Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BC8068

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
26-03-2008
Datum publicatie
28-03-2008
Zaaknummer
AWB 07/3045
Formele relaties
Sprongcassatie: ECLI:NL:HR:2009:BI0456, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Conclusie in (sprong)cassatie: ECLI:NL:PHR:2009:BI0456
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft van zijn voormalig werkgever een auto ter beschikking gesteld gekregen voor prive-gebruik. De rechtbank is van oordeel dat het voordeel van het prive-gebruik van deze auto niet tot het loon van belanghebbende kan worden gerekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2008, 1130 met annotatie van Elbert
Belastingadvies 2008/11.10
V-N 2008/27.11
Vp-bulletin 2008, 22

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

registratienummer: AWB 07/3045

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 26 maart 2008

inzake

de erven van [X], eisers,

tegen

de inspecteur van de Belastingdienst [te P], verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eisers voor het jaar 2005 een aanslag (aanslagnummer [H.56]) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 22.683 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2.352.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 4 juni 2007 de aanslag gehandhaafd.

Eisers hebben daartegen bij brief van 13 juli 2007, ontvangen bij de rechtbank op 16 juli 2007, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2008 te Arnhem.

Eisers hebben zich daar laten vertegenwoordigen door [gemachtigde]. Namens verweerder is verschenen [gemachtigde].

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

[X] ontving in verband met zijn ziekte sinds 2003 jaarlijks een WAO-uitkering van het UWV. Daarvoor was hij in dienstbetrekking werkzaam als servicemonteur bij [A] B.V. Na het beëindigen van zijn dienstverband heeft zijn voormalig werkgever [A] B.V., gezien zijn staat van dienst bij het bedrijf en de ernst van zijn ziekte, een personenauto ter beschikking gesteld aan [X] voor privé-gebruik.

Het betrof een [automerk] met een cataloguswaarde van € 11.777. De kosten van deze auto werden, met uitzondering van de brandstofkosten, betaald door de voormalig werkgever.

In het onderhavige jaar heeft [X] 3.000 kilometer gereden met de auto.

Op 18 september 2006 is [X] overleden.

Namens [X] is voor het jaar 2005 aangifte IB/PVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 20.092 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2.352. In de aangifte is geen bedrag opgenomen ter zake van het privé-voordeel van de door de voormalig werkgever van [X] ter beschikking gestelde auto.

Bij de aanslagregeling heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het autokostenforfait als bedoeld in artikel 3.145 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) van toepassing is op het privé-gebruik van de ter beschikking gestelde auto. Dienovereenkomstig heeft verweerder een bedrag van € 2.591 (€ 11.777 x 22%) tot het inkomen van [X] gerekend en het aangegeven belastbaar inkomen uit werk en woning daarmee verhoogd tot € 22.683.

3. Geschil

In geschil is of [X] in het jaar 2005 een privé-voordeel ter zake van het gebruik van de aan hem door zijn voormalig werkgever ter beschikking gestelde auto als loon in aanmerking moet nemen.

Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord is nog in geschil tot welk bedrag het privé-voordeel in aanmerking moet worden genomen.

4. Beoordeling van het geschil

Ingevolge artikel 3.82, aanhef en onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (tekst 2005) wordt tot het loon gerekend het voordeel dat de belastingplichtige heeft uit een hem als werknemer in de zin van de wettelijke bepalingen van de loonbelasting ter beschikking gestelde auto.

Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB) wordt onder werknemer verstaan de natuurlijke persoon die tot een inhoudingsplichtige in privaatrechtelijke of in publiekrechtelijke dienstbetrekking staat of van een inhoudingsplichtige loon geniet uit een vroegere privaatrechtelijke of publiekrechtelijke dienstbetrekking van hemzelf of van een ander, dan wel uit een bestaande privaatrechtelijke of publiekrechtelijke dienstbetrekking van een ander.

In artikel 6, eerste lid, van de Wet LB worden als inhoudingsplichtige aangemerkt.

a. degene, tot wie een of meer personen in dienstbetrekking staan;

b. degene, die aan een of meer personen loon uit een vroegere dienstbetrekking tot hemzelf of tot een ander verstrekt;

c. degene, die ingevolge een aanspraak die niet tot het loon behoort, aan een of meer personen uitkeringen of verstrekkingen uit een dienstbetrekking tot een ander doet.

