Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BC9426

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
28-03-2008
Datum publicatie
15-04-2008
Zaaknummer
167576
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Voor zover gedaagde stelt dat eiser niet-ontvankelijk is in zijn vorderingen op grond van het feit dat door verstrekking van de NAW-gegevens een onomkeerbare situatie ontstaat, waarvoor een vordering in kort geding zich niet leent, dan kan deze stelling niet als juist worden aanvaard. Weliswaar is het zo dat een bevel om de onderhavige NAW-gegevens te verstrekken tot een onomkeerbare situatie zal leiden, maar dit komt echter vaker voor bij in kort geding gegeven voorzieningen en kan, indien de eisende partij een voldoende, rechtmatig en spoedeisend belang bij de gevorderde voorzieningen heeft, op zich geen grond vormen om een dergelijke voorziening niet te treffen.

Kernvraag die in dit kort geding dient te worden beantwoord is, of de handelwijze van gedaagden onrechtmatig is jegens eiser. Bij de beantwoording van deze vraag dient daarbij het volgende in ogenschouw te worden genomen. In een situatie als de onderhavige, waarin de ene werkgever de andere werkgever, die van dezelfde open kantoorruimte gebruik maakt, op de hoogte stelt van het feit dat een werknemer van de een een werkneemster van de ander lastig valt, is van onrechtmatig handelen in beginsel geen sprake indien de daaraan ten grondslag gelegde beschuldigingen niet a priori onjuist zijn, niet onnodig grievend zijn en met zoveel mogelijk concrete feiten zijn onderbouwd. De keerzijde hiervan is dat een dergelijke mededeling onder omstandigheden wel onrechtmatig kan zijn, indien de beschuldigingen lichtvaardig zijn gedaan of apert onjuist zijn en/of indien de beschuldigde door die mededeling onnodig veel schade wordt berokkend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2008-0275

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 167576 / KG ZA 08-169

Vonnis in kort geding van 28 maart 2008

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat en procureur mr. S.A. van Snippenburg,

tegen

[gedaagde],

h.o.d.n. [xxx],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. K.F.J. Machielsen te Utrecht.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties

- de producties van [gedaagde]

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [eiser]

- de pleitnota van [gedaagde].

1.2. Vanwege de spoedeisendheid van de zaak is daarin op 28 maart 2008 vonnis gewezen. Hierna zullen de overwegingen van dat vonnis worden gegeven.

2. De feiten

2.1. [eiser] is sinds 1 mei 1987 in dienst bij het Centrum voor Werk en Inkomen (CWI), respectievelijk haar rechtsvoorganger. [eiser] oefent de functie uit van ‘adviseur werk en inkomen’.

2.2. [eiser] is regulier werkzaam ten behoeve van de vestiging van CWI in Nijmegen. In het kader van een reïntegratieplan is hij in de periode van medio oktober 2007 tot begin januari 2008 werkzaam geweest in de vestiging van CWI in Tiel, aan de Nieuwe Tielseweg 112a.

2.3. Küçükuslu exploiteert een uitzendbureau onder de naam [gedaagde]. Dit uitzendbureau is eveneens gevestigd in het pand aan de [adres]

2.4. Bij brief van 15 januari 2008 (in deze brief is abusievelijk vermeld 15 januari 2007) heeft de heer [XXX], vestigingsmanager van [gedaagde], onder meer het volgende geschreven aan de heer [XXX], werkzaam bij CWI Oost te Deventer:

“Langs deze weg wil ik bij u e.e.a. bij u onder de aandacht brengen.

Een van uw collega’s te weten Dhr. [eiser] op het CWI in Tiel een van mijn medewerksters onbetamelijk heeft benadert.

Herhaaldelijk heeft hij toenadering gezocht met amoureuze bedoelingen. Mijn medewerkster was hier niet tegen opgewassen en heeft mij gevraagd hoe hiermee om te gaan. Ik heb haar geadviseerd om geen contact aan te gaan en heb dit vervolgens neergelegd bij uw Team Coordinator Mevr. M. [XXX], CWI Tiel.

