Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BC9415

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
17-03-2008
Datum publicatie
14-04-2008
Zaaknummer
AWB 07/3924
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Boete op grond van de Wet arbeid vreemdelingen. Een handgeschreven bijlage bij het inlichtingen- en verhoorformulier met betrekking tot het verhoor van een vreemdeling 4 is niet ondertekend of geparafeerd door de vreemdeling 4, zodat onvoldoende vaststaat dat hij een overeenkomstige verklaring heeft afgelegd. Mede gelet daarop is het bestreden besluit ten aanzien van de vreemdelingen 2 en 3 enkel gebaseerd op het feit dat zij in de bedrijfsruimte van eiser aanwezig waren op het moment van de controle. Zonder ondersteunend bewijs is dit naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te concluderen dat de vreemdelingen 2 en 3 ook daadwerkelijk arbeid voor eiser hebben verricht. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 07/3924

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van

inzake

[eiser], eiser,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door H. Yurdusen,

tegen

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 15 augustus 2007.

2. Procesverloop

Bij besluit van 6 maart 2007 heeft verweerder eiser een bestuurlijke boete van € 20.000 op grond van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) opgelegd.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 4 februari 2008. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door H. Yurdusen voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.E. Tichelaar, werkzaam bij verweerders ministerie.

3. Overwegingen

Eiser exploiteert in de vorm van een eenmanszaak een bakkersbedrijf. Op 14 september 2006 hebben inspecteurs van de Arbeidsinspectie in verband met een controle in het kader van de Wav de bedrijfsruimte van eiser bezocht. Daarbij zijn eiser en een vijftal aanwezige vreemdelingen met de Poolse nationaliteit gehoord. Uit deze verhoren en de eigen waarnemingen hebben de inspecteurs de conclusie getrokken dat de vijf vreemdelingen voor eiser werkzaamheden hebben verricht. Het gaat om [vreemdeling 1] (vreemdeling 1), [vreemdeling 2] (vreemdeling 2), [vreemdeling 3] (vreemdeling 3), [vreemdeling 4] (vreemdeling 4) en [vreemdeling 5] (vreemdeling 5). De bevindingen van het onderzoek zijn verwoord in een op ambtseed en ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend boeterapport van 30 oktober 2006. Omdat eiser niet over een tewerkstellingsvergunning voor de vreemdelingen beschikte, heeft verweerder de boete opgelegd.

Aan het bestreden besluit ligt kort gezegd het standpunt van verweerder ten grondslag dat de bevindingen in het boeterapport tot de conclusie dienen te leiden dat eiser zonder in het bezit te zijn van tewerkstellingsvergunningen de vreemdelingen arbeid heeft laten verrichten. Aangezien het boeterapport op ambtseed is opgemaakt, gaat verweerder uit van de juistheid van dit rapport, afgezien van één kennelijke vergissing met betrekking tot de aard van de werkzaamheden van vreemdeling 1, die er niet toe heeft geleid dat eiser in zijn belangen is geschaad. Voorts heeft eiser zich naar de mening van verweerder onvoldoende ingespannen om de overtredingen te voorkomen. Bijzondere omstandigheden die aanleiding geven om de boete te matigen of in te trekken, zijn verweerder niet gebleken.

Eiser heeft het bestreden besluit gemotiveerd aangevochten en betwist met name het standpunt van verweerder dat de vreemdelingen arbeid voor hem hebben verricht. Op deze stelling en de andere stellingen zal de rechtbank hierna, voor zover nodig, ingaan.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wav is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.

De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie ABRvS 15 februari 2001, AB 2001, 194) aan de bewijsvoering van de overtreding en aan de motivering van het sanctiebesluit strenge eisen dienen te worden gesteld, juist omdat het gaat om een punitieve sanctie. De rechter moet daarbij, behoudens tegenbewijs, uitgaan van de juistheid van op ambtseed of op ambtsbelofte opgemaakte en ondertekende rapporten en processen-verbaal. De rechtbank stelt vast dat het boeterapport van 30 oktober 2006 op ambtseed en op ambtsbelofte is opgemaakt en ondertekend. Dit geldt tevens voor de als bijlagen bij dit rapport gevoegde inlichtingen- en verhoorformulieren die de verhoren van de vijf vreemdelingen bevatten met uitzondering van een vel papier dat achter het inlichtingen- en verhoorformulier van vreemdeling 4 is gevoegd.

Eiser heeft in zijn algemeenheid aangevoerd dat de inspecteurs geen van de vijf vreemdelingen hebben betrapt op het bakken van brood. In dat kader heeft eiser tevens aangevoerd dat vanwege een verbouwing tijdens de controle in de bedrijfsruimte geen brood werd gebakken. Weliswaar wordt in het boeterapport aangegeven dat tijdens de controle een oven aanstond en dat deze hitte uitstraalde, maar volgens eiser ging het slechts om een magnetron, die bedoeld was voor het bereiden van deegwaren voor eigen consumptie door de vreemdelingen.

Dit betoog slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat voor het vaststellen van een overtreding niet is vereist dat de vreemdeling op heterdaad wordt betrapt op het verrichten van arbeid, maar dat dit ook uit andere feiten of omstandigheden of afgelegde verklaringen van betrokkenen kan blijken. Verder kan voor de stelling dat het niet om een oven ging maar om een magnetron, in de gedingstukken geen steun worden gevonden. Uit het boeterapport blijkt dat de oven hitte uitstraalde. Voorts blijkt uit het boeterapport dat ter plekke bestanddelen zoals meel, verschillende kneedtafels en attributen voor het vervaardigen van brood of andere deegwaren aanwezig waren. Tevens waren twee vreemdelingen tijdens de controle in bedrijfskleding gekleed. Eiser heeft zijn stelling dat het om andersoortige kleding ging niet nader onderbouwd, zodat van de juistheid van het boeterapport moet worden uitgegaan. Tenslotte vindt de rechtbank voor de stelling van eiser dat er tijdens de controle een verbouwing plaatsvond die het bakken van brood onmogelijk maakte, geen steun in de gedingstukken en is de stelling ook verder niet aannemelijk gemaakt door eiser. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat ten tijde van de controle brood ten behoeve van eisers onderneming kon worden gebakken en ook andere werkzaamheden konden worden verricht.

Ten aanzien van de individuele vreemdelingen overweegt de rechtbank het volgende.

Ten aanzien van vreemdeling 1

Volgens het boeterapport was vreemdeling 1 tijdens de controle bezig met het verplaatsen van kratjes met paprika’s, was hij daarbij in bakkerskleding gekleed en bevonden zich verspreid in de onderneming identieke kratjes. Voorts blijkt uit het inlichtingen- en verhoorformulier van vreemdeling 1 dat hij bij zijn verhoor heeft aangegeven dat hij sinds één dag voor eiser werkzaam was. Mede gezien de omstandigheid dat er meerdere kratjes zijn aangetroffen, acht de rechtbank niet aannemelijk dat de paprika’s (uitsluitend) voor eigen gebruik bestemd waren. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat vreemdeling 1 met het verplaatsen van de kratjes ten behoeve van eisers onderneming arbeid heeft verricht.

Ten aanzien van vreemdeling 4

Ten aanzien van vreemdeling 4 is verweerder naar het oordeel van de rechtbank eveneens terecht tot de conclusie gekomen dat deze vreemdeling ten behoeve van eiser arbeid heeft verricht. Tijdens de controle is geconstateerd dat hij in bakkerskleding gekleed was. Voorts heeft hij, zoals blijkt uit het hem betreffende inlichtingen- en verhoorformulier, verklaard dat hij sinds één dag werkzaam was voor eiser en dat hij de dag vóór de controle voor eiser paprika’s en uien heeft gepeld. Mede gelet op hetgeen daarover ten aanzien van vreemdeling 1 is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is dat dit (uitsluitend) voor eigen gebruik was.

Ten aanzien van vreemdeling 5

Zoals blijkt uit het hem betreffende inlichtingen- en verhoorformulier heeft vreemdeling 5 aangegeven dat hij reeds twee weken en vier dagen voor eiser werkzaam was. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met deze verklaring in combinatie met het feit dat vreemdeling 5 in het pand van eiser is aangetroffen, alwaar op dat moment, zoals hiervoor is aangegeven, brood ten behoeve van eisers onderneming kon worden gebakken en ook andere werkzaamheden konden worden verricht, voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat vreemdeling 5 voor eiser heeft gewerkt. Dat de constatering in het boeterapport dat vreemdeling 5 gekleed was in bakkerskleding niet strookt met de door hem afgelegde verklaring dat hij bij binnenkomst van de inspecteurs onder de douche stond, noopt volgens de rechtbank niet tot een andere conclusie.

Ten aanzien van de vreemdelingen 2 en 3

Waar het gaat om de vreemdelingen 2 en 3 komt de rechtbank tot een ander oordeel. Uit het boeterapport blijkt dat deze vreemdelingen tijdens de controle door de inspecteurs niet werkend zijn aangetroffen. Uit het boeterapport blijkt ook niet dat de vreemdelingen 2 en 3 tijdens de controle bakkerskleding droegen.