Ingevolge artikel 11a van de Wet LB (tekst 2005) behoort het genot van een ter beschikking gesteld auto niet tot het loon in de zin van de wettelijke bepalingen van de loonbelasting.

Eisers stellen zich primair op het standpunt dat [X] niet als werknemer kan worden beschouwd. [X] heeft in 2005 geen loon in de zin van de loonbelasting van zijn voormalig werkgever [A] B.V. ontvangen. [X] heeft alleen een auto ter beschikking gesteld gekregen van [A] B.V. Het genot van die auto behoort niet tot het loon voor de loonbelasting. Nu [X] niet als werknemer kan worden aangemerkt, kan het privé-voordeel van het gebruik van de auto niet op grond van artikel 3.82 van de Wet IB 2001 tot het loon worden gerekend, aldus eisers.

Verweerder neemt het standpunt in dat [X] wel kwalificeert als werknemer nu hij in 2005 van het UWV een WAO-uitkering heeft ontvangen die kan worden aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking. Volgens verweerder vloeit die uitkering voort uit het vroegere dienstverband van [X] bij [A] B.V. en dient die uitkering daarom aan [A] B.V. te worden toegerekend.

De rechtbank overweegt als volgt.

Gelet op de hierboven vermelde tekst van artikel 3.82, aanhef en onderdeel a, van de Wet IB 2001 is de rechtbank van oordeel dat voor de toepassing van dat artikel vereist is dat de belastingplichtige aan wie een auto ter beschikking is gesteld ten opzichte van degene die de auto ter beschikking heeft gesteld als werknemer kan worden aangemerkt.

Voor het onderhavige geval betekent dit dat beoordeeld moet worden of [X] in relatie tot [A] B.V. als werknemer kan worden beschouwd.

Vaststaat dat [X] in 2005 niet meer in dienstbetrekking stond tot [A] B.V. Daarnaast staat vast dat [A] B.V. in 2005 enkel de auto ter beschikking heeft gesteld aan [X]. Op grond van artikel 11a van de Wet LB behoort het genot van deze auto niet tot het loon. [X] heeft in 2005 dan ook geen loon in de zin van de loonbelasting ontvangen van [A] B.V.

Een en ander leidt ertoe dat [A] B.V. ten opzichte van [X] niet als inhoudingsplichtige als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wet LB optreedt. Gelet op het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van de Wet LB brengt dit tevens mee dat geen sprake is van werknemerschap van [X] in zijn verhouding tot [A] B.V. Nu dit werknemerschap ontbreekt, kan artikel 3.82 van de Wet IB 2001 naar het oordeel van de rechtbank geen toepassing vinden.

De omstandigheid dat [X] door de ontvangst van de WAO-uitkering in relatie tot het UWV wel als werknemer kwalificeert, doet hieraan niet af. De rechtbank acht immers louter de relatie tussen [A] B.V. en [X] van belang.

Voor verweerders opvatting dat de door het UWV uitgekeerde WAO-uitkering aan [A] B.V. dient te worden toegerekend en op grond daarvan werknemerschap ontstaat, biedt de tekst van artikel 2, eerste lid, van de Wet LB naar het oordeel van rechtbank geen ruimte.

Gelet op het vorenoverwogene kan het privé-voordeel ter zake van het gebruik van de ter beschikking gestelde auto niet tot het loon van [X] worden gerekend. Het gelijk is derhalve aan eisers.

Aan de beantwoording van de vraag tot welk bedrag het privé-voordeel in aanmerking moet worden genomen, komt de rechtbank niet toe.

Het beroep van eisers is gegrond.

5. Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kos¬ten die eisers in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs hebben moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 644 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1).

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de belastingaanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 20.092 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2.352 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers ten bedrage van € 644, en wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan dit bedrag aan eisers te voldoen;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eisers betaalde griffierecht van € 39 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 26 maart 2008 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. A.J.H. van Suilen, rechter, in tegenwoordigheid van drs. R.P.M. Lemmen, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.