Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BC8443

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
25-03-2008
Datum publicatie
03-04-2008
Zaaknummer
AWB 08/95 en AWB 08/1039
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bouwvergunning met vrijstelling ex artikel 19, tweede lid, van de WRO; descente; door de uitvoering van het bouwplan onstaat een dusdanig verlies van licht en uitzicht, dat deze als (evident) onrechtmatig heeft te gelden in de zin van artikel 6:162 BW. Het college heeft dan ook in redelijkheid niet kunnen besluiten tot het verlenen van de vrijstelling.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 19
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:81
Algemene wet bestuursrecht 8:86
Algemene wet bestuursrecht 8:87
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2008/596

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummers: AWB 08/95 (hoofdzaak) en AWB 08/1039

uitspraak van de voorzieningenrechter ingevolge artikel 8:87, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) jo artikel 8:86 van deze wet in het geding tussen

[verzoeker],

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. E.M. Vos,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groesbeek,

alsmede

[VOF], partij ex artikel 8:26 van de Awb,

te [woonplaats].

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 juli 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groesbeek (hierna: het college), onder het verlenen van een vrijstelling ex artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO), aan [VOF] (verder: [VOF]) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het verbouwen en uitbreiden van het pand aan de Burgemeester Ottenhoffstraat 2 te Groesbeek tot restaurant, woning en een tweetal appartementen, waarbij de bestaande bloemenwinkel wordt verplaatst naar de achterzijde van het perceel..

Bij besluit van 20 november 2007 heeft het college de hiertegen namens [verzoeker] (hierna: [verzoeker]) ingediende bezwaren ongegrond verklaard en de verleende vrijstelling en bouwvergunning, onder aanpassing van de motivering, gehandhaafd.

Tegen dit besluit heeft [verzoeker] op 4 januari 2008 beroep ingesteld bij de rechtbank.

Op 25 januari 2008 is de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, strekkende tot schorsing van de verleende vrijstelling en/of de bouwvergunning.

Bij uitspraak van 20 februari 2008 heeft de voorzieningenrechter, kort samengevat, de verleende bouwvergunning geschorst. Tevens is bepaald dat aanleiding bestaat voor een onderzoek ter plaatse als bedoeld in artikel 8:50, eerste lid, van de Awb (descente). Daarbij is uitdrukkelijk overwogen dat na afloop van dit onderzoek zal worden bezien of

– overeenkomstig het bepaalde in artikel 8:87, eerste lid, van de Awb – reden bestaat de uitgesproken schorsing ambtshalve op te heffen.

De descente heeft plaatsgevonden op 11 maart 2008. Partijen hebben zich daarbij doen vertegenwoordigen. Na afsluiting van het onderzoek ter plaatse zijn partijen uitgenodigd te verschijnen ter zitting van de voorzieningenrechter op 21 maart 2008. Hierbij is gewezen op de mogelijkheid dat onmiddellijk uitspraak wordt gedaan in de hoofdzaak.

Ter zitting van 21 maart 2008 zijn partijen verschenen bij -voor zover van toepassing- hun gemachtigden.

2. Overwegingen

Ingevolge artikel 8:87, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter ambtshalve een voorziening opheffen of wijzigen. Op grond van het bepaalde in het tweede lid van dit artikel, is artikel 8:86 van de Awb daarbij van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter indien het verzoek, bedoeld in artikel 8:81 van de Awb, wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Ten aanzien van de hoofdzaak

In dit geding moet worden beoordeeld of het bestreden besluit de rechterlijke toetsing kan doorstaan.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Het bouwplan voorziet in het verbouwen en uitbreiden van het direct naast de woning van [verzoeker] gelegen pand aan de Burgemeester Ottenhoffstraat 2 te Groesbeek. De thans reeds in dit pand gevestigde bloemenwinkel wordt naar de achterzijde van het perceel verplaatst (met een ingang aan de Molenweg) en de aldus vrijkomende ruimte wordt verbouwd tot een nieuw te vestigen restaurant. Voorts wordt de bestaande woonruimte boven het (beoogde) restaurant verbouwd en wordt ook de ruimte boven de nieuw te bouwen bloemenwinkel aangewend voor woondoeleinden. Verwezenlijking van het bouwplan heeft tot gevolg dat het perceel nagenoeg volledig wordt bebouwd met bebouwing bestaande uit meerdere bouwlagen.