Verder kan op grond van de door de vreemdelingen afgelegde verklaringen niet met zekerheid worden vastgesteld dat de vreemdelingen 2 en 3 voor eiser arbeid hebben verricht. De vreemdelingen 2 en 3 hebben zelf beiden uitdrukkelijk ontkend dat zij hebben gewerkt voor eiser. Uit de verklaring van vreemdeling 1 komt naar voren dat hij niet zeker weet of de andere vreemdelingen hebben gewerkt. Vreemdeling 3 heeft verklaard dat de drie Polen die daags daarvoor waren aangekomen, op die dag wel hadden gewerkt. Uit de verklaring van vreemdeling 4 kan worden afgeleid dat het bij de betreffende drie Polen ging om de vreemdelingen 1 en 4 en om een andere vreemdeling, genaamd Maciej Bola. Voorts heeft vreemdeling 5 onder meer het volgende verklaard: “De vijf Poolse mensen die nu hier zijn doen hetzelfde werk als ik. Zij werken ook hier in het pand.” Uit deze verklaring blijkt volgens de rechtbank niet ondubbelzinnig dat de vreemdelingen 2 en 3 op dat moment al hadden gewerkt voor eiser. De verklaring kan ook betekenen dat het de bedoeling is dat de vreemdelingen hetzelfde werk als vreemdeling 5 zullen gaan doen. Wel is op een handgeschreven bijlage bij het inlichtingen- en verhoorformulier met betrekking tot het verhoor van vreemdeling 4 opgeschreven dat alle vijf aanwezige vreemdelingen paprika’s, bestemd voor pizza’s, hebben schoongemaakt. De rechtbank stelt echter vast dat deze bijlage niet is ondertekend of geparafeerd door vreemdeling 4, zodat onvoldoende vaststaat dat hij een overeenkomstige verklaring heeft afgelegd.

Gelet op het voorgaande is het bestreden besluit ten aanzien van de vreemdelingen 2 en 3 enkel gebaseerd op het feit dat zij in de bedrijfsruimte van eiser aanwezig waren op het moment van de controle. Zonder ondersteunend bewijs is dit naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te concluderen dat de vreemdelingen 2 en 3 ook daadwerkelijk arbeid voor eiser hebben verricht. Door verweerder is dan ook niet aangetoond dat deze twee vreemdelingen voor eiser hebben gewerkt.

Conclusie

Het voorgaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat de onderzoeksbevindingen niet de conclusie van verweerder rechtvaardigen dat eiser met betrekking tot de vreemdelingen 2 en 3 de Wav heeft overtreden. De rechtbank zal het beroep derhalve gegrond verklaren en het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Awb vernietigen.

Met betrekking tot de vreemdelingen 1, 4 en 5 heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank wel terecht op het standpunt gesteld dat artikel 2, eerste lid, van de Wav is overtreden, zodat verweerder wegens deze overtredingen in beginsel bevoegd was om een boete op te leggen. Conform de hiervoor vermelde, naar het oordeel van de rechtbank niet als onredelijk aan te merken beleidsregels bedraagt de boete voor de drie overtredingen voor een werkgever als natuurlijk persoon gezamenlijk € 12.000. De rechtbank stelt vast dat verweerder in overeenstemming met de beleidsregels heeft gehandeld. Bijzondere omstandigheden die verweerder er op grond van artikel 4:84 van de Awb toe hadden moeten brengen om de boete te matigen, zijn de rechtbank niet gebleken.

De rechtbank zal op de voet van artikel 8:72, vierde lid van de Awb zelf voorzien in de zaak en een boetebedrag vaststellen van ter hoogte van € 12.000. De rechtbank zal daarbij bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

De kosten die eiser in verband met de behandeling van het bezwaar heeft gemaakt komen niet voor vergoeding in aanmerking. Eiser heeft niet tijdens de bezwaarprocedure om vergoeding van deze kosten verzocht, zodat niet is voldaan aan artikel 7:15, derde lid, van de Awb.

De rechtbank acht wel termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten in beroep, welke zijn begroot op € 644 aan kosten van verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

verklaart het bezwaar tegen het besluit van 6 maart 2007 gegrond;

stelt de boete vast op € 12.000 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ten bedrage van € 644 en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

bepaalt dat de Staat der Nederlanden het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 143 aan hem vergoedt.

Aldus gegeven door mr. J.A. van Schagen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. G.W.B. Heijmans, griffier, en in het openbaar uitgesproken op .

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: