Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BC9292

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
04-04-2008
Datum publicatie
11-04-2008
Zaaknummer
05/900565-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mensenhandel. Een 19-jarige verdachte heeft, op tijdstippen in een periode van tien maanden, zijn vriendin die vrijwillig in de prostitutie werkzaam was, belet hiermee te stoppen door te dreigen de relatie te verbreken als zij het door haar verdiende geld niet afgaf en ruzie te maken als ze niet voldoende geld had verdiend, terwijl hij wist dat zij eerder slachtoffer van een "loverboy" was geweest en leed aan een posttraumatische stress stoornis en een ernstige depressieve stoornis met vitale kenmerken had. Voorts vrijspraak van andere tenlastegelegde feiten die strafbaar zijn gesteld in artikel 273 f Wetboek van strafrecht (mensenhandel) wegens het ontbreken van oogmerk en wegens het ontbreken van de overtuiging bij de rechtbank dat het aan verdachte is te verwijten dat het slachtoffer seks tegen betaling heeft gehad met andere mannen. Verweer betreffende het gebruik van de in het vooronderzoek door getuigen afgelegde en later bij de rechter-commissaris ingetrokken verklaringen verworpen. Ook is niet gebleken van "sturing" door de politie. Verkrachting tezamen en invereniging. Verweer dat seks met verdachte "vrijwillig" was verworpen. Verdachte laat zich overhalen door de anderen om seks met het slachtoffer te hebben, wat zij eigenlijk niet wil. Gedwongen seks omdat verdachte het slachtoffer in een situatie heeft gebracht waarin zij tegen haar wil seks heeft gehad met hem en anderen.Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk wegens mensenhandel, medeplegen van verkrachting en heling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Promis II

Parketnummer : 05/900565-07

Data zitting : 7 december 2007, 22 februari 2008 en 21 maart 2008

Datum uitspraak : 4 april 2008

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats],

thans gedetineerd in PI Arnhem - De Berg, Arnhem Noord, Wilhelminastraat 16

Arnhem.

Raadsman : mr. J.F.C. Schnitzler, advocaat te Eersel.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2006 tot en met 28 augustus 2007 te Zeist in elk geval in de gemeente Zeist en/of elders in Nederland, althans in Nederland en/of in Belgie, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer 1], heeft aangeworven, medegenomen of ontvoerd, met het oogmerk die [slachtoffer 1] in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van een of meer seksuele handeling(en) met of voor een derde tegen betaling;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van de maand oktober 2006 tot en met de maand augustus 2007 te Zeist, in elk geval in de gemeente Zeist en/of elders in Nederland , althans in Nederland en/of in Belgie, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer 1] met één van de onder lid 1, sub 1° van artikel 273a Wetboek van Strafrecht genoemde middelen heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten

dan wel

onder één of meer van de onder lid 1, sub 1° van voornoemd artikel genoemde omstandigheden enige handeling heeft ondernomen waarvan hij/zij wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [slachtoffer 1] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid of diensten, immers heeft verdachte die [slachtoffer 1]

-gedwongen/opgedragen te gaan werken in de prostitutie en/of

-meermalen, althans eenmaal verteld dat hij de relatie met die [slachtoffer 1] zou verbreken als zij niet voor voldoende inkomsten/geld zou zorgen middels het werken in de prostitutie en/of zou blijven werken in de prostitutie en/of ruzie met die [slachtoffer 1] gemaakt als zij niet voor voldoende inkomsten/geld zorgde middels het werken in de prostitutie((tevens) en/of dit terwijl [slachtoffer 1], voordat die [slachtoffer 1] contact kreeg met verdachte, slachtoffer is geweest van mensenhandel en/of (ernstige) mishandelingen en/of bedreigingen door een ex-partner/ex-vriend van die [slachtoffer 1], in elk geval een andere persoon dan verdachte en/of die [slachtoffer 1] had gebroken met die ex-partner/ex-vriend/die andere persoon dan verdachte en/of (vervolgens) aangifte had gedaan van die feiten en/of die [slachtoffer 1] (mede daardoor) bang was alleen te komen staan

-opgedragen te gaan werken in de prostitutie en/of (vervolgens) die [slachtoffer 1] (telkens) weggebracht naar en/of opgehaald van en/of begeleid naar haar (prostitutie)werkadres (wetende/misbruik makende van het feit dat die [slachtoffer 1], gezien haar verleden, weinig weerstand kon bieden aan de opdrachten die haar door verdachte werden gegeven)

door welke feiten die [slachtoffer 1] ((ten opzichte van verdachte en/of verdachtes mededader(s)) in een kwetsbare positie is geraakt en/of waardoor voor verdachte en/of verdachtes mededader(s) ten opzichte van die [slachtoffer 1] een overwicht is ontstaan waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) misbruik heeft/hebben gemaakt;

meer subsidiair:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van de maand oktober 2006 tot en met de maand augustus 2007 te Zeist, in elk geval in de gemeente Zeist en/of elders in Nederland, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van [slachtoffer 1], immers heeft verdachte inkomsten en/of geld, verdiend door die [slachtoffer 1] middels het werken in de prostitutie, gebruikt om door hem, verdachte en/of verdachtes mededader(s) aangeschafte auto's en/of kleren en/of andere goederen en/of rekeningen van zich zelf en/of verdachtes mededader(s) te betalen en/of voormeld geld en/of voormelde inkomsten van die [slachtoffer 1] afgenomen en/of (vervolgens) daarover beschikt en/of uitgegeven als ware het zijn eigen

verdiende geld/zijn eigen uit werk verdiende inkomsten;

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van de maand januari 2007 tot en met 28 augustus 2007 te Zaltbommel, in elk geval in de gemeente Zaltbommel en/of elders in Nederland, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) [slachtoffer 2] met een van de onder lid 1 sub 1 van artikel 273a Wetboek van strafrecht genoemde middelen heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten

danwel

Onder een of meer van onder lid 1, sub 1 van voornoemd artikel genoemde omstandigheden enige handeling heeft ondernomen waarvan hij/zij wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [slachtoffer 2] zich daarvoor (telkens) beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid of diensten, immers

- verdachte en/of verdachtes mededader(s) heeft/hebben meermalen, althans eenmaal foto's gemaakt en/of laten maken van momenten dat die [slachtoffer 2] seksuele handelingen (bij hem verdachte en/of anderen) verichtte en/of

- verdachte en/of verdachtes mededader(s) die [slachtoffer 2] een groot aantal malen heeft/hebben opgebeld en/of haar op dwingende wijze heeft/hebben opgedragen te komen en seks te hebben met hem/hen of mannen/jongens en/of

- verdachte en/of verdachtes mededader(s) die [slachtoffer 2] de woorden heeft/hebben toegevoegd: "Als je niet komt dan breken we je al je botjes in je gezicht" althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking en/of

- verdachte en/of verdachtes mededader(s) die [slachtoffer 2] een groot aantal malen heeft/hebben opgebeld en/of haar op dwingende wijze heeft/hebben opgedragen te komen en seks te hebben met hem/hen of mannen/jongens en/of

- verdachte en/of verdachtes mededader(s) misbruik heeft/hebben gemaakt van de kwetsbare positie gemaakt van die [slachtoffer 2] die bij haar ouders was weggelopen en geen woon- of verblijfplaats had om naar toe te gaan en/of

- verdachte en/of verdachtes mededader(s) die [slachtoffer 2] meermalen, althans eenmaal heeft uitgescholden (voor hoer en/of slet) en/of toegeschreeuwd en/of geintimideerd en/of vernederd en/of