Wat ik heb kunnen inventariseren is dat Dhr. [eiser] herhaaldelijk pogingen heeft ondernomen om met mijn medewerkster een privé afspraak te willen organiseren. Dit ging zelfs zo ver dat hij op enig moment zijn mobilenummer ging verstrekken. En zichzelf begon uit te nodigen om bij haar thuis wat te komen drinken. Zelfs onder werktijd aan het bureau verschijnen met dubbelzinnige intimiderende opmerkingen.

U begrijpt dat zij hierdoor, de hele situatie dermate vervelend begon te vinden, zij zelfs niet meer naar het toilet durfde of om b.v. koffie te gaan halen. Hierdoor zou zij op zichtafstand van dhr. [xxx] zijn werkplek bevinden. Zelfs vanaf haar eigen werkplek bekroop haar de angst om met hem geconfronteerd te worden.

Ware het niet dat mijn collega in een normale situatie zelf wel haar mannetje had zullen staan, dan had zij dit zelf wel kunnen mededelen aan de leidinggevende van dhr. [xxx] ofwel aan dhr [xxx] zelf. Echter doordat zij recentelijk bij ons bureau werkzaam is en niet alle collega’s van de ketenpartners kent en niet weet wat zij wel of niet mag / kan zeggen heb ik dit op me genomen.

Ik vertrouw erop u voldoende te hebben ingelicht en reken op uw medewerking om dit gedrag en zijn houding naar mijn collega’s te elimineren.”

2.5. Enige tijd voor het schrijven van voornoemde brief heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen [XXX], de in de brief onbekend gebleven medewerkster en mevrouw M. [XXX] van CWI. Daarna heeft [XXX] een gesprek gehad met [eiser].

2.6. CWI heeft bij de rechtbank Arnhem, locatie kantongerecht Nijmegen, een procedure aanhangig gemaakt ten einde te komen tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [eiser]. Op 31 maart 2008 vindt de mondelinge behandeling hiervan plaats. Sinds medio januari 2008 is [eiser] reeds geschorst.

2.7. Bij brief van 27 februari 2008 heeft de advocaat van [eiser] CWI, in de persoon van mr. M.J. Aanen, afdeling bedrijfsjuridisch advies, gesommeerd om uiterlijk binnen 24 uur schriftelijk te bevestigen dat de anonieme klacht buiten beschouwing wordt gelaten, alsmede dat de klachtbrief en de daarop gebaseerde grondslag buiten de ontbindingsprocedure wordt gesteld.

2.8. In reactie op voornoemde brief heeft mr. Aanen bij brief van 28 februari 2008 de advocaat van [eiser] bericht geen enkele aanleiding te zien om de klachtbrief van [gedaagde] niet mee te nemen in de ontbindingsprocedure en de klacht buiten beschouwing te laten.

2.9. Bij brief van 4 maart 2008 heeft de advocaat van [eiser] [XXX] gesommeerd om uiterlijk binnen twee maal 24 uur schriftelijk de personalia van de betrokken medewerkster te verstrekken.

2.10. Bij brief van 6 maart 2008 heeft [XXX] onder meer het volgende aan de advocaat van [eiser] bericht:

“Handelend uit goed werkgeverschap met daarin de taak voor mijn personeel verantwoordelijk te zijn en ervoor zorg te dragen dat de werkzaamheden naar behoren kunnen worden uitgevoerd heb ik mijn verantwoordelijkheid genomen om mijn ongenoegen over het gedrag van dhr. [eiser] kenbaar te maken bij zijn leidinggevende.

Het vervolg hierop is een zaak tussen CWI en uw cliënt. Wij staan hier volledig buiten.