Niet is in geschil dat het bouwplan in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Stekkenberg/Schrouwenberg” (hierna: het bestemmingsplan). Teneinde niettemin bouwvergunning te kunnen verlenen heeft het college, onder toepassing van het bepaalde in afdeling 3.4 van de Awb, bij besluit van 3 juli 2007 vrijstelling verleend van het bestemmingsplan ex artikel 19, tweede lid, van de WRO.

Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan, indien dit project past in de door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur van de ruimtelijke ordening, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

Niet wordt betwist, en ook voor de voorzieningenrechter staat vast, dat vrijstelling is verleend voor een geval behorende tot de door het college van gedeputeerde staten aangewezen categorieën van gevallen als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO. Voorts staat vast dat het project is voorzien van een ruimtelijke onderbouwing, welke als zodanig zijn weerslag heeft gevonden in het primaire besluit van 3 juli 2007.

De voorzieningenrechter ziet zich in de eerste plaats voor de vraag geplaatst of deze ruimtelijke onderbouwing als een goede ruimtelijke onderbouwing kan worden aangemerkt als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO. Deze vraag raakt de bevoegdheid van het college, in die zin dat ingeval moet worden vastgesteld dat geen sprake is van een goede ruimtelijke onderbouwing, het college niet bevoegd is tot het verlenen van de vrijstelling. In dit verband wordt het volgende overwogen.

Vaststaat dat het geldende bestemmingsplan niet de mogelijkheid biedt om relatief grootschalige bebouwing op te richten als thans vergund. Dit bestemmingsplan beperkt immers de omvang van de bebouwing door hieraan voorschriften te verbinden die zien op het bouwen binnen het bouwblok, het maximeren van het bebouwingspercentage en de bij het bouwen in acht te nemen (goot)hoogten. Het vergunde project daarentegen voorziet in een volledig dicht bebouwingsbeeld met een sterk vergrote bebouwingsintensiteit, waarbij de in het geldend bestemmingsplan neergelegde maximale (goot)hoogten in meer dan overwegende mate worden overschreden. Anderzijds moet worden vastgesteld dat het projectgebied is gelegen in een verdicht stedelijk gebied en dat het beoogde gebruik als zodanig reeds ingevolge het geldende bestemmingsplan is toegelaten. Aldus bezien is geen sprake van een rigoureuze stedenbouwkundige ingreep. Dit laatste neemt op zichzelf niet weg dat de planologische effecten van het vrij te stellen project in kaart moeten worden gebracht, maar betekent wel dat aan de in dit verband op te stellen ruimtelijke onderbouwing minder zware eisen hoeven te worden gesteld.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoet de gegeven ruimtelijke onderbouwing aan de eisen die daaraan in dit geval moeten worden gesteld. De onderbouwing omschrijft de relatie met het geldende bestemmingsplan en geeft gemotiveerd waarom het project past in het gemeentelijk streven om door “upgrading” van het centrum de leefbaarheid en de vitaliteit van (de kern van) Groesbeek te versterken. Voorts gaat de onderbouwing in voldoende mate in op de ruimtelijke effecten van het bouwplan, de aspecten lucht, water en verkeer daaronder begrepen. Ten aanzien van dit laatste aspect wordt opgemerkt dat ten behoeve van de twee woningen twee parkeerplaatsen op eigen terrein worden aangelegd aan de zijde van de Burgemeester Ottenhoffstraat en dat bezoekers van de bloemenwinkel gebruik kunnen maken van de voor dit pand gelegen parkeerplaatsen, welke zijn gelegen in een zogenaamde “blauwe zone”. Juist vanwege deze blauwe zone zal het kortparkeren worden bevorderd, zodat naar verwachting in de vanwege de bloemenwinkel te genereren parkeerbehoefte kan worden voorzien. Voor wat betreft de parkeerbehoefte die voortvloeit uit het gebruik als restaurant (welk gebruik zich voornamelijk in de avonduren zal voordoen), heeft het college - naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht - zich op het standpunt gesteld dat deze kan worden opgevangen door de aanwezige parkeercapaciteit op het nabijgelegen marktterrein. Zoals de voorzieningenrechter tijdens de descente ook zelf heeft kunnen vaststellen, ligt deze parkeergelegenheid niet op een zodanige afstand, dat redelijkerwijs valt te verachten dat bezoekers daarvan geen gebruik zullen maken. Overigens is de voorzieningenrechter gebleken dat meerdere openbare parkeerterreinen in de directe nabijheid zijn gesitueerd, waaronder bijvoorbeeld de parkeergelegenheid achter het gemeentehuis.