- verdachte en/of verdachtes mededader(s) bij een weigerende houding van die [slachtoffer 2], haar bleef/bleven bellen en/of benaderen en/of (vervolgens) meermalen bleef/bleven opdragen/vragen toch toe te stemmen seks met mannen en/of jongens te hebben en/of de druk op voormelde [slachtoffer 2] op die manier opvoerde en/of personen die seks met [slachtoffer 2] wilden hebben (gewoon) bij die [slachtoffer 2] bracht(en) en/of

- verdachte en/of verdachtes mededader(s) meerdere mannen en/of jongens het telefoonnummer van die [slachtoffer 2] heeft/hebben gegeven en/of die jongens/die mannen heeft verteld dat zij seks met die [slachtoffer 2] (tegen betaling aan hem en/of verdachtes mededaders) konden hebben en/of

- verdachte en/of verdachtes mededader(s) die [slachtoffer 2] meermalen, althans eenmaal heeft/hebben gebracht naar en/of begeleid naar een plaats waar die [slachtoffer 2] seks moest hebben met mannen en/of jongens en/of

- verdachte aan die [slachtoffer 2] heeft/hebben aangegeven/verteld dat verdachte het niet voor zich zelf deed maar om [slachtoffer 2] te helpen en/of hij, verdachte haar vriend was en/of dat zij, [slachtoffer 2], hem, verdachte niet teleur moest stellen en (gewoon) seks met mannen moest hebben door welke feiten die [slachtoffer 2] (ten opzichte van verdachte en/of verdachtes mededader(s)) in een kwetsbare positie is geraakt en/of waardoor voor verdachte en/of verdachtes mededader(s) ten opzichte van die [slachtoffer 2] een overwicht is ontstaan, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) misbruik heeft/hebben gemaakt;

althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling leidt:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van de maand januari 2007 tot en met de maand augustus 2007 te Zaltbommel, in elk geval in de gemeente Zaltbommel en/of elders in Nederland, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) [slachtoffer 2] (geboren [geboortedatum]) ertoe heeft gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van één of meer seksuele handelingen, met of voor een derde tegen betaling, dan wel ten aanzien van die [slachtoffer 2] enige handeling(en), te weten

- verdachte en/of verdachtes mededader(s) heeft/hebben meermalen, althans eenmaal foto's gemaakt en/of laten maken van momenten dat die [slachtoffer 2] seksuele handelingen (bij hem verdachte en/of anderen) verichtte en/of

- verdachte en/of verdachtes mededader(s) die [slachtoffer 2] een groot aantal malen heeft/hebben opgebeld en/of haar op dwingende wijze heeft/hebben opgedragen te komen en seks te hebben met hem/hen of mannen/jongens en/of

- verdachte en/of verdachtes mededader(s) die [slachtoffer 2] de woorden heeft/hebben toegevoegd: "Als je niet komt dan breken we je al je botjes in je gezicht" althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking en/of

- verdachte en/of verdachtes mededader(s) misbruik heeft/hebben gemaakt van de kwetsbare positie van die [slachtoffer 2] die bij haar ouders was weggelopen en/of geen woon- of verblijfplaats had om naar toe te gaan en/of

- verdachte die [slachtoffer 2] meermalen, althans eenmaal heeft uitgescholden (voor hoer en/of slet) en/of toegeschreeuwd en/of geintimideerd en/of vernederd en/of

- verdachte bij een weigerende houding van die [slachtoffer 2], haar bleef bellen en/of (vervolgens) meermalen bleef benaderen en/of opdragen/vragen toch toe te stemmen seks met mannen en/of jongens te hebben en de druk op voormelde [slachtoffer 2] op die manier opvoerde en/of personen die seks met [slachtoffer 2] wilden hebben (gewoon) bij die [slachtoffer 2] bracht(en) en/of

- verdachte meerdere mannen en/of jongens het telefoonnummer van die [slachtoffer 2] heeft gegeven en/of die jongens/die mannen heeft verteld dat zij seks met die [slachtoffer 2] (tegen betaling aan hem en/of verdachtes mededaders) konden hebben en/of

- verdachte en/of verdachtes mededader(s) die [slachtoffer 2] meermalen, althans eenmaal heeft/hebben gebracht naar en/of begeleid naar een plaats waar die [slachtoffer 2] seks moest hebben met mannen en/of jongens en/of

- verdachte aan die [slachtoffer 2] heeft aangegeven/verteld dat verdachte het niet voor zich zelf deed maar om die [slachtoffer 2] te helpen en/of hij, verdachte haar vriend was en/of dat zij, [slachtoffer 2], hem, verdachte niet teleur moest stellen en (gewoon) seks met mannen moest hebben,

heeft ondernomen, waarvan hij verdachte en/of diens mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat hij/zij slachtoffer zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van die handelingen, terwijl hij/zij slachtoffer de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt;

3.

hij in of omstreeks de periode van de maand januari 2007 tot en met april 2007 te Zaltbommel, in elk geval in de gemeente Zaltbommel en/of elders in Nederland, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid (telkens) [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2], te weten het met een penis en/of een of meer vingers vaginaal penetreren van die [slachtoffer 2] en/of het met een penis oraal penetreren van die [slachtoffer 2], welk geweld of andere feitelijkheid en/of welke bedreiging met geweld of andere feitelijkheid hierin heeft/hebben bestaan dat verdachte en/of verdachtes mededader(s) (telkens) opzettelijk die [slachtoffer 2] heeft/hebben meegenomen in een auto en/of (vervolgens) met die auto naar een afgelegen plek is/zijn gereden en/of (vervolgens) de deuren van die auto (telkens) heeft/hebben afgesloten en/of (vervolgens) die [slachtoffer 2] (die achter in die auto zat) heeft/hebben vastgepakt en/of (vervolgens) de kleding van die [slachtoffer 2] heeft/hebben weggetrokken en/of opzij gedaan en/of (vervolgens) (die op de achterbank van de auto ingesloten) [slachtoffer 2] (tegelijk met zijn allen) heeft/hebben betast tussen en/of over haar benen en/of over de (ontblote) borsten en/of buik heeft/hebben gewreven en/of heeft/hebben ingesloten op de achterbank van die auto en/of de deuren van die auto heeft/hebben afgesloten en/of misbruik heeft/hebben gemaakt van het (gezamenlijk) overwicht wat zij/hij, verdachte(n) over die [slachtoffer 2] had(den) en/of misbruik heeft/hebben gemaakt van het feit dat die [slachtoffer 2] de regie over zich zelf (volledig) kwijt was geraakt en/of die [slachtoffer 2] de regie over zich zelf heeft/hebben ontnomen en/of misbruik heeft/hebben gemaakt van zijn/hun psychische en/of lichamelijk en/of getalsmatige overwicht over die (nog jonge/minderjarige/kwetsbare) [slachtoffer 2] en/of het feit dat die [slachtoffer 2] bang was alleen te worden achtergelaten in (het donker in) een afgelegen gebied en/of tevens bang was haar vriendschap te verliezen die zij meende te hebben gevonden (bij verdachte [verdachte]) nadat zij bij haar ouders was weggelopen;

4.

hij op of omstreeks 30 juli 2007, in de gemeente Noord-Oost Polder, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een bedrijf/tankstation/pand (gevestigd aan de Rijksweg A-6) heeft weggenomen een kluis met inhoud, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende [slachtoffer 3] en/of Benzinestation Exploiatie Maatschappij, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming (te weten door het vernielen en/of forceren van een ruit en/of het forceren van een deur van voormeld bedrijf/tankstation/pand);

althans, indien het vorenstaande onder 6 niet tot een veroordeling leidt:

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of een of meer andere (onbekend gebleven) personen op of omstreeks 30 juli 2007 in de gemeente Noordoostpolder, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een bedrijf/tankstation/pand (gevestigd aan de Rijksweg A-6) heeft weggenomen een kluis met inhoud, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] en/of Benzinestation Exploitatie Maatschappij, in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of die een of meer andere (onbekend gebleven) personen en/of diens mededader(s) en/of aan verdachte, waarbij die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of die een of meer andere (onbekend gebleven) personen en/of diens/hun mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder diens/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming (te weten een ruit van voormeld bedrijf/tankstation/pand te vernielen en/of te forceren en/of een deur van voormeld bedrijf/tankstation/pand te forceren),

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 1 juli 2007 tot en met 30 juli 2007 in de gemeente Zeist en/of in de gemeente Noordoostpolder en/of in de gemeente Utrecht, althans in Nederland, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door op de uitkijk te gaan staan en/of een slijptol te regelen;

meer subsidiair:

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2007 tot en met 30 juli 2007 in de gemeente Zeist en/of in de gemeente Noordoostpolder en/of in de gemeente Utrecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen heeft verworven, voorhanden heeft gehad en / of heeft overgedragen een kluis met inhoud, terwijl hij/zij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van voormeld(e) goed(eren) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat dit/deze door diefstal in elk geval door enig misdrijf was/waren verkregen;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 7 december 2007, 22 februari 2008 en 21 maart 2008 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte op 7 december 2007 en 21 maart 2008 verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. J.F.C. Schnitzler, advocaat te Eersel.

Als benadeelde partij heeft zich schriftelijk in het geding gevoegd BV BEM.

Voorts is als benadeelde partij ter zitting van 21 maart 2008 verschenen [slac[slachtoffer 2]. Zij heeft ter zitting verklaard de ingediende vordering in te trekken.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2 primair, 3 en onder 6 meer subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

De officier van justitie heeft voorts verzocht dat de vordering van de benadeelde partij BV BEM wordt toegewezen en heeft gevorderd dat er een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Vrijspraken

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair, onder 2 en onder 6 primair en subsidiair is tenlastegelegd en zal verdachte daarvan vrijspreken.

De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Ten aanzien van feit 1 primair:

De rechtbank acht, anders dan de officier van justitie, niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 1] heeft aangeworven, medegenomen of ontvoerd met het oogmerk om haar - kort gezegd - tot prostitutie te bewegen. Het enkele vermoeden dat bij verdachte bestond dat [slachtoffer 1] reeds werkte in de prostitutie, is onvoldoende om het voornoemde oogmerk aanwezig te achten. Derhalve zal de rechtbank verdachte vrijspreken van dit feit.

Ten aanzien van feit 2:

De rechtbank is van oordeel dat voor de feitelijkheden, - waarbij de rechtbank mede in aanmerking neemt hetgeen zij hierna ten aanzien van feit 1 en 3 met betrekking tot de bruikbaarheid en betrouwbaarheid van door getuigen in het vooronderzoek en in een later stadium ingetrokken verklaringen heeft overwogen - omschreven in het eerste, tweede en zesde in de tenlastelegging opgenomen gedachtenstreepje wettig bewijs voorhanden is. Het ontbreekt de rechtbank echter aan overtuiging. De rechtbank overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat het aan verdachte te wijten is dat [slachtoffer 2] seks heeft gehad of heeft moeten hebben met een groot aantal mannen en dat verdachte daarvoor geld ontving. Hierbij merkt de rechtbank nog op dat het niet onaannemelijk is dat ook door anderen dan verdachte onderling het telefoonnummer van [slachtoffer 2] is uitgewisseld. De rechtbank zal verdachte gelet op het voorgaande ook van dit feit vrijspreken.

Ten aanzien van feit 6 primair en subsidiair:

Gelet op het dossier en het verhandelde ter zitting is de rechtbank - met de raadsman en de officier van justitie - van oordeel dat geen bewijsmiddelen voorhanden zijn op grond waarvan een veroordeling van verdachte kan volgen voor het primaire dan wel subsidiaire feit. Zij spreekt verdachte dan ook vrij van deze feiten.

Ten aanzien van feit 1 subsidiair, feit 3 en feit 6 meer subsidiair

Alvorens in te gaan op de standpunten van de verdediging en de officier van justitie betreffende de afzonderlijke hiervoor genoemde feiten, overweegt de rechtbank het volgende.

Verweer betreffende de bruikbaarheid van de in het vooronderzoek door getuigen afgelegde, en later ingetrokken verklaringen en de betrouwbaarheid hiervan

Ten aanzien van feit 1 en 3 is door de raadsman aangevoerd dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op 10 maart 2008 ten overstaan van de rechter-commissaris zijn teruggekomen op de door hen in het voorbereidend onderzoek in ambtsedige processen-verbaal neergelegde verklaringen. Hierbij heeft de raadsman opgemerkt dat de verklaring ten overstaan van de rechter-commissaris onder ede door hen is afgelegd.

De raadsman heeft betoogd dat het op essentiële punten terugkomen op eerder bij de politie afgelegde verklaringen tot consequentie heeft dat de verklaringen die in het vooronderzoek zijn afgelegd, niet zondermeer voor het bewijs gebezigd kunnen worden. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat de persoon in kwestie in dergelijke gevallen ter terechtzitting in eerste aanleg als getuige moet worden opgeroepen, opdat de rechter door eigen waarneming van de getuige een oordeel zal kunnen vormen omtrent de betrouwbaarheid van diens verklaringen. Het moet dan wel gaan om gevallen waarin onvoldoende steunbewijs voorhanden is. De raadsman stelt dat dat in casu het geval is.

De raadsman stelt zich op grond van het voorgaande op het standpunt dat de door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in het vooronderzoek afgelegde, en in ambtsedige processen-verbaal neergelegde, belastende verklaringen niet voor het bewijs gebezigd kunnen worden, nu zij bij de rechter-commissaris hun verklaring hebben ingetrokken c.q. hebben herroepen danwel een op essentiële punten ontlastende nadere verklaring hebben afgelegd. De raadsman benadrukt dat in dit verband de betrokkenheid van zijn cliënt bij de tenlastegelegde feiten, in feite alleen rechtstreeks kan volgen uit die eerdere verklaringen. De raadsman heeft hierbij verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 23 oktober 2007, LJN BB2958.

Voorts is door de raadsman gesteld dat het vooronderzoek door de politie niet op juiste wijze heeft plaatsgevonden. Het onderzoek zou zijn gedaan op basis van de vooronderstelling dat verdachte een zogenaamde ‘loverboy’ is waarna mededelingen aan de getuigen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn gedaan waarmee aan hen verklaringen zijn ontlokt.

De raadsman is op grond van het voorgaande van oordeel dat de getuigen op aanmerkelijke wijze zijn beïnvloed en dat op het gevoel van de getuigen is ingespeeld. Voor zover de rechtbank kijkt naar deze verklaringen dient dat te gebeuren in het licht van deze gang van zaken, aldus de raadsman.

