspecteur in staat gesteld een aanslag op te leggen. Via art. 14 WFV zijn de bepalingen van de AWR onverkort van toepassing voor de premieplichtige. In die gevallen waarin iemand niet voldoet aan zijn aangifteplicht wordt de aanslag ambtshalve vastgesteld. In het nieuwe derde lid van art. 18 wordt nu bepaald dat in een dergelijk geval niet van het schuldig nalatig stellen wordt afgezien. De SVR is het hiermee eens; de Raad acht het redelijk dat in een dergelijke situatie niet wordt afgezien van schuldig nalatig stellen, omdat het niet aan gaat dat iemand door te weigeren medewerking te verlenen in een gunstiger positie komt te verkeren.”

Het voorgaande betekent dat, indien ambtshalve aanslagen zijn vastgesteld, van het schuldig nalatig stellen niet kan worden afgezien.

Eisers hebben aangevoerd dat zij nooit ambtshalve aanslagen gezien hebben en het bestaan daarvan betwisten.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de op 29 april 2005 elektronisch aangeleverde gegevens van de belastingdienst blijkt dat ambtshalve aanslagen zijn vastgesteld. Naar aanleiding van de uitspraken van de rechtbank van 19 december 2006 heeft verweerder nadere informatie opgevraagd bij de belastingdienst waaruit naar de mening van verweerder onomstotelijk blijkt dat ambtshalve aanslagen zijn opgelegd.

Ingevolge artikel 5, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) – voor zover hier van belang – geschiedt het vaststellen van een belastingaanslag door het ter zake daarvan opstellen van een aanslagbiljet door de inspecteur en geldt de dagtekening van het aanslagbiljet als dagtekening van de vaststelling van de aanslag.

Bij de stukken bevinden zich de gegevens die de belastingdienst aan verweerder heeft geleverd. Per belastingjaar gaat het om twee pagina’s, een pagina “overzicht biljetten van een proces” en een pagina waarop de bedragen inkomstenbelasting (IB) en premie volksverzekeringen (PV) zijn vastgesteld. Op laatstgenoemde pagina is tevens bij de rubriek “Dagtekening:” een datum vermeld. De rechtbank gaat er van uit dat laatstbedoelde rubriek de dagtekening van een ambtshalve aanslag betreft.

De rechtbank is van oordeel dat op basis van deze gegevens voldoende aannemelijk is dat de inspecteur belastingaanslagen als bedoeld in artikel 5, lid 1, Awr heeft vastgesteld voor de jaren waarover eiseres respectievelijk eiser schuldig nalatig zijn gesteld, en dat het om ambtshalve aanslagen gaat.

De stelling van eisers dat zij nooit ambtshalve aanslagen hebben ontvangen, merkt de rechtbank tevens aan als een beroep op het bepaalde in artikel 18a, tweede volzin, van de WFV.

Artikel 8, lid 1, van de Invorderingswet 1990 bepaalt – voor zover hier van belang – dat de ontvanger de belastingaanslag bekendmaakt door toezending of uitreiking van het door de inspecteur voor de belastingschuldige opgemaakte aanslagbiljet.

Aangezien uit de gegevens die de belastingdienst aan verweerder heeft verstrekt niet blijkt aan welk adres de ambtshalve aanslagen zouden zijn verzonden, is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat die aanslagen daadwerkelijk zijn verzonden. Het ligt immers zo zeer voor de hand dat een essentieel gegeven als het adres waarnaar de aanslag wordt verzonden, wordt geregistreerd in de administratie van de belastingdienst, dat het ontbreken van die informatie twijfel doet rijzen of de aanslagen daadwerkelijk verzonden zijn. Ter zitting heeft de vertegenwoordiger van verweerder gesteld dat de ambtshalve aanslagen zijn verzonden naar het adres waar eisers op het moment van de verzending stonden ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie (GBA). De rechtbank acht deze enkele stelling onvoldoende om aan te nemen dat zulks het geval is geweest.

De vertegenwoordiger van verweerder heeft verzocht om verweerder zo nodig in de gelegenheid te stellen om te onderzoeken of de belastingdienst nog aanvullende gegevens kan verstrekken. De rechtbank ziet geen aanleiding dit verzoek te honoreren. De vertegenwoordiger heeft immers ter zitting verklaard dat de thans overgelegde gegevens alle gegevens zijn waarover de belastingdienst beschikt.

Weliswaar is in artikel 18a van de WFV bepaald dat het aan de belanghebbende is om aannemelijk te maken dat hij de aanslag nimmer ontvangen heeft en dat er geen omstandigheden zijn op grond waarvan het niet ontvangen van de aanslag hem kan worden toegerekend, maar dat neemt naar het oordeel van de rechtbank niet weg dat verweerder om te beginnen zal moeten stellen op welke datum en naar welk adres de ambtshalve aanslagen zijn verzonden, en zulks ook voldoende aannemelijk zal moeten maken. Zonder deze gegevens is het voor een belanghebbende immers niet duidelijk waartegen hij zich moet verweren, en is het redelijkerwijs ondoenlijk om aannemelijk te maken dat hij de aanslag nimmer heeft ontvangen en dat er geen omstandigheden zijn op grond waarvan het niet ontvangen van de aanslag hem kan worden toegerekend. Aldus zou een belanghebbende onevenredig geschaad worden in zijn verweermogelijkheden.

Het voorgaande betekent dat de bestreden besluiten onvoldoende zijn onderbouwd. De rechtbank zal de beroepen gegrond verklaren en de bestreden besluiten vernietigen. Verweerder zal, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, nieuwe beslissingen op bezwaar moeten nemen.

Nu niet gebleken is van door eisers gemaakte proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, acht de rechtbank geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb. Wel zal verweerder het door eisers betaalde griffierecht dienen te vergoeden.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

in de zaak met registratienummer 07/858:

- verklaart het beroep van eiseres tegen het besluit van 16 januari 2007 gegrond;

- vernietigt het besluit van 16 januari 2007;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de bezwaren van eiseres tegen de besluiten van 6 juli 2005;

- bepaalt dat de Svb het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 38 aan haar vergoedt;

in de zaak met registratienummer 07/1491:

- verklaart het beroep van eiser tegen het besluit van 10 april 2007 gegrond;

- vernietigt het besluit van 10 april 2007;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de bezwaren van eiser tegen de besluiten van 12 juli 2005;

- bepaalt dat de Svb het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 39 aan hem vergoedt.

Aldus gegeven door mr. D.J. Post, als voorzitter, en mrs. M. Groverman en A.G.A. Nijmeijer, als rechters, en door de voorzitter in tegenwoordigheid van J.B.M. Wassink, griffier, in het openbaar uitgesproken op 10 april 2008.

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 10 april 2008