Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BC8709

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
13-03-2008
Datum publicatie
04-04-2008
Zaaknummer
AWB 06/4988 en AWB 06/4989
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft willens en weten volhard in een kenbaar onjuiste navordering. Vergoeding van de intergrale proceskosten toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2008/879
FutD 2008-0759
V-N 2008/26.9

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

registratienummer: AWB 06/4988 en AWB 06/4989

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 13 maart 2008

inzake

[X], wonende te [Z] (Kroatië), eiser,

tegen

de inspecteur van de Belastingdienst/[te P], verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 12 augustus 2005 voor het jaar 2000 een navorderingsaanslag (aanslagnummer [H07]) inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van

f 168.117. Gelijktijdig is aan eiser een vergrijpboete van f 10.429 opgelegd.

Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 12 augustus 2005 voor het jaar 2001 een navorderingsaanslag (aanslagnummer [H17]) IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 46.292 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2.222. Gelijktijdig is aan eiser een vergrijpboete van € 4.765 opgelegd.

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 16 augustus 2006 de navorderingsaanslagen IB/PVV en de boeten gehandhaafd.

Bij fax van 25 september 2006, door de rechtbank ontvangen op 25 september 2006, heeft eiser beroep ingesteld tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en verweerschriften ingediend.

Partijen hebben voor de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verzonden aan de wederpartij.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 januari 2008 te Arnhem. Gelijktijdig zijn behandeld de zaken met nummer AWB 06/4988, AWB 06/4989 en AWB 07/1068.

Namens eiser is zijn gemachtigde, mr. [A] verschenen. Namens verweerder zijn verschenen drs. [B] en mr. [C].

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

Eiser was tot en met augustus 1998 in loondienst werkzaam bij [D] B.V. te [Q]. Hij woonde samen met zijn echtgenote en kinderen op het adres [a straat 1] te [R]. Na beëindiging van het dienstverband is eiser werkzaam als zelfstandig adviseur. Eiser verricht zijn werkzaamheden niet of nauwelijks in Nederland.

Sinds 1999 is eiser woonachtig te [Z], Kroatië. Omstreeks 1999 heeft eiser een relatie gekregen met mevrouw [E], eveneens woonachtig te [Z]. Eiser is vervolgens bij haar ingetrokken.

Eiser heeft voor de jaren 2000 en 2001 aangiften IB/PVV gedaan als ware hij binnenlands belastingplichtig.

In de bezwaarfase zijn partijen tot de eensluidende conclusie gekomen dat eiser niet woonachtig is in Nederland.

3. Geschil

In geschil is het antwoord op de vraag of de navorderingsaanslagen IB/PVV 2000 en 2001 terecht en tot juiste bedragen zijn opgelegd. Tevens zijn de opgelegde boeten in geschil.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4. Beoordeling van het geschil

Ter zitting heeft verweerder verklaard dat de navorderingsaanslagen IB/PVV ten onrechte zijn opgelegd. Dit betekent dat ook de boeten dienen te vervallen. De rechtbank is van oordeel dat dit standpunt van verweerder juist is en zal dienovereenkomstig beslissen.

Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen gegrond te worden verklaard.

Ter zitting heeft eiser verklaard de zaak met registratienummer AWB 07/1068, welke betrekking heeft op de naheffingsaanslagen omzetbelasting, in te trekken.

5. Proceskosten

De rechtbank vindt aan¬lei¬ding verweerder te veroordelen in de kos¬ten die eiser in verband met de behande¬ling van het bezwaar en het beroep redelij¬kerwijs heeft moeten maken. De kosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand komen ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) voor vergoeding in aanmerking. De vergoeding van kosten vindt ingevolge het Besluit plaats volgens forfaitaire normen. Slechts in bijzondere omstandigheden kan hiervan, ingevolge artikel 2, derde lid, van het Besluit, worden afgeweken. Uit de parlementaire geschiedenis van de wet Kosten bestuurlijke voorprocedures blijkt dat de wetgever bij bijzondere omstandigheden denkt aan zeer schrijnende gevallen (TK 1999-2000, 27024, nr. 3, p.7).

Naar het oordeel van de rechtbank is in de situatie van eiser sprake van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 2, derde lid, van het Besluit.

De uit het geheel van gedingstukken naar voren komende gegevens zijn naar het oordeel van de rechtbank zo duidelijk, dat daaruit redelijkerwijs geen andere conclusie is te trekken dan dat geen enkele aanwijzing voorhanden is waaruit zou kunnen blijken of zelfs maar het vermoeden is te putten dat eiser in onderhavige jaren in Nederland belastbare inkomsten heeft genoten, waarvoor de onderhavige navorderingsaanslagen bij uitspraak op bezwaar zijn gehandhaafd. Verweerder heeft in de beroepsfase volstrekt onhoudbare standpunten ingenomen welke evenmin zijn onderbouwd door wettelijke bepalingen of jurisprudentie. Ook verweerder had dat moeten weten, maar heeft willens en wetens volhard in een kenbaar onterechte navordering. Voor deze handelwijze heeft verweerder geen afdoende rechtvaardiging aangedragen. De rechtbank hecht er voorts aan dat verweerder ter onderbouwing van de navordering niet heeft gedaan - uit de voorhanden zijnde gegevens is niet anders af te leiden - wat redelijkerwijs van hem mocht worden verwacht, terwijl eiser verweerder, in ieder geval vanaf de bezwaarprocedure, van duidelijke informatie heeft voorzien.

De rechtbank neemt voorts in aanmerking dat verweerder zijn stellingen tot op de zitting heeft gehandhaafd. Nadat de rechtbank ter zitting de beroepsgronden van eiser heeft voorgehouden en verweerder de gelegenheid heeft gegeven zijn standpunt te heroverwegen, is verweerder alsnog aan eiser tegemoet gekomen. Dit terwijl verweerder een conclusie van dupliek heeft ingediend en ter zitting geen nieuwe feiten naar voren zijn gekomen.

Gelet op het voorgaande heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank recht op vergoeding van de integrale proceskosten. Verweerder heeft de hoogte van de door eiser gestelde kosten ad € 10.000 niet betwist. De rechtbank acht de gevorderde kosten niet bovenmatig.

Op grond van het voorgaande veroordeelt de rechtbank verweerder tot het vergoeden van de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 10.000.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vernietigt de navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 2000 en 2001;

- vernietigt de boetebeschikkingen betreffende de jaren 2000 en 2001;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 10.000, en wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan dit bedrag aan eiser te voldoen;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiser betaalde griffierecht van € 38 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 13 maart 2008

en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. V.M. van Daalen-Mannaerts, voorzitter, mr. R.A.V. Boxem en mr. I. Linssen, rechters, in tegenwoordigheid van

mr. L.L. van Benthem, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 13 maart 2008

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.