Standpunt officier van justitie ten aanzien van voornoemd verweer

De officier van justitie heeft betoogd dat de verklaringen die door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in het vooronderzoek zijn afgelegd bij de politie, juridisch gezien wel bruikbaar zijn voor het bewijs van de tenlastegelegde feiten. Hij heeft hierbij gewezen op een arrest van de Hoge Raad van 15 maart 2005, LJN AS4681 en betoogd dat getuigen die hun in het vooronderzoek afgelegde verklaring bij de rechter-commissaris intrekken, enkel dan op zitting gehoord moeten worden, als deze verklaring het enige bewijsmiddel in de zaak is. Nu dat in de zienswijze van de officier van justitie niet het geval is, is hij van mening dat de verklaringen afgelegd door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in het vooronderzoek, wel voor het bewijs gebruikt mogen worden.

Ten aanzien van het verweer dat aan de getuigen verklaringen zijn ontlokt en dat de politie het onderzoek heeft gebaseerd op de vooronderstelling dat verdachte een ‘loverboy’ is, heeft de officier van justitie bestreden dat de politie enkel in een bepaalde richting heeft gezocht. De officier van justitie baseert zich hierbij op de verklaring van getuige [getuige 1] en het feit dat [slachtoffer 2], reeds voordat het onderzoek naar verdachte door de politie was gestart, tegen getuige [getuige 2] heeft verteld dat zij in de prostitutie werkte en met veel mannen seks had gehad.

Beoordeling van het verweer

De rechtbank is op grond van de jurisprudentie van oordeel dat het door de raadsman gevoerde verweer zou kunnen slagen in het geval zoals door de Hoge Raad omschreven in zijn arrest van 1 februari 1994, te weten wanneer ‘een ambtsedig proces-verbaal, inhoudend een in het opsporingsonderzoek afgelegde belastende verklaring van een persoon, het enige bewijsmiddel is waaruit verdachtes betrokkenheid bij het telastegelegde feit rechtstreeks kan volgen en die persoon nadien door een rechter is gehoord en ten overstaan van deze die verklaring heeft ingetrokken of een op essentiële punten ontlastende nadere verklaring heeft afgelegd, dan wel heeft geweigerd te verklaren omtrent de feiten en omstandigheden waarover hij eerder verklaard heeft. Indien dit is geschied ter gelegenheid van een verhoor van de bedoelde persoon door de rechter-commissaris behoort deze persoon ter terechtzitting in eerste aanleg en in geval van appel ook ter terechtzitting in hoger beroep als getuige te worden gedagvaard of opgeroepen, opdat de rechter zich door eigen waarneming van de getuige een oordeel zal kunnen vormen omtrent de betrouwbaarheid van diens verklaringen dan wel omtrent de redenen van diens weigering aldaar een verklaring af te leggen.’

De rechtbank is van oordeel dat de betrokkenheid van verdachte bij de tenlastegelegde feiten in casu echter ook rechtstreeks uit andere bewijsmiddelen blijkt dan enkel uit de door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in het vooronderzoek afgelegde verklaringen.

Ten aanzien van feit 1 noemt de rechtbank in dat licht de verklaring van [getuige 3] , de door de broer van verdachte afgelegde verklaring en tapgesprekken tussen verdachte en [slachtoffer 1] .

Ten aanzien van feit 3 overweegt de rechtbank dat uit de verklaringen van [getuige 4] reeds de betrokkenheid van verdachte bij dit feit kan volgen. Daarnaast is [slachtoffer 2] wat betreft dit feit bij de rechter-commissaris slechts gedeeltelijk op haar in het vooronderzoek tegenover de politie afgelegde verklaring teruggekomen. Zij is bij haar eerder afgelegde verklaring gebleven voor zover deze ziet op de vraag of de seksuele handelingen die zij heeft verricht met [getuige 4] en [getuige 5] wel of niet vrijwillig zijn geweest.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de betrokkenheid van verdachte ten aanzien van feit 1 en 3 ook uit andere bewijsmiddelen dan de door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in het vooronderzoek tegenover de politie afgelegde verklaringen rechtstreeks blijkt. Er bestaat voor de rechtbank dan geen verplichting om de getuigen ter zitting te horen. Voorts betekent dit dat zowel de door hen in het vooronderzoek afgelegde verklaringen áls de door hen bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring voor het bewijs kunnen worden gebezigd.

De rechtbank merkt hierbij op dat zij minder geloof hecht aan de verklaringen zoals die door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn afgelegd ten overstaan van de rechter-commissaris, nu gebleken is van kennelijke beïnvloeding van voornoemde vrouwen door [betrokkene 1], de broer van verdachte. De rechtbank leidt dit af uit de brieven die beide vrouwen vrijwel gelijktijdig aan de raadsman van verdachte hebben geschreven en de opmerking van de raadsman ter terechtzitting d.d. 21 maart 2008 dat hij door een persoon wiens naam hij niet wil noemen ‘benaderd is met de mededeling dat beide dames bij hem op kantoor een verklaring wilden afleggen’.

Ten aanzien van [slachtoffer 2] leidt de rechtbank dit voorts af uit een aanvullend proces-verbaal waaruit volgt dat [slachtoffer 2] door [betrokkene 1] benaderd is ‘een goed woordje te doen voor [verdachte] bij de rechter’ en de verklaringen van [getuige 6], de moeder van [slachtoffer 2].

Met betrekking tot [slachtoffer 1] leidt de rechtbank de kennelijke beïnvloeding door [betrokkene 1] af uit haar verklaring afgelegd bij de rechter-commissaris waaruit volgt dat zij contact heeft met [betrokkene 1] en het adres van de raadsman van verdachte van hem heeft gekregen.

Voorts merkt de rechtbank ten aanzien van de kennelijke beïnvloeding van de getuigen in deze zaak door [betrokkene 1] op dat getuige [getuige 1] bij de rechter-commissaris heeft verklaard gebeld te zijn door [betrokkene 1].

Tot slot overweegt de rechtbank dat zij bovendien meer waarde hecht aan de verklaringen door de getuigen afgelegd in het vooronderzoek tegenover de politie dan aan de verklaringen afgelegd door de getuigen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] bij de rechter-commissaris, nu de eerder door hen afgelegde verklaringen worden ondersteund door andere, zich in het dossier bevindende verklaringen. Daarnaast verklaart [slachtoffer 2] ten aanzien van een deel van de tenlastegelegde feiten bij de rechter-commissaris consistent ten opzichte van de eerder door haar afgelegde verklaring.

Nu de rechtbank de in het vooronderzoek tegenover de politie afgelegde verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] voor het bewijs zal bezigen, reageert zij op het standpunt van de raadsman dat de genoemde getuigen aanmerkelijk zouden zijn beïnvloed door de politie.

De rechtbank is van oordeel dat van ‘sturing’ door de politie of het bij het onderzoek uitgaan van een bepaalde vooronderstelling niet uit het dossier blijkt. De rechtbank zoekt hierbij aansluiting bij de door de officier van justitie genoemde aspecten en argumenten. Hierbij noemt de rechtbank de verklaring van getuige [getuige 2] waaruit blijkt dat reeds voor de politie een onderzoek was gestart naar verdachte, [slachtoffer 2] ten overstaan van de voornoemde getuige onder andere heeft verklaard dat zij bedreigd werd door jongens. De rechtbank is tevens met de officier van justitie van oordeel dat de politie, als zij het onderzoek zou hebben verricht op de wijze zoals door de raadsman gesteld, zij getuige [getuige 7] ook tot verdergaande verklaringen had kunnen bewegen. De rechtbank heeft in het voorgaande al overwogen dat de getuige [slachtoffer 2] een belangrijk deel van haar bij de politie afgelegde verklaring heeft bevestigd tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris. Tevens heeft de rechtbank in het voorgaande overwogen dat aannemelijk is dat het - gedeeltelijk - intrekken van de door hen bij de politie afgelegde verklaringen door de getuigen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] bij de rechter-commissaris, een gevolg is van kennelijke beïnvloeding van de voornoemde getuigen door de broer van verdachte.

Op grond van het hiervoor overwogene is de rechtbank van oordeel dat niet gezegd kan worden dat de politie bij het onderzoek op aanmerkelijke wijze de getuigen heeft beïnvloed.

Conclusie

De rechtbank zal op grond van het bovenstaande zowel de verklaringen afgelegd bij de politie in het vooronderzoek als het deel van de verklaring van [slachtoffer 2], afgelegd bij de rechter-commissaris voor zover zij daarin consistent is, voor het bewijs gebruiken.

In het navolgende zullen per feit de vaststaande feiten, verweren, standpunten en conclusies worden besproken.

Ten aanzien van het bewijs van feit 1 subsidiair, feit 3 en feit 6 meer subsidiair

Ten aanzien van feit 1 subsidiair

Nu de rechtbank in het voorgaande reeds heeft overwogen dat zij verdachte zal vrijspreken van het onder 1 primair tenlastegelegde, zal in het navolgende enkel worden ingegaan op hetgeen is aangevoerd ten aanzien van het (meer) subsidiair tenlastegelegde.

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

[slachtoffer 1] werkte vanaf 25 oktober 2006 als prostituee in ‘Club Privilege’ in Herentals in België. Eerder heeft haar ex-vriend haar daar vanaf 2001 laten werken als prostituee. [slachtoffer 1] is eerder het slachtoffer geweest van mensenhandel, ernstige mishandelingen en bedreigingen door deze ex-vriend.

Verweren

De raadsman heeft geheel subsidiair, naast het hiervoor beschreven en door de rechtbank reeds verworpen verweer, andere verweren gevoerd ten aanzien van feit 1, te weten:

- De strafverzwarende omstandigheid van artikel 273f lid 3 sub 1, het medeplegen, kan niet wettig en overtuigend bewezen worden.

- Het subsidiaire tenlastegelegde feit dient tot partiële nietigheid te leiden, nu verwezen wordt naar de in artikel 273a van het Wetboek van Strafrecht genoemde middelen, terwijl dit artikel niet van toepassing is op artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht. Hetzelfde zou moeten gelden voor het impliciet subsidiaire gedeelte van de tenlastelegging, nu daarin wordt verwezen naar lid 1, sub 1 van ‘voornoemd artikel’.

- In navolging van het hiervoor genoemde verweer heeft de raadsman betoogd dat voor zover er vanuit moet worden gegaan dat artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht bedoeld is, de verdediging van mening is dat geen sprake kan zijn van een strafbaar feit wanneer vastgesteld kan worden dat de persoon in kwestie zich vrijwillig beschikbaar heeft gesteld tot het verrichten van arbeid of diensten. Voorts stelt de verdediging dat geen sprake is geweest van één van de in artikel 273f lid 1 sub 1 genoemde middelen. Dat verdachte [slachtoffer 1] zou hebben bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten impliceert dat verdachte [slachtoffer 1] op die gedachte moet hebben gebracht. Hiervan is geen sprake, immers, duidelijk is dat zij uit vrije wil in de prostitutie werkzaam was. De raadsman stelt zich op het standpunt dat verdachte [slachtoffer 1] nooit heeft gedwongen of opgedragen om in de prostitutie te gaan werken en dat hij haar ook niet ervan heeft weerhouden om met dit werk te stoppen. Voorts heeft verdachte haar nooit gedreigd de relatie te beëindigen waardoor zij alleen zou komen te staan, zodat hij ook geen misbruik heeft gemaakt van haar eventueel kwetsbare positie. De verdediging concludeert dat op grond van het voorgaande vrijspraak dient te volgen.

- Hetzelfde zou naar het oordeel van de verdediging gelden voor het meer subsidiair tenlastegelegde. Binnen de relatie tussen verdachte en [slachtoffer 1] waren afspraken gemaakt op financieel gebied en daarin paste het dat aan elkaar verantwoording werd afgelegd over de uitgaven die werden gedaan. De raadsman stelt dat daardoor geen sprake kan zijn van uitbuiting.

De raadsman concludeert tot vrijspraak.

Standpunt officier van justitie

- De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat hij, net als de raadsman, het medeplegen niet wettig en overtuigend bewezen acht.

- Door de officier van justitie is betoogd dat het noemen van artikel 273a van het Wetboek van Strafrecht een kennelijke verschrijving is, en dat bedoeld wordt artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht. Derhalve dient in plaats van artikel 273a gelezen te worden artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht

- Door de officier van justitie is aangevoerd dat ook sprake kan zijn van het bewegen tot werken in de prostitutie wanneer iemand zelf al de keuze heeft gemaakt om dit werk te gaan doen, maar daar later mee wil stoppen en dit wordt belet. Er moet geabstraheerd worden van de oorspronkelijke eigen vrije keuze, en gekeken worden naar de wilsbesluiten die iemand telkens opnieuw maakt om het werk al dan niet voort te willen zetten. In dit geval heeft verdachte [slachtoffer 1] belet te stoppen met haar werkzaamheden in de prostitutie, door haar onder druk te zetten geld te verdienen en boos te worden als het niet genoeg was of zij te veel geld had uitgegeven naar de mening van verdachte.

Beoordeling van de verweren

- Met de raadsman en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde feit tezamen en in vereniging heeft gepleegd. Ten aanzien van dat deel van de tenlastelegging zal de rechtbank verdachte vrijspreken.

- De rechtbank is van oordeel dat het noemen van artikel 273a van het Wetboek van Strafrecht in de tenlastelegging als een kennelijke verschrijving beoordeeld dient te worden. De rechtbank is voorts van oordeel dat duidelijk is geweest dat bedoeld werd artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht en dat de verdediging hierdoor niet in haar belangen is geschaad. Dit blijkt onder andere uit de pleitnotitie van de raadsman, die, voor zover bedoeld is te verwijzen naar artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht, hier al op ingaat.

- De rechtbank is van oordeel dat aan een bewezenverklaring van het onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde feit niet in de weg hoeft te staan dat [slachtoffer 1] aanvankelijk vrijwillig heeft gekozen voor het werk in de prostitutie. Het gaat om de vraag of verdachte haar nadien heeft belemmerd in haar vrijheid om te stoppen met het verrichten van deze werkzaamheden. De rechtbank zal daar in het hierna volgende nog op terugkomen. Uit het overige dat door de raadsman is aangevoerd volgt de ontkenning van verdachte van het tenlastegelegde feit. De rechtbank overweegt daaromtrent het volgende.

Vanaf augustus 2006 hadden [slachtoffer 1] en verdachte een relatie. [slachtoffer 1] heeft van 25 oktober 2006 tot en met augustus 2007 als prostituee gewerkt in ‘Club Privilege’ in België. Verdachte ontkent dat hij wist dat [slachtoffer 1] werkzaam was in de prostitutie. Hij dacht dat zij, zoals zij hem had voorgehouden, haar geld verdiende door drankjes te drinken met mannen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte moet hebben geweten dat [slachtoffer 1] werkzaam was als prostituee. Dit leidt de rechtbank af uit een tapgesprek tussen verdachte en [slachtoffer 1] waarin o.a. gesproken wordt over het zich laten testen als je seks hebt gehad met mannen , een verklaring van [getuige 3] waaruit volgt dat het door [slachtoffer 1] verdiende geld naar verdachte ging en uit een verklaring van de broer van verdachte die vertelt dat verdachte als een koning geleefd heeft van het geld dat [slachtoffer 1] verdiende. Verdachte had kunnen weten dat [slachtoffer 1] niet zoveel geld kon verdienen met het enkel drinken met klanten. Gelet op de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen gaat de rechtbank er vanuit dat verdachte wist dat [slachtoffer 1] in de prostitutie werkzaam was.

Zoals hiervoor overwogen heeft [slachtoffer 1] weliswaar vrijwillig gekozen voor het werken als prostituee, maar heeft verdachte haar vervolgens belet om te stoppen met dit werk, waardoor zij zich beschikbaar is blijven stellen tot het verrichten van arbeid of diensten. Dit heeft hij onder andere bewerkstelligd door te dreigen de relatie te verbreken als zij het door haar verdiende geld niet aan hem gaf en ruzie te maken met [slachtoffer 1] als zij niet voldoende geld had verdiend. Dit heeft verdachte gedaan terwijl hij wist dat zij in het recente verleden slachtoffer was geworden van mensenhandel, ernstige mishandelingen en bedreigingen door haar ex-vriend, waartegen zij aangifte had gedaan en waardoor zij bang was alleen te komen staan en zij onder behandeling was wegens een posttraumatische stress stoornis en een ernstige depressieve stoornis met vitale kenmerken. Verdachte moet hiervan reeds op de hoogte zijn geweest op het moment dat hij haar zei dat als zijn geld op was zij weer moest gaan werken, nu dit gesprek op 9 juni 2007 plaatsvond en verdachte reeds in oktober 2006 op de hoogte was van het gegeven dat [slachtoffer 1] eerder slachtoffer was geworden van onder andere mensenhandel. Door voornoemde handelingen en omstandigheden is [slachtoffer 1] ten opzichte van verdachte in een kwetsbare positie geraakt waar hij vervolgens misbruik van heeft gemaakt.

Conclusie

De rechtbank acht op grond van bovenstaande het onder 1 subsidiair tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 3

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

In de periode van de maand januari 2007 tot en met de maand april 2007 is verdachte, samen met twee andere mannen - [getuige 4] en [getuige 5] - en [slachtoffer 2] in zijn auto gereden naar de Gamersedijk in Zaltbommel waar vervolgens [getuige 4] , [getuige 5] en verdachte seksuele handelingen hebben verricht met [slachtoffer 2] welke handelingen onder andere bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer 2].

De verweren

Door de raadsman is aangevoerd dat het voor verdachte niet duidelijk geweest is dat [slachtoffer 2] geen seks wilde met hem, en dat [slachtoffer 2] zelf heeft verklaard dat zij niet heeft gezegd tegen verdachte dat ze geen seks wilde met hem. Zij heeft zelf het initiatief genomen tot het seksuele contact met verdachte. Voorts is door de raadsman betoogd dat [slachtoffer 2] weliswaar bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat zij tegen haar wil seks heeft gehad met [getuige 4] en [getuige 5], maar dat dit niet wettig en overtuigend kan worden bewezen nu deze beide mannen hebben verklaard dat het seksuele contact tussen hen en [slachtoffer 2] vrijwillig plaatsvond. Op basis van het dossier kan niet wettig en overtuigend bewezen worden dat er sprake is geweest van dwingen c.q. gebruikmaking van geweld of een andere feitelijkheid dan wel bedreiging daarmee.

Tot slot is door de raadsman aangevoerd dat, voor zover het feit bewezen kan worden verklaard, dit in elk geval niet kan gelden ten aanzien van verdachte.

De verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft betoogd dat het feit wettig en overtuigend bewezen kan worden. Hij wijst hierbij op de verklaring van [slachtoffer 2] afgelegd in het vooronderzoek tegenover de politie en de verklaringen van de getuigen [getuige 8] en [getuige 2], waaruit kan worden afgeleid dat het seksuele contact niet vrijwillig is geweest. De officier van justitie heeft betoogd dat [slachtoffer 2] deels door geweld gedwongen is, namelijk het afsluiten van de deuren van de auto en het insluiten door verdachte en de andere twee mannen van [slachtoffer 2] en deels door een andere feitelijkheid, in de vorm van misbruik maken van het overwicht en de omstandigheden waaronder een en ander plaatsvond.

Beoordeling van het verweer

Alvorens in te gaan op het verweer van de raadsman overweegt de rechtbank het navolgende.

De rechtbank heeft reeds overwogen dat zij van oordeel is dat [slachtoffer 2] ten aanzien van feit 3 consistent heeft verklaard. Bij de rechter-commissaris heeft zij bevestigd dat zij, zoals ze eerder bij de politie had verklaard, niet vrijwillig seks heeft gehad met [getuige 4] en [getuige 5]. Op grond van het voorgaande acht de rechtbank de verklaring van [slachtoffer 2] geloofwaardig en zal zij van deze verklaring uitgaan. Deze verklaring wordt overigens ondersteund door andere verklaringen die zich in het dossier bevinden.

Met betrekking tot het door de raadsman gevoerde verweer overweegt de rechtbank als volgt.

[slachtoffer 2] is ’s avonds bij verdachte in de auto gestapt omdat ze met hem alleen wilde zijn. In deze auto bevonden zich echter ook [getuige 4] en [getuige 5]. [slachtoffer 2] zat op de achterbank van de auto, naast [getuige 4]. Vervolgens heeft verdachte, als bestuurder, de auto naar een voor [slachtoffer 2] onbekende afgelegen plek gereden, waarna de andere twee mannen [slachtoffer 2], die op de achterbank zat ingesloten, hebben betast. Daarna heeft ze met alle drie seks gehad terwijl de deuren van de auto dicht waren. Dit laatste is door verdachte ter terechtzitting d.d. 21 maart 2008 ontkend. Hij heeft echter wel verklaard dat de deuren aan één kant van de auto niet open konden en aan de andere kant moeilijk open en dicht gingen en dat deze eigenlijk alleen geopend konden worden door iemand die wist hoe het werkte. Voorts heeft [slachtoffer 2] verklaard dat zij bang was dat als zij weigerde seks te hebben, alleen in het donker op die voor haar onbekende en afgelegen plek zou worden achtergelaten. Zij had deze angst omdat zij dit al eerder had meegemaakt. [slachtoffer 2] heeft verder verklaard ‘Daarna heb ik sex met [verdachte] gehad. Ik wilde dit eigenlijk niet. Zo ook niet met [getuige 5] en [getuige 4] maar ik durfde geen nee te zeggen’. Zulks blijkt ook uit de verklaringen van de getuigen [getuige 8] en [getuige 2] die aangeven dat [slachtoffer 2] hen verteld heeft dat ze gedwongen seks heeft gehad met jongens in een auto.

Daarbij overweegt de rechtbank ook nog dat verdachte heeft verklaard dat hij door de andere mannen werd overgehaald om seks met [slachtoffer 2] te hebben en dat hij vooraf een voorgevoel had dat er problemen zouden kunnen ontstaan, maar dat hij daar niet naar geluisterd heeft en niet heeft ingegrepen. [getuige 4] heeft verklaard dat het idee om [slachtoffer 2] te bellen uitging van verdachte. [getuige 5] verklaart dat verdachte de avond te voren al had gezegd dat je haar kon neuken. Hij belde haar en bracht ons naar haar toe.

