Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BC7672

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
20-03-2008
Datum publicatie
26-03-2008
Zaaknummer
AWB 07/3202
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Boete op grond van de Wet arbeid vreemdelingen. Afwezigheid van alle schuld.

De rechtbank concludeert dat eiseres de bij de inspectie geconstateerde afwijking op het identiteitsdocument niet redelijkerwijs had kunnen of moeten onderkennen. Nu de boeterapporten geen melding maken van andere afwijkingen in het document en ook anderszins niet is gebleken dat eiseres door een tekortschietende controle de echtheid daarvan niet heeft onderkend, is de rechtbank van oordeel dat eiseres met betrekking tot de ten laste gelegde overtredingen geen verwijt valt te maken. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 07/3202

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van

inzake

Al Fath B.V., eiseres,

gevestigd te Nijkerk, vertegenwoordigd door mr. C.J.M. de Wit,

tegen

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 22 juni 2007.

2. Procesverloop

Bij besluit van 21 december 2006 heeft verweerder eiseres een bestuurlijke boete van

€ 9.500 opgelegd op grond van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav).

Bij het in rubriek 1 aangeduid besluit heeft verweerder het daartegen ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 7 februari 2008. Eiseres is aldaar vertegenwoordigd door A. Assidi, directeur en door mr. De Wit. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.A.W. Stiekema.

3. Overwegingen

Eiseres exploiteert een uitzendorganisatie. Op 2 november 2005 heeft een inspecteur van de arbeidsinspectie een controle verricht in de administratie van eiseres in het kader van de Wav. Naar aanleiding van deze controle is een boeterapport opgemaakt en is nadien een aanvullend boeterapport opgemaakt. In deze op ambtseed opgemaakte rapporten staat aangegeven dat bij de controle is gebleken dat een vreemdeling met de Marokkaanse nationaliteit, [naam vreemdeling], in de periode van 1 januari 2005 tot 1 april 2005 via een in- en uitleensituatie werkzaamheden heeft verricht bij drie pluimveevleesverwerkende bedrijven, waaronder Heijs Food Products B.V. zonder in het bezit te zijn van een daartoe vereiste tewerkstellingsvergunning. In de administratie van eiseres bleek een kopie van een niet rechtsgeldige Nederlandse identiteitskaart van de vreemdeling aanwezig.

Verweerder heeft aan het bestreden besluit samengevat ten grondslag gelegd dat eiseres in strijd met het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van de Wav heeft gehandeld door als werkgever een vreemdeling arbeid te laten verrichten bij Heijs Food Products B.V., zonder dat deze in het bezit was van een tewerkstellingsvergunning. Voorts heeft eiseres volgens verweerder in strijd met artikel 15, tweede lid, van de Wav niet voldaan aan de uit dit artikel voortvloeiende administratieve verplichtingen, doordat zij als de formele werkgever die de vreemdeling ter beschikking stelde geen kopie van een geldig identiteitsbewijs van deze vreemdeling heeft verstrekt aan de werkgever, waarbij de arbeid feitelijk werd verricht.

Verweerder stelt verder dat de hoogte van de boete in overeenstemming is met de daarvoor vastgestelde beleidsregels en dat niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan de boete zou moeten worden gematigd of ingetrokken.

Eiseres heeft het bestreden besluit gemotiveerd aangevochten. Op haar stellingen zal door de rechtbank hierna, waar nodig, nader worden ingegaan.

De rechtbank overweegt als volgt.

In artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wav is bepaald dat als werkgever wordt aangemerkt degene die in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf een ander arbeid laat verrichten, of de natuurlijke persoon die een ander huishoudelijke of persoonlijke diensten laat verrichten.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wav is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder een tewerkstellingsvergunning.

In artikel 15, eerste lid, van de Wav is bepaald dat, indien de werkgever door een vreemdeling arbeid laat verrichten waarbij die arbeid feitelijk worden verricht bij een andere werkgever, de eerstgenoemde werkgever er bij aanvang van de arbeid door de vreemdeling onverwijld zorg voor draagt dat de andere werkgever een afschrift van het document, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1° tot en met 3°, van de Wet op de identificatieplicht, van de vreemdeling ontvangt.

In artikel 18 van de Wav is bepaald dat als beboetbare feiten worden aangemerkt het niet naleven van de artikelen 2 en 15 van de Wav.

Ingevolge artikel 19d, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wav is de hoogte van de boete, die voor een beboetbaar feit kan worden opgelegd, indien begaan door een rechtspersoon, gelijk aan de geldsom van ten hoogste € 45.000. Op grond van het derde lid van dit artikel stelt de minister beleidsregels vast waarin de boetebedragen voor de beboetbare feiten worden vastgesteld.

In de Beleidsregels boeteoplegging Wav 2007, gepubliceerd in de Staatscourant van

22 december 2006, nr. 250 (hierna: de Beleidsregels), is bepaald dat bij de berekening van een boete als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, van de Wav voor alle beboetbare feiten als uitgangspunt worden gehanteerd de normbedragen die zijn neergelegd in de Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Tarieflijst) die als bijlage bij deze beleidsregels is gevoegd.

Volgens de Tarieflijst is het boetenormbedrag voor overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav op € 8.000 gesteld. Op overtredingen van artikel 15, eerste lid, van de Wav is een boetenormbedrag van € 1500 gesteld.

In artikel 8 van de Beleidsregels is bepaald dat indien de werkgever kan aantonen dat hij zich redelijkerwijze in voldoende mate heeft ingespannen om een gedraging in strijd met artikel 2, eerste lid, van de Wav te voorkomen, de boete kan worden gematigd tot € 4000 voor een rechtspersoon per beboetbaar feit.

Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres ten aanzien van de geconstateerde feiten als werkgever in de van de Wav moet worden aangemerkt. Nu verder vaststaat dat de Marokkaanse werknemer niet over een tewerkstellingsvergunning beschikte, heeft verweerder zich op grond van de genoemde feiten terecht op het standpunt gesteld dat eiseres het verbod van artikel 2, eerste lid, van de Wav heeft overtreden, hetgeen ingevolge artikel 18 van de Wav als beboetbaar feit wordt aangemerkt. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat voor overtreding van artikel 2, eerste lid, niet relevant is of sprake is van verwijtbaarheid bij de betrokken werkgever. Tot een zelfde oordeel komt de rechtbank ten aanzien van de aan eiseres opgelegde boete wegens overtreding van artikel 15 van de Wav. Het verstrekken van een kopie van een vals identiteitsbewijs aan de feitelijke werkgever heeft naar het oordeel van de rechtbank voor de toepassing van artikel 15 van de Wav te gelden als het niet verstrekken van een kopie van het document als bedoeld in dat artikel.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit samengevat aangevoerd dat zij bij de indiensttreding van de vreemdeling zijn identiteit heeft geverifieerd. Nadat de vreemdeling al enige jaren bij eiseres in dienst was heeft hij in 2003 een nieuw identiteitsbewijs overgelegd. Eiseres stelt dat zij ook dit identiteitsbewijs zorgvuldig heeft gecontroleerd en vervolgens in de administratie heeft opgenomen. Zij stelt dat zij geen reden had om te twijfelen aan de oprechtheid van de vreemdeling of aan de echtheid van zijn identiteitsbewijs. De door de arbeidsinspectie geconstateerde afwijking aan de achterzijde van het identiteitsbewijs is volgens eiseres niet zodanig evident dat deze haar had moeten opvallen. In dat verband heeft zij er op gewezen dat ook de belastingdienst bij een eerder gehouden controle (de kopie van) het identiteitsbewijs als een geldig document heeft aangemerkt. Op de internetsites, waarop voorlichting wordt gegeven over de echtheidskenmerken van identiteitsbewijzen, noch in de beschikbare handboeken wordt volgens eiseres informatie verstrekt over de achterzijde van de Nederlandse identiteitskaart. Nu er verder geen wettelijke bepalingen zijn die voorschrijven op welke wijze een werkgever de echtheid van een document moet vaststellen kan eiseres niet worden verweten dat zij de valsheid van het document niet heeft onderkend. Om die reden is eiseres van mening dat de overtreding haar in het geheel niet worden verweten, zodat geen boete behoort te worden opgelegd.

Naar vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie onder meer de uitspraak van 11 juli 2007, LJN: BA9311) wordt in situaties van overtreding van de Wav waarin sprake is van het volledig ontbreken van verwijtbaarheid van boeteoplegging afgezien. Hiertoe dient eiseres aannemelijk te maken dat zij de maximale van haar te vergen zorg heeft betracht ter voorkoming van de overtreding.

De rechtbank stelt in dit verband voorop dat eiseres als werkgever is gehouden om de identiteit van haar werknemers op een deugdelijke wijze te controleren en dat in dat verband op haar ook een onderzoeksplicht rust naar de echtheid van een door de werknemer getoond identiteitsbewijs.

Uit het boeterapport blijkt dat de identiteitsgegevens van de vreemdeling in overeenstemming zijn met de gegevens op de identiteitskaart, maar dat de identiteitskaart een vervalsing betreft. Volgens het aanvullend boeterapport blijkt uit de kopie van het vervalste identiteitsdocument dat de gebruikte letters en cijfers in de zogenoemde “machine readable zone” op de achterzijde van het identiteitsdocument afwijkend zijn van het juiste lettertype en de lettergrootte.

De rechtbank ziet zich in dit verband voor de vraag gesteld of eiseres bij het vervullen van de op haar rustende onderzoeksplicht redelijkerwijs had moeten onderkennen dat sprake is van een niet rechtsgeldig document, althans dat zij redelijkerwijs had moeten twijfelen aan de echtheid daarvan. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend.

Daartoe wordt allereerst in aanmerking genomen dat het afwijkende lettertype op de identiteitskaart niet is te beschouwen als een in het oog springende afwijking. Daarbij is niet zonder betekenis dat ook bij een controle door de belastingdienst in 2005 de echtheid van het document is gecontroleerd en niet aan het licht is gekomen.

Via een website en brochures heeft het Ministerie van sociale zaken en werkgelegenheid aan werkgevers informatie verstrekt over hun verantwoordelijkheden bij tewerkstelling van vreemdelingen. In het bijzonder is in de brochure “Wat u moet weten over vreemdelingen en werk” een stappenplan aangegeven voor controle van identiteitsdocumenten.

De rechtbank is niet gebleken dat eiseres, bij het volgen van het stappenplan redelijkerwijs had moeten vermoeden dat hier sprake is van een vals document. Noch het stappenplan, noch de internetinformatie waarnaar in de brochure wordt verwezen, bevatten informatie over de achterzijde van een identiteitskaart, laat staan over het lettertype dat in de “machine readable zone” moet worden gebruikt.

Namens verweerder is ter zitting het standpunt ingenomen dat eiseres met gebruikmaking van een handboek eenvoudig had kunnen vaststellen dat sprake is van een afwijkend lettertype. De rechtbank overweegt hierover dat het ter zitting getoonde handboek geen beschrijving bevat ten aanzien van het lettertype dat voor de machine readable zone wordt gebruikt. Wel kan aan de hand van de in het handboek opgenomen afbeelding van de achterzijde van de identiteitskaart de afwijking worden vastgesteld. Hieraan kent de rechtbank echter geen doorslaggevende betekenis toe, omdat in het genoemde stappenplan in de brochure slechts als tip is vermeld dat bij de controle gebruik kan worden gemaakt van hulpmiddelen zