Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BC9452

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
14-04-2008
Datum publicatie
15-04-2008
Zaaknummer
AWB 06/4583
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2009:BI5277, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het Uwv is bij de berekening van het WW-dagloon uitgegaan van het (lagere) WAO-vervolgdagloon op grond van artikel 13, zesde lid, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen (Stb. 2005, 546). De stelling van eiseres dat deze bepaling onverbindend is wegens strijd met artikel 45, eerste lid, van de WW, volgt de rechtbank niet. Het Uwv is dan ook terecht uitgegaan van het WAO-vervolgdagloon. De rechtbank komt tot een ander oordeel dan de rechtbank Utrecht in de uitspraak van 6 augustus 2007 (LJN: BB1791) en de rechtbank Maastricht in de uitspraak van 29 januari 2008 (LJN: BC3092).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 06/4583

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake

[naam], eiseres,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. H.W. Bemelmans,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 17 augustus 2006, uitgereikt door het Uwv te Nijmegen.

2. Procesverloop

Bij besluit van 15 juni 2006 heeft verweerder aan eiseres met ingang van 29 mei 2006 een loongerelateerde uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (hierna: WW) toegekend naar een dagloon van € 50,74.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 14 januari 2008. Eiseres is aldaar niet verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door de heer J. van den Elsaker.

3. Overwegingen

Eiseres ontving van 10 maart 2004 tot en met 28 mei 2006 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: WAO) naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Verweerder heeft met ingang van 29 mei 2006 de WAO-uitkering herzien en gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Ter aanvulling op de verlaagde WAO-uitkering heeft eiseres een WW-uitkering aangevraagd. Op grond van artikel 21b van de WAO werd de uitkering vóór 29 mei 2006 reeds verlaagd met als maatstaf het vervolgdagloon van € 101,47.

Nu de arbeidsongeschiktheidsuitkering van eiseres vóór 29 mei 2006 was gebaseerd op het WAO-vervolgdagloon, is verweerder bij de berekening van het WW-dagloon uitgegaan van het WAO-vervolgdagloon.

Eiseres heeft het standpunt van verweerder gemotiveerd bestreden. Op haar stellingen zal hierna, voor zover nodig, nader worden ingegaan.

Artikel 45, eerste lid, van de WW, zoals dat ten tijde van het bestreden besluit luidde, bepaalt dat voor de berekening van de uitkering waarop op grond van hoofdstuk II van de WW recht bestaat als dagloon wordt beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer verdiende in de periode van één jaar voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin het arbeidsurenverlies, bedoeld in artikel 16, eerste lid, is ingetreden, doch ten hoogste het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen, met betrekking tot een loontijdvak van een dag.

Het tweede lid van artikel 45 WW bepaalt dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur ten aanzien van de vaststelling van het dagloon, bedoeld in het eerste lid, en de herziening ervan nadere en zo nodig afwijkende regels worden gesteld.

Deze nadere - en zo nodig afwijkende regels - zijn neergelegd in het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen (Stb. 2005, 546), dat op 29 december 2005 in werking is getreden (hierna: het Besluit).

Artikel 13, tweede lid, van het Besluit bepaalt dat het WW-dagloon van de werknemer die op de eerste werkloosheidsdag, of op de eerste dag van herleving van het recht op werkloosheidsuitkering, een uitkering op grond van de WAO naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 80% ontvangt, wordt vastgesteld door evenredige verlaging van het laatstelijk geldende WAO-dagloon. Het WW-dagloon wordt in aanmerking genomen naar de mate waarin de uitkering, waarvoor het dagloon wordt vastgesteld, in de plaats is gekomen voor de uitkering op grond van de WAO.

De vaststelling bedoeld in het tweede lid geschiedt op grond van het vierde lid van artikel 13 van het Besluit volgens de volgende berekening:

A x (100 – B)/100

waarin:

A staat voor het WAO-dagloon, bedoeld in het tweede lid; en

B staat voor het midden van de arbeidsongeschiktheidsklasse die bij de vaststelling of hernieuwde vaststelling in acht wordt genomen.

Ingevolge artikel 13, zesde lid, van het Besluit wordt bij de toepassing van het eerste, tweede, vierde en vijfde lid voor “WAO-dagloon” gelezen: WAO-vervolgdagloon, indien de arbeidsongeschiktheidsuitkering laatstelijk was gebaseerd op een WAO-vervolgdagloon.

Eiseres heeft aangevoerd dat artikel 13, zesde lid, van het Besluit in strijd is met de verzekeringsgedachte, zoals neergelegd in de WW en dientengevolge onverbindend wegens strijd met een hogere regeling (artikel 45, eerste lid, van de WW). Zij verwijst in dat verband naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) van 15 januari 1998 (LJN: ZB7503), waarin - kort samengevat - wordt geoordeeld dat met de totstandkoming van artikel 14, tweede lid, van de toenmalige Dagloonregels Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid, voorzover daarbij is bepaald dat het WW-dagloon gelijk is aan het WAO-vervolgdagloon, de regelgever is getreden buiten de grenzen van het toenmalige artikel 34, tweede, derde en zesde lid, van de Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid (hierna: IWS), zodat die bepaling in zoverre als onverbindend buiten toepassing dient te blijven. Onder verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Utrecht van 6 augustus 2007 (LJN: BB1791) stelt eiseres dat hetgeen de CRvB ten aanzien van artikel 14, tweede lid, van de toenmalige Dagloonregels IWS heeft overwogen, evenzeer geldt ten aanzien van het bepaalde in artikel 13, zesde lid, van het Besluit.