De rechtbank acht het op grond van het voorgaande én gelet op het overwicht dat de mannen, niet alleen getalsmatig maar ook psychisch en lichamelijk op haar hadden, aannemelijk dat [slachtoffer 2] zich gedwongen voelde tot het ondergaan van de voornoemde seksuele handelingen.

Verdachte heeft [slachtoffer 2] door haar in de hiervoor beschreven situatie te brengen, samen met [getuige 4] en [getuige 5] gedwongen tot het ondergaan van seksuele handelingen. Hieruit volgt dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van de verkrachting van [slachtoffer 2] door hemzelf, [getuige 4] en [getuige 5].

Conclusie

Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank het verweer van de raadsman verwerpt en het onder 3 tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen acht.

Ten aanzien van feit 6 meer subsidiair

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen:

- Verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 21 maart 2008;

- Aangifte [slachtoffer 3] namens BEM, dossierpagina 1043 t/m 1047;

- Tapgesprekken tussen verdachte en [betrokkene 2], dossierpagina 1038;

- Tapgesprek tussen verdachte en [slachtoffer 1], dossierpagina 1039;

- Tapgesprek tussen Fransman ([betrokkene 2]) en [betrokkene 3] ([betrokkene 3]), dossierpagina 1040.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair, 3 en 6 meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1.

hij op tijdstippen in de periode van de maand oktober 2006 tot en met de maand augustus 2007 te Zeist, en/of in België, [slachtoffer 1] met één van de onder lid 1, sub 1° van artikel 273f Wetboek van Strafrecht genoemde middelen

dan wel

onder één of meer van de onder lid 1, sub 1° van voornoemd artikel genoemde omstandigheden enige handeling heeft ondernomen waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die [slachtoffer 1] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid of diensten, immers heeft verdachte die [slachtoffer 1]

-meermalen, verteld dat hij de relatie met die [slachtoffer 1] zou verbreken als zij niet voor voldoende inkomsten/geld zou zorgen middels het werken in de prostitutie en/of zou blijven werken in de prostitutie en/of ruzie met die [slachtoffer 1] gemaakt als zij niet voor voldoende inkomsten/geld zorgde middels het werken in de prostitutie (tevens) en dit terwijl [slachtoffer 1], voordat die [slachtoffer 1] contact kreeg met verdachte, slachtoffer is geweest van mensenhandel en (ernstige) mishandelingen en bedreigingen door een ex-vriend van die [slachtoffer 1], en die [slachtoffer 1] had gebroken met die ex-vriend en (vervolgens) aangifte had gedaan van die feiten en die [slachtoffer 1] (mede daardoor) bang was alleen te komen staan

door welke feiten die [slachtoffer 1] (ten opzichte van verdachte in een kwetsbare positie is geraakt en/of waardoor voor verdachte ten opzichte van die [slachtoffer 1] een overwicht is ontstaan waarvan verdachte misbruik heeft gemaakt;

3.

hij in de periode van de maand januari 2007 tot en met april 2007 te Zaltbommel, meermalen, tezamen en in vereniging met anderen, door een andere feitelijkheid (telkens) [slac[slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slac[slachtoffer 2], te weten het met een penis vaginaal penetreren van die [slachtoffer 2] en het met een penis oraal penetreren van die [slachtoffer 2], welke andere feitelijkheid hierin heeft bestaan dat verdachte en/of verdachtes mededader(s) opzettelijk die [slachtoffer 2] hebben meegenomen in een auto en (vervolgens) met die auto naar een afgelegen plek zijn gereden en/of de deuren van die auto (telkens) hebben afgesloten en die [slachtoffer 2] (die achter in die auto zat) hebben vastgepakt en/of de kleding van die [slachtoffer 2] hebben weggetrokken en/of opzij gedaan en/of (die op de achterbank van de auto ingesloten) [slachtoffer 2] hebben betast tussen en/of over haar benen en/of over de borsten en/of buik hebben gewreven en/of hebben ingesloten op de achterbank van die auto en/of de deuren van die auto hebben afgesloten en/of misbruik hebben gemaakt van het (gezamenlijk) overwicht wat zij, verdachte(n) over die [slachtoffer 2] had(den) en/of misbruik heeft/hebben gemaakt van

zijn/hun psychische en/of lichamelijk en/of getalsmatige overwicht over die (nog jonge/minderjarige/kwetsbare) [slachtoffer 2] en/of het feit dat die [slachtoffer 2] bang was alleen te worden achtergelaten in (het donker in) een afgelegen gebied en/of tevens bang was haar vriendschap te verliezen die zij meende te hebben gevonden (bij verdachte [verdachte]);

6.

meer subsidiair:

hij op 30 juli 2007 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen een kluis, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van voormeld goed wist dat dit door diefstal was verkregen;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

4a. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 subsidiair:

Mensenhandel

Ten aanzien van feit 3:

Medeplegen van verkrachting, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 6 meer subsidiair:

Medeplegen van opzetheling

4b. De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

• de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 12 maart 2008;

• een voorgeleidingsconsult opgesteld door B. Gotink, psychiater, van het NIFP d.d. 12 september 2007, betreffende verdachte;

• een voorlichtingsrapport van Reclassering Nederland, gedateerd 6 maart 2008, betreffende verdachte.

Door de officier van justitie is een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren geëist, waarbij hij is uitgegaan van een bewezenverklaring van feit 1 en 2 primair, feit 3 en feit 6 meer subsidiair. Hij is tot deze eis gekomen op basis van de lijn van de huidige jurisprudentie. De officier van justitie heeft kort gewezen op het vonnis van de rechtbank Utrecht van 25 juli 2007 waarbij de ex-vriend van [slachtoffer 1] een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren opgelegd heeft gekregen terzake onder andere mensenhandel.

Hij heeft hierbij opgemerkt dat de feiten direct de lichamelijke integriteit van jonge vrouwen raken en dat verdachte zonder enige vorm van respect heeft gehandeld alhoewel dit naar zijn eigen zeggen belangrijk is voor verdachte.

Door de raadsman is naar voren gebracht dat de door de officier van justitie aangehaalde uitspraak van de rechtbank Utrecht niet als vergelijkingsmateriaal kan dienen voor een eventuele strafoplegging in deze zaak, nu die zaak veel ernstiger was, met name gelet op de mishandelingen die in het kader van die mensenhandel zijn gepleegd.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van verkrachting van de destijds minderjarige [slachtoffer 2].

Zij is bij verdachte en zijn twee medeverdachten in de auto gestapt in de veronderstelling dat zij rond gingen rijden, zoals zij wel vaker deden. Verdachte heeft de auto echter naar een afgelegen en voor die [slachtoffer 2] onbekende plek gereden waarna verdachte en zijn twee medeverdachten na elkaar seksuele handelingen hebben verricht, welke onder andere hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer 2]. Zij kon niet wegvluchten uit deze situatie, nu de portieren van de auto niet, dan wel enkel op een speciale manier te openen waren terwijl zij niet wist hoe dat moest, en zij zich bevond op een voor haar onbekende plek, terwijl het donker was. Zij was daardoor volledig overgeleverd aan de wil van verdachte en zijn medeverdachten. Zij hebben de belangen van [slachtoffer 2] volledig ondergeschikt gemaakt aan de bevrediging van hun eigen lustgevoelens.