Aan het voorgaande doet niet af dat, zoals namens [verzoeker] is gesteld, vrijstelling wordt verleend van een recent bestemmingsplan (het bestemmingsplan is vastgesteld op 19 oktober 2006 en goedgekeurd op 3 april 2007). Anders dan onder de oude anticipatieprocedure, waar in geval van afwijking van een recent bestemmingsplan hoge eisen werden gesteld aan de urgentie van een bouwplan, geldt ten aanzien van de huidige procedure ex artikel 19 van de WRO dat deze geheel los staat van een anticipatie op een toekomstig bestemmingsplan. De vrijstellingsprocedure kan dan ook op elk moment worden gebruikt, mits tenminste is voldaan aan de in de wet gestelde voorwaarden (waaronder de aanwezigheid van een goede ruimtelijke onderbouwing). Zoals hiervoor reeds is gezegd is daarvan in dit geval sprake. Overigens heeft het college gemotiveerd uiteengezet dat het karakter van het thans geldende bestemmingsplan conserverend van aard is, hetgeen in dit geval inhoudt dat de geldende bebouwingsregeling is overgenomen uit het voorheen geldende bestemmingsplan. Van een expliciete detailafweging in het (recente) bestemmingsplan, waaruit blijkt dat de raad van de gemeente Groesbeek een verdere verdichting van de bebouwing op het projectperceel als onwenselijk heeft aangemerkt, is geen sprake.

Nu het college gelet op het vorenstaande bevoegd was om tot het verlenen van de vrijstelling over te gaan, ziet de voorzieningenrechter zich vervolgens voor de vraag geplaatst of het college in redelijkheid aan de belangen van [VOF] een doorslaggevend gewicht heeft kunnen toekennen.

Vooropgesteld wordt, dat bij de beslissing om al dan niet vrijstelling te verlenen van de voorschriften van het bestemmingsplan in beginsel alle daarbij betrokken belangen van omwonenden in aanmerking moeten worden genomen. Het gewicht dat aan de belangen moet worden toegekend kan van geval tot geval verschillen. In dit verband komt mede betekenis toe aan de aard van de afwijking van de voorschriften die door de vrijstelling mogelijk wordt gemaakt.

Evident is dat [verzoeker] door verwezenlijking van het bouwplan zal worden geconfronteerd met een (verdere) onthouding van licht en uitzicht vanaf het achtererf en vanuit de aan de achterzijde van het woonhuis gelegen slaapkamers. Dit nadelige gevolg van het bouwplan heeft [verzoeker] echter te aanvaarden, voor zover komt vast te staan, dat op grond van het bestemmingsplan ook zonder verlening van vrijstelling een bouwplan zou kunnen worden gerealiseerd met (nagenoeg) hetzelfde voor [verzoeker] nadelige gevolg. In dat geval is immers niet zozeer sprake van een bezwaar tegen de vrijstelling, doch tegen de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan zonder vrijstelling, die evenwel niet ter discussie kunnen staan.

Op grond van de planvoorschriften behorende bij het bestemmingsplan is bebouwing tot op de perceelsgrens met [verzoeker] mogelijk, zij het met een maximale goothoogte van 3 meter, een maximale nokhoogte van 5,5 meter en met inachtneming van een bebouwingspercentage van 40. De thans op ter richten bebouwing heeft ter hoogte van het achtererf van [verzoeker] echter een goothoogte van respectievelijk 5,85 meter en 6,40 meter, waarbij de bebouwing deels is voorzien van een kap met een hoogte tot 8.20 meter. Voorts heeft het bouwplan tot gevolg dat het achtererf van [verzoeker] aan alle zijden over de volledige lengte wordt omringd door een bouwmassa met meerdere lagen.

Na uitvoerig te zijn voorgelicht over de aard en de omvang van het bouwplan, heeft de voorzieningenrechter zich tijdens de descente een duidelijk beeld kunnen vormen over de gevolgen die deze bebouwing met zich zal brengen voor de lichttoetreding en het uitzicht op het perceel van [verzoeker]. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter dient de te ontstane onthouding van licht en uitzicht, gelet op de aard en duur ervan, mede in aanmerking genomen de geringe oppervlakte van het erf achter de woning van [verzoeker], in dit geval als dermate ernstig te worden gekwalificeerd, dat de verwezenlijking van het thans vergunde bouwplan jegens [verzoeker] als (evident) onrechtmatig heeft te gelden in de zin van artikel 6:162 BW. Daartoe wordt in de eerste plaats overwogen dat het bouwplan niet onaanzienlijke gevolgen heeft voor het uitzicht en de lichttoetreding op de bij de woning van [verzoeker] behorende achterplaats. Deze gevolgen worden nog ernstiger indien wordt bedacht dat het voor onaannemelijk moet worden gehouden dat gebruik van de aan de achterzijde van het pand gelegen keuken mogelijk is zonder dat – ook overdag – extra (kunst)lichtbronnen worden ingeschakeld. De omstandigheid dat, naar het college ter zitting heeft gesteld, in de huidige situatie al sprake is van een beperkt uitzicht en een beperkte lichtinval op het achtererf, doet daaraan niet af maar maakt dit nog klemmender.

Het is echter met name het uitzicht en de lichttoetreding in de bovengelegen slaapkamers die zodanig verslechtert dat dit als onacceptabel moet worden aangemerkt. De voorzieningenrechter wijst er daarbij op dat op enkele meters van de slaapkamer aan de oostzijde van het pand, een dichte muur is geprojecteerd die – tezamen met de ter hoogte van de achterste perceelsgrens op te richten bebouwing – het uitzicht uit deze kamer nagenoeg volledig zal wegnemen. Dat dit eveneens vergaande consequenties heeft voor de lichtinval in deze slaapkamer, behoeft geen betoog. Hetzelfde geldt, zij het in iets mindere mate, voor de (achterste) slaapkamer aan de westzijde van het pand. Anders dan verweerder is de voorzieningenrechter van oordeel dat het niet aannemelijk is dat de hiervoor genoemde gevolgen in deze vorm zullen optreden indien gebruik wordt gemaakt van de maximale invulling van de bouwmogelijkheden op grond van het geldende bestemmingsplan. Daarin wordt immers niet alleen een geringere goot- en nokhoogte toegestaan maar ook een aanzienlijk mindere bebouwingsdichtheid van 40 % van het totale oppervlak tegen ruim

80 % op grond van het onderhavige bouwplan. De voorzieningenrechter onderkent overigens dat vanuit een theoretisch oogpunt bebouwing mogelijk is die zich uitstrekt langs de gehele perceelsgrens met [verzoeker], met een goothoogte van 3 meter en een nokhoogte van 5,5 meter. Deze bebouwing zal in die situatie echter slechts van een dusdanig geringe breedte kunnen zijn, dat een effectief gebruik niet goed denkbaar is, nog daargelaten dat alle huidige bebouwing op het perceel moet worden gesloopt, dit wil zeggen inclusief de hoofdmassa die tezamen met de woning van [verzoeker] één gebouw vormt. Van deze bouwmogelijkheid moet naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook worden gezegd dat hij elke realiteitswaarde ontbeert.

Gelet op voormelde forse inbreuk op de belangen van [verzoeker] is de voorzieningenrechter van oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot het verlenen van een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO. Daaraan kan nog het volgende worden toegevoegd.

Blijkens de bij de bouwvergunning behorende bouwtekeningen wordt voorzien in een terrasruimte ten behoeve van de restaurantfunctie. Dit terras is gesitueerd aan de zijde van de Molenweg en is gelegen direct onder een slaapkamer van de daarboven te realiseren woonruimte. Dit roept de vraag op of, en zo ja in welke mate sprake zal zijn van hinder door stemgeluid voor de (toekomstige) bewoners van deze woonruimte. Niet is gebleken dat het college zich hieromtrent een oordeel heeft gevormd Dit klemt, nu de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State meerdere malen heeft geoordeeld dat (in geval van een horecafunctie) geluidhinder door stemgeluid bij een beslissing omtrent vrijstelling van het bestemmingsplan dient te worden betrokken (zie bijvoorbeeld ABRS 18 mei 2005, LJN AT5679). Daarbij wordt opgemerkt dat de enkele omstandigheid dat in dit geval reeds sprake is van een zodanige geluidsbelasting door het wegverkeer op de gevel van de woonruimte, dat gedeputeerde staten is gevraagd in te stemmen met het vaststellen van hogere grenswaarden (welke instemming ook is gegeven), niet betekent dat van een dergelijke afweging kan worden afgezien.