Derhalve deel ik u hierbij mede dat ik niet genegen ben om NAW gegevens van mijn werkneemster te overhandigen. Uw partij in deze is het CWI en niet mijn werkneemster.”

2.11. In reactie op voornoemde brief heeft de advocaat van [eiser] bij brief van 10 maart 2008 onder meer het volgende aan [gedaagde] en [XXX] bericht:

“De huidige stand van zaken beziend, dien ik ervan uit te gaan dat uwerzijds niet de bereidheid bestaat de betreffende NAW-gegevens van uw medewerkster te vestrekken, noch tot intrekking van de klachtbrief van 15 januari 2008. Cliënt zal hieromtrent het oordeel van de kort gedingrechter vragen. (…)

Slechts indien u mij alsnog uiterlijk vóór morgenochtend 12.00 uur schriftelijk bevestigt dat u bereid bent de klachtbrief per omgaand in te trekken en u voorts u zult onthouden van verdere negatieve uitlatingen omtrent cliënt, kan ik mijn cliënt wellicht zo ver krijgen de zaak vooralsnog niet verder door te zetten.

Indien niet aan voormelde sommatie wordt voldaan, stel ik tot uiterlijk vóór morgenochtend 12.00 uur in de gelegenheid de NAW-gegevens van de heer [XXX] te verstrekken (dan wel diens schriftelijke bericht dat hij gedagvaard kan worden op het kantooradres van zijn werkgever en dat hij daartoe domicilie op dat kantooradres kiest), (…)”

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert dat:

primair

a. [gedaagde] wordt bevolen om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis de brief van 15 januari 2008 gericht aan CWI Oost in Deventer in te trekken, en wel door het doen van een schriftelijke mededeling van deze inhoud of strekking aan CWI Oost;

b. [gedaagde] wordt verboden zich jegens derde(n) uit te laten overeenkomstig de inhoud en strekking van de brief van 15 januari 2008 gericht aan CWI Oost in Deventer;

c. [gedaagde] wordt bevolen om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis [eiser] de NAW-gegevens van de betrokken medewerkster schriftelijk kenbaar te maken, en wel door een schriftelijke mededeling daarvan aan de raadsman van [eiser] (de advocaat en procureur mr. S.A. van Snippenburg, Promenade 2, 6581 BV Malden);

d. [gedaagde] wordt bevolen om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis [eiser] de NAW-gegevens van de heer [XXX] schriftelijk kenbaar te maken, en wel door een schriftelijke mededeling daarvan aan de raadsman van [eiser] (de advocaat en procureur mr. S.A. van Snippenburg, Promenade 2, 6581 BV Malden);

subsidiar

e. [gedaagde] wordt veroordeeld om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis de heer [XXX], op straffe van een dwangsom, te bevelen zijn klachtbrief van 15 januari 2008 gericht aan CWI Oost in Deventer, in te trekken, en wel door het doen van een schriftelijke mededeling van deze inhoud of strekking aan CWI Oost;

f. [gedaagde] wordt verboden zich jegens derde(n) uit te laten overeenkomstig de inhoud en strekking van de brief van 15 januari 2008 gericht aan CWI Oost in Deventer;

een en ander telkens op straffe van een dwangsom;

primair en subsidiair

g. [gedaagde] wordt veroordeeld in de kosten van dit kort geding.