Verdachte heeft haar in de hiervoor beschreven situatie gebracht als gevolg waarvan zij tegen haar wil seksuele handelingen heeft moeten ondergaan die door hem, [getuige 4] en [getuige 5] gepleegd zijn.

Een groepsverkrachting is een zeer ernstig feit, waarbij een grove inbreuk is gemaakt op de lichamelijk integriteit, de persoonlijke levenssfeer en de persoonlijke bewegingsvrijheid van de toen minderjarige [slachtoffer 2]. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke feiten vaak langdurig en ernstige psychische schade van deze gebeurtenissen ondervinden. De rechtbank rekent dit feit verdachte als zwaarste aan.

Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan mensenhandel van [slachtoffer 1]. Hij heeft haar er toe aangezet om als prostituee te blijven werken en zich vervolgens bevoordeeld uit de opbrengsten van haar - aanvankelijk vrijwillige - werkzaamheden in de prostitutie, terwijl hij haar voorhield dat hij het geld voor haar spaarde voor hun gezamenlijke toekomst. Op momenten dat [slachtoffer 1] kenbaar maakte te willen stoppen met haar werk als prostituee dreigde verdachte de relatie met haar te verbreken.

Dit alles deed verdachte terwijl hij wist dat [slachtoffer 1] in het recente verleden slachtoffer is geworden van mensenhandel, ernstige mishandelingen en bedreigingen door haar toenmalige vriend, zij de relatie met die ex-vriend heeft verbroken en aangifte heeft gedaan van voornoemde handelingen, waardoor zij alleen was komen te staan en in een ernstige depressie was geraakt. Verdachte heeft van deze omstandigheid gebruik gemaakt om haar voor zich te winnen en haar voor te houden dat hij niet zo was als haar ex-vriend. Na verloop van tijd heeft verdachte [slachtoffer 1] echter, zoals hierboven reeds vermeld, belet om te stoppen met haar werkzaamheden als prostituee.

De rechtbank is van oordeel dat de handelwijze van verdachte in deze kan worden gekenmerkt als die van een ‘loverboy’, nu verdachte misbruik heeft gemaakt van de kwetsbare positie waarin [slachtoffer 1] zich bevond, gelet op haar verleden, om zichzelf te bevoordelen met het door haar als prostituee verdiende geld, terwijl hij haar belette met dit werk te stoppen op momenten dat zij aangaf dit te willen.

Verdachte heeft door zijn handelen schade toegebracht en een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit en de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1]. Zijn persoonlijke gewin heeft voorop gestaan waarbij hij geen acht heeft geslagen op haar belangen.

Voorts is er in de maatschappij veel aandacht voor zogenaamde ‘loverboy’ zaken. Dergelijke feiten zorgen voor gevoelens van verontwaardiging en onveiligheid in de samenleving.

Het is de rechtbank opgevallen dat verdachte ter terechtzitting diverse malen het woord ‘respect’ heeft gebruikt en dan met name om aan te geven dat hij er veel waarde aan hecht om respectvol te worden aangesproken en behandeld door andere mensen.

De rechtbank merkt hieromtrent op dat hoewel respect voor verdachte heel belangrijk is, hij de belangen en gevoelens van de slachtoffers volstrekt heeft genegeerd. Dit getuigt volgens de rechtbank niet van respect voor de slachtoffers. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

Daarnaast heeft de verdachte zich ook nog schuldig gemaakt aan opzetheling tezamen en in vereniging, van een kort daarvoor gestolen kluis. Dit feit is echter van een heel andere orde dan de hiervoor omschreven feiten en zal bij het bepalen van de strafmaat van ondergeschikt belang zijn.

Bij het bepalen van de strafmaat is de rechtbank afgeweken van de eis van de officier van justitie. Dit omdat de rechtbank verdachte vrij zal spreken van het onder 2 tenlastegelegde feit, en ten aanzien van feit 1 verdachte weliswaar voor mensenhandel zal veroordelen, maar slechts voor de subsidiair tenlastegelegde variant. Dit betekent dat de rechtbank heeft te oordelen over strafoplegging aangaande één geval van mensenhandel, groepsverkrachting en opzetheling.

In het voordeel van verdachte pleit dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Hier staat tegenover dat het zeer ernstige feiten betreft ten aanzien waarvan in de maatschappij grote beroering is ontstaan in de afgelopen jaren.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat geen andere straf passend is dan een gevangenisstraf van aanmerkelijke duur, zoals hierna te noemen.

De rechtbank is van oordeel dat, hoewel niet door de officier van justitie geëist, een voorwaardelijk strafdeel in het geval van verdachte op zijn plaats is. Hoewel verdachte ten aanzien van een deel van de tenlastegelegde feiten wordt vrijgesproken, is bij de rechtbank een beeld van verdachte ontstaan waarbij hij met zijn doen en laten tegen de prostitutie aanschurkt en de grenzen van het toelaatbare en legale opzoekt. Om te voorkomen dat verdachte zich na zijn detentie weer met feiten zoals nu zijn tenlastegelegd gaat bezighouden, zal de rechtbank een deel van de op te leggen gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen.

Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij BV BEM is door de raadsman betwist dat de kosten genoemd op bijlage 1 bij de vordering allemaal zien op het tenlastegelegde feit, nu gesproken wordt over ‘geleverde services bij uw Texaco Stations te Holland’. Dit wekt de suggestie dat de kosten ook zien op services, geleverd bij andere tankstations.

De officier van justitie heeft zich ten aanzien van dit verweer gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank acht aannemelijk dat de kosten genoemd op bijlage 1 van de vordering van de benadeelde partij BV BEM zien op diensten die gerelateerd zijn aan de schade met betrekking tot het tenlastegelegde feit. De factuur maakt immers onder het kopje ‘aantal’ melding van 1. De rechtbank acht de vordering - nu het tenlas¬te¬gelegde bewezen is verklaard en de vordering voldoende is onderbouwd - toewijsbaar.

De vordering zal dan ook worden toegewe¬zen.

De verdachte is niet meer tot vergoeding gehouden indien en voorzover het gevor¬derde door zijn mededaders is of wordt voldaan.

Ten aanzien van de zich in het dossier bevindende vordering van [slachtoffer 2] overweegt de rechtbank dat ter terechtzitting d.d. 21 maart 2008 door [slachtoffer 2] de ingediende vordering is ingetrokken. Derhalve is er ten aanzien van deze benadeelde partij geen vordering meer waarop de rechtbank een beslissing dient te nemen.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 242, 273f en 416 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Spreekt verdachte vrij van de onder 1 primair, 2 en 6 primair en subsidiair tenlastegelegde feiten.

Verklaart bewezen dat verdachte de overige tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf 10 (tien) maanden niet tenuitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij BV BEM.

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan BV BEM, gevestigd te [adres], [woonplaats], te betalen € 2.234,18 (zegge tweeduizend tweehonderdvierenderig euro en achttien cent).

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Maatregel van schadevergoeding ad € 2.234,18 , subsidiair 41 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer BV BEM, gevestigd te [adres], [woonplaats], te betalen € 2.234,18, (zegge tweeduizend tweehonderdvierendertig euro en achttien cent), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 41 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat, indien en voor zover de veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer BV BEM, het daarmee corresponderende gedeelte van de civielrechtelijke verplichting van veroordeelde om aan de benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien en voor zover veroordeelde aan de benadeelde partij heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Aldus gewezen door:

mr. A.M. van Gorp, rechter als voorzitter,

mr. W. Bruins, rechter,

mr. W.L.J.M. Duijst, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. G.L.M. Verstegen, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 april 2008.