Gelet op het voorgaande dient te worden geoordeeld dat het bestreden besluit geen stand kan houden. Het standpunt van [verzoeker] dat publicatie van het ontwerp(vrijstellings)besluit eerst heeft plaatsgevonden op de eerste dag van de terinzagelegging, hetgeen zich niet verdraagt met het bepaalde in artikel 3:12 van de Awb, behoeft gezien het voorgaande thans geen bespreking. Overigens merkt de voorzieningenrechter op dat de (mogelijke) procedurefout [verzoeker] er niet van heeft weerhouden tijdig en gemotiveerd een zienswijze in te dienen, terwijl voorts niet zonder belang is dat de onmogelijkheid het ontwerp in te zien zich heeft voorgedaan op de eerste dag van de periode van terinzageligging en niet gedurende de laatste dagen van deze periode. Daarbij laat de voorzieningenrechter in het midden of de (tijdige) publicatie op de internetsite als een geschikte wijze van publiceren kan worden aangemerkt als bedoeld in artikel 3:12 van de Awb.

Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Nu de enkele vernietiging van het bestreden besluit evenwel niet meebrengt dat van de verleende bouwvergunning geen gebruik kan worden gemaakt, bestaat tevens aanleiding om met toepassing van het bepaalde in artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb een voorziening te treffen als hieronder in het dictum aangegeven. Voor het herroepen van het primaire besluit (en het alsnog weigeren van de gevraagde bouwvergunning) ziet de voorzieningrechter geen aanleiding. Hiertoe wordt overwogen dat uit het verslag van de hoorzitting kan worden opgemaakt dat [verzoeker] zijn pand wellicht wil verkopen, zodat niet kan worden uitgesloten dat de situatie zich zodanig ontwikkelt dat [verzoeker] en [VOF] te dien aanzien alsnog tot overeenstemming komen. Dit zal er toe leiden dat het bezwaarschrift wordt ingetrokken, waarna een onherroepelijke bouwvergunning resteert.

Ten aanzien van de (ambtshalve) toepassing van artikel 8:87, eerste lid, van de Awb

Gegeven de hierna weer te geven beslissing in de hoofdzaak, brengt het bepaalde in artikel 8:85, tweede lid, onder b, van de Awb mee dat de getroffen voorziening van rechtswege komt te vervallen. Voor een ambtshalve beslissing tot het opheffen van deze voorziening bestaat dan ook niet langer ruimte.

Ten aanzien van de proceskosten

De voorzieningenrechter acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en het college te veroordelen in de door [verzoeker] gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 966 aan kosten van rechtsbijstand (1 punt voor het opstellen van het beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de descente en 1 punt voor het verschijnen ter zitting op 21 maart 2008). Van andere kosten in dit verband is niet gebleken.

Bij uispraak van 20 februari 2008 is het in de voorlopige voorzieningprocedure gedane verzoek om proceskostenveroordeling aangehouden totdat een uitspraak zou zijn gedaan in de ambtshalve toepassing van artikel 8:87 van de Awb. Gelet op het hiervoor overwogene bestaat thans termen aanwezig het college in dit verband te veroordelen in de door [verzoeker] gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 644 aan kosten van rechtsbijstand (1 punt voor het opstellen van het verzoekschrift en 1 punt voor het bijwonen van de op 19 februari 2008 gehouden zitting). Van andere kosten in dit verband is niet gebleken.

Het hiervoor overwogene leidt, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De voorzieningenrechter

Ten aanzien van de hoofdzaak:

I verklaart het beroep gegrond;

II vernietigt het bestreden besluit;

III schorst de bij besluit van 3 juli 2007 verleende bouwvergunning voor het verbouwen en uitbreiden van het bestaande pand aan de Burgemeester Ottenhoffstraat 2 tot restaurant, woning en appartement en het verplaatsen van een bloemenwinkel;

IV veroordeelt het college in de proceskosten van verzoeker ten bedrage van € 966;

V wijst de gemeente Groesbeek aan als de rechtspersoon die deze kosten aan hem moet vergoeden;

VI bepaalt dat de gemeente Groesbeek aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht ad € 143 vergoedt.

Ten aanzien van de (ambtshalve) toepassing van artikel 8:87, eerste lid, van de Awb

I stelt vast dat de bij uitspraak van 20 februari 2008 getroffen voorziening van rechtswege is vervallen;

II veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker ten bedrage van € 644;

III wijst de gemeente Groesbeek aan als de rechtspersoon die deze kosten aan hem moet vergoeden;

IV bepaalt dat de gemeente Groesbeek aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht ad € 143 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. E. Klein Egelink, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S.A. van Hoof, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2008.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's Gravenhage.

Hoger beroep staat niet open voor zover is beslist omtrent de ambtshalve toepassing van artikel 8:87 Awb.

Verzonden op: 25 maart 2008