3.2. [eiser] legt het volgende aan zijn vorderingen ten grondslag. De door [XXX] geuite beschuldigingen in de brief van 15 januari 2008, waarvoor [gedaagde] op grond van artikel 6:170 BW aansprakelijk kan worden gehouden, zijn onjuist en daarmee onrechtmatig jegens [eiser]. Hij lijdt hierdoor zowel materiële als immateriële schade. [eiser] wenst zich te verweren tegen de beschuldigingen die [XXX] hem geanonimiseerd heeft toegedicht. Reëel verweer tegen een geanonimiseerde klacht is echter niet of nauwelijks mogelijk. [eiser] wenst derhalve verificatoir onderzoek te (laten) verrichten naar de mededelingen van de anonieme werkneemster waarop [XXX] zich in zijn brief baseert. Met het oog daarop is het noodzakelijk dat [gedaagde] de NAW-gegevens van die medewerkster kenbaar maakt. Ook de NAW-gegevens van [XXX] dient [gedaagde] kenbaar te maken. Als degene die feitelijk namens [gedaagde] heeft gehandelend is [XXX] immers ook aansprakelijk en verantwoordelijk voor zijn ter discussie staand handelen. Omdat [gedaagde] ook na aanmaning en sommatie onverkort persisteert in de klacht, terwijl daaraan geen verificatoire feiten ten grondslag liggen, dient [gedaagde] bovendien de klachtbrief van 15 januari 2008 in te trekken en dient het haar verboden te worden zich overeenkomstig de inhoud van die brief andermaal publiekelijk te uiten.

3.3. [gedaagde] voert gemotiveerd verweer waarop, voor zover van belang, hierna zal worden ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Voor zover [gedaagde] stelt dat [eiser] niet-ontvankelijk is in zijn vorderingen op grond van het feit dat door verstrekking van de NAW-gegevens een onomkeerbare situatie ontstaat, waarvoor een vordering in kort geding zich niet leent, dan kan deze stelling niet als juist worden aanvaard. Weliswaar is het zo dat een bevel aan [gedaagde] om de onderhavige NAW-gegevens aan [eiser] te verstrekken tot een onomkeerbare situatie zal leiden, maar dit komt echter vaker voor bij in kort geding gegeven voorzieningen en kan, indien de eisende partij een voldoende, rechtmatig en spoedeisend belang bij de gevorderde voorzieningen heeft, op zich geen grond vormen om een dergelijke voorziening niet te treffen.

4.2. Het spoedeisend belang vloeit voort uit de stellingen van [eiser].

4.3. Kernvraag die in dit kort geding dient te worden beantwoord is, of de handelwijze van [gedaagde]/[XXX] onrechtmatig is jegens [eiser]. Bij de beantwoording van deze vraag dient daarbij het volgende in ogenschouw te worden genomen. In een situatie als de onderhavige, waarin de ene werkgever ([gedaagde]) de andere werkgever (CWI), die van dezelfde open kantoorruimte gebruik maakt, op de hoogte stelt van het feit dat een werknemer van de een ([eiser]) een werkneemster van de ander ([gedaagde]) lastig valt, is van onrechtmatig handelen in beginsel geen sprake indien de daaraan ten grondslag gelegde beschuldigingen niet a priori onjuist zijn, niet onnodig grievend zijn en met zoveel mogelijk concrete feiten zijn onderbouwd. De keerzijde hiervan is dat een dergelijke mededeling onder omstandigheden wel onrechtmatig kan zijn, indien de beschuldigingen lichtvaardig zijn gedaan of apert onjuist zijn en/of indien de beschuldigde door die mededeling onnodig veel schade wordt berokkend.

4.4. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is in dit kort geding niet vast te stellen of de brief van [XXX] van 15 januari 2008 in de gegeven omstandigheden onrechtmatig is jegens [eiser]. Immers, niet kan worden uitgesloten dat de in die brief vervatte beschuldigingen aan het adres van [eiser] juist zijn. Anderzijds kan evenmin worden uitgesloten dat de beschuldigingen onjuist zijn. Nu over de feitelijke inhoud van de brief in dit kort geding niets kan worden gezegd, kan derhalve niet a priori met voldoende mate van zekerheid worden aangenomen dat [gedaagde] en/of [XXX] onrechtmatig hebben gehandeld jegens [eiser]. [eiser] valt toe te geven dat de brief kwalificaties bevat waarvan de vraag is of die door de feiten worden gedekt. Maar die kwalificaties zijn niet zodanig dat die op zichzelf reeds onrechtmatig zijn jegens [eiser]. Daarbij komt nog dat vooralsnog niet onaannemelijk is dat het schrijven van een dergelijke brief geboden kan zijn op grond van de Arbeidsomstandighedenwet. Een en ander maakt dat er naar het oordeel van de voorzieningenrechter thans geen grond bestaat de brief van 15 januari 2008 te laten intrekken. Het primair gevorderde onder 3.1. sub a, evenals het subsidiair gevorderde onder 3.1. sub e, zal dan ook worden afgewezen. Nu vaststaat dat bepaalde mededelingen/beschuldigingen in de brief zijn gedaan en dat deze bij CWI bekend zijn geworden, brengt het intrekken van de brief als zodanig daarin op zichzelf ook geen verandering. Ten slotte wordt nog opgemerkt dat [eiser] in de ontbindingsprocedure bij de kantonrechter de juistheid van de inhoud van de brief ter discussie kan stellen.