De rechtbank kan dit standpunt van eiseres niet volgen. Overwogen wordt dat met de invoering van de Wet administratieve lastenverlichting en vereenvoudiging in sociale verzekeringswetten (hierna: Wet WALVIS) het bepaalde in artikel 34, eerste, tweede, derde en zesde lid, van de IWS is komen te vervallen en artikel 45 van de WW van toepassing is geworden (zie Stb. 2004, 311, 348 en Stb. 2005, 708).

Anders dan onder het regime van de IWS het geval was, wordt door artikel 45, tweede lid, van de WW thans voorzien in een formeel-wettelijke grondslag om bij of krachtens algemene maatregel van bestuur ten aanzien van de vaststelling van het dagloon, bedoeld in het eerste lid, nadere en zo nodig afwijkende regels te stellen. Om die reden kan niet langer worden gezegd dat door een lagere regeling buiten de grenzen van een formeel-wettelijke bepaling wordt getreden.

Voorts kan naar het oordeel van de rechtbank niet gezegd worden dat artikel 13, zesde lid, van het Besluit in strijd komt met de verzekeringsgedachte, zoals neergelegd in de WW. In dit verband wordt overwogen dat met de inwerkingtreding van artikel 45 van de WW het loondervingsbeginsel niet geheel is losgelaten. Dit blijkt reeds uit het feit dat eiseres vóór 29 mei 2006 gedurende een periode van zes maanden een loondervingsuitkering heeft ontvangen en aansluitend daarop een vervolguitkering met als maatstaf het vervolgdagloon. Bij de vaststelling van dit vervolgdagloon wordt op grond van het bepaalde in artikel 21b, tweede lid, van de WAO, uitgegaan van het minimumloon verhoogd met een percentage van het verschil tussen het dagloon en het minimumloon.

Het bepaalde in artikel 13, zesde lid, van het Besluit past naar het oordeel van de rechtbank dan ook binnen dit wettelijk systeem, nu - zoals ook op pagina 30 van de Nota van Toelichting bij het Besluit met zoveel woorden wordt opgemerkt - enkel indien de WAO-uitkering is gebaseerd op het vervolgdagloon, het bedrag van dat vervolgdagloon ten aanzien van de WW-uitkering als dagloon wordt gehanteerd. Hiermee wordt voorkomen, aldus de Nota van Toelichting, dat de overgang van een WAO-vervolguitkering naar een WW-uitkering leidt tot een verhoging van het dagloon.

Eiseres heeft verder aangevoerd dat artikel 13, zesde lid, van het Besluit in strijd is met het bepaalde in artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Algemene wet gelijke behandeling. Volgens eiseres is sprake van een indirect onderscheid op grond van andere hoedanigheden of gedragingen dan bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van deze wet, dat direct onderscheid tot gevolg heeft. Daarbij doelt eiseres op een onderscheid tussen gehandicapten en niet-gehandicapten.

Onder verwijzing naar de uitspraak van de CRvB van 25 maart 2004 (LJN: AO6915) is de rechtbank van oordeel dat van ongelijke behandeling als door eiseres bedoeld geen sprake is, daar zij ten tijde van de toekenning van haar WW-uitkering in een andere positie verkeerde dan een verzekerde die voorafgaand aan zijn eerste werkloosheidsdag als werknemer werkzaam was.

Van strijd van artikel 13, zesde lid, van het Besluit met de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte is de rechtbank evenmin gebleken. Zoals hierboven reeds is overwogen, is van ongelijke behandeling geen sprake.

Eiseres betoogt dat verweerder op grond van artikel 11 van de WW als werkgever wordt beschouwd indien deze - onder meer - een WAO-uitkering verstrekt. Dit artikel heeft naar het oordeel van de rechtbank echter slechts tot strekking dat verweerder verplicht is tot het inhouden van sociale verzekeringspremies.Bovendien valt het recht op een WW-uitkering

- anders dan eiseres stelt - niet onder het bereik van ‘arbeidsvoorwaarden’ als bedoeld in artikel 4 van de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte.

Tot slot heeft eiseres aangevoerd dat in het bestreden besluit ten onrechte niet is bepaald dat zij bij blijvende werkloosheid nog recht heeft op een vervolguitkering van twee jaren. In dat verband heeft eiseres verwezen naar een brief van de heer [naam], [functie] bij verweerder, van 23 augustus 2006, waarin is aangegeven dat verweerder ambtshalve dient te toetsen of er sprake is van een recht op een vervolguitkering.

In voornoemde brief wordt namens verweerder gesteld dat personen van wie op of na 11 augustus 2003 de volledige arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt verlaagd of ingetrokken onder het op 1 januari 2004 in werking getreden (Stb. 2003, 547) in artikel 130h van de WW neergelegde overgangsrecht vallen als zij meer dan twee jaren voorafgaande aan 11 augustus 2003 arbeidsongeschikt waren. Deze personen hebben recht op de door eiseres bedoelde vervolguitkering.

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiseres niet onder dit overgangsrecht valt, aangezien zij eerst sinds 10 maart 2004 - en dus geen twee jaren voorafgaand aan 11 augustus 2003 - recht had op een volledige

arbeidsongeschiktheidsverzekering. Ook deze beroepsgrond is derhalve tevergeefs voorgesteld.

Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

Reeds daarom is er geen grond voor toekenning van schadevergoeding als bedoeld in artikel 8:73 van de Awb.

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond;

wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus gegeven door mr. J.M. Neefe, voorzitter, en mrs. E. Klein Egelink en L. van Gijn, in tegenwoordigheid van mr. J. Woestenburg, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2008.

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 14 april 2008