4.5. Met betrekking tot het primair gevorderde onder 3.1. sub b (een verbod zich jegens derde(n) uit te laten overeenkomstig de inhoud en strekking van de brief) wordt het volgende overwogen. Zoals hiervoor reeds is weergegeven, is in het kader van dit kort geding niet vast te stellen of de mededelingen/beschuldigingen in de bewuste brief juist zijn. Vaststaat wel dat de bewuste brief is verstuurd en dat dit kennelijk een eenmalig karakter heeft gehad. [gedaagde] heeft ter zitting bij monde van [XXX] immers aangegeven dat niet nogmaals een brief naar CWI zal worden verzonden. Volgens [XXX] is voor [gedaagde] na het versturen van de brief van 15 januari 2008 de kous af. Verder is van belang dat [eiser] al geruime tijd niet meer werkzaam is in het pand aan de [adres] Onder deze omstandigheden is het naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk dat [gedaagde] met betrekking tot deze kwestie nogmaals een brief aan CWI, dan wel aan anderen zal zenden, of dat [gedaagde] zich op ander wijze overeenkomstig de brief jegens derden zal uitlaten. Daarbij speelt bovendien een rol dat op geen enkele wijze is komen vast te staan dat de brief van 15 januari 2008 daadwerkelijk openbaar is gemaakt. Het primair gevorderde onder 3.1. sub b, evenals het subsidiair gevorderde onder 3.1. sub f zal dan ook worden afgewezen.

4.6. Met betrekking tot het primair gevorderde onder 3.1. sub c en d (het verstrekken van de NAW-gegevens van de betrokken medewerkster en [XXX]) wordt het volgende overwogen. [eiser] stelt dat hij zich wenst te verweren tegen de beschuldigingen die [XXX] hem geanonimiseerd heeft toegedicht in de brief van 15 januari 2008. Omdat reëel verweer tegen een geanonimiseerde klacht niet of nauwelijks mogelijk is, wenst [eiser] verificatoir onderzoek te (laten) verrichten naar de mededelingen van de anonieme werkneemster waarop [XXX] zich in zijn brief baseert. Om de medewerkster en [XXX] daartoe in een voorlopig getuigenverhoor op de juiste wijze te kunnen oproepen, is het noodzakelijk dat [eiser] over de NAW-gegevens van deze personen beschikt.

4.7. Voorop wordt gesteld dat op grond van artikel 6:170 BW [gedaagde] aansprakelijk kan zijn voor de door [eiser] (eventueel) geleden schade ten gevolge van de door haar vestigingsmanager, [XXX], geschreven brief van 15 januari 2008. Voorts vloeit naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter uit de regels van ongeschreven recht voort dat in een situatie als de onderhavige en met het oog op een eventueel te voeren bodemprocedure in het kader van een voorlopig getuigenverhoor [gedaagde] gehouden is de NAW-gegevens te verstrekken van zowel degene die feitelijk de bewuste brief heeft geschreven, als van degene die in die brief wordt genoemd als (anoniem gebleven) klaagster. [eiser] heeft er een rechtmatig belang bij zich tegen anonieme beschuldigingen aan zijn werkgever te kunnen verweren en daartoe opheldering te verkrijgen door het doen horen van de desbetreffende personen. [gedaagde] handelt onrechtmatig door deze NAW-gegevens niet na daartoe strekkende verzoeken af te geven, behoudens uitzonderlijke omstandigheden.

4.8. Vaststaat dat (de advocaat van) [eiser] [gedaagde] (in de persoon van [XXX]) verschillende malen tevergeefs heeft verzocht de NAW-gegevens van de anonieme medewerkster en [XXX] te verstrekken. In zoverre handelt [gedaagde] dan ook onrechtmatig jegens [eiser]. De voorzieningenrechter ziet dan ook aanleiding om de gevorderde bevelen met betrekking tot het kenbaar maken van de NAW-gegevens van de betrokken medewerkster en [XXX] toe te wijzen, met dien verstande dat deze gegevens binnen drie dagen na betekening van dit vonnis aan [eiser] dienen te zijn verstrekt. De daarbij aan [gedaagde] op te leggen dwangsommen zullen worden gematigd en gemaximeerd in voege zoals hierna aan te geven.

4.9. Artikel 9 lid 1 Wet bescherming persoonsgegevens (WBP) staat aan toewijzing van vorenbedoelde vorderingen niet in de weg, nu op grond van artikel 43 sub e WBP de verantwoordelijke artikel 9 WBP buiten toepassing kan laten voor zover dit noodzakelijk is in het belang van de rechten en vrijheden van anderen. Het is voorshands voldoende duidelijk dat rechten van [xxx] in het geding kunnen komen indien hij zich niet tegen anonieme beschuldigingen kan verweren.

Ten slotte verwerpt de voorzieningenrechter het verweer van [gedaagde] dat zij gezien de aard van de klacht de NAW-gegevens niet aan [eiser] kan verstrekken, omdat de betrokken medewerkster zich dan ook thuis niet meer veilig zal kunnen voelen. Ter zitting heeft [gedaagde] immers zelf aangegeven dat na het gesprek van [XXX] van CWI met [eiser] de betrokken medewerkster niet meer is lastiggevallen door [eiser]. In zoverre is de vrees voor het verder (privé) lastigvallen van deze medewerkster door [eiser] vooralsnog niet gerechtvaardigd.

4.10. [gedaagde] zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 85,44

- vast recht € 254,00

- salaris procureur € 816,00

Totaal € 1.155,44

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1. beveelt [gedaagde] om binnen drie (3) dagen na betekening van dit vonnis [eiser] de NAW-gegevens van de betrokken medewerkster schriftelijk kenbaar te maken, en wel door een schriftelijke mededeling daarvan aan de raadsman van [eiser] (de advocaat en procureur mr. S.A. van Snippenburg, Promenade 2, 6581 BV Malden);

5.2. beveelt [gedaagde] om binnen drie (3) dagen na betekening van dit vonnis [eiser] de NAW-gegevens van de heer [XXX] schriftelijk kenbaar te maken, en wel door een schriftelijke mededeling daarvan aan de raadsman van [eiser] (de advocaat en procureur mr. S.A. van Snippenburg, Promenade 2, 6581 BV Malden);

5.3. veroordeelt [gedaagde] om, ingeval zij in gebreke mocht blijven een of beide bovenstaande bevelen op te volgen, aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 1.000,00 voor iedere dag, een deel van een dag daaronder begrepen, dat [gedaagde] met de nakoming daarvan in gebreke blijft, echter met een maximum van € 50.000.00,-;

5.4. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.155,44;

5.5. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.6. weigert het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.B. Boonekamp en in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2008 in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. van Gameren, terwijl de overwegingen waarop de beslissing stoelt afzonderlijk zijn vastgelegd op 11 april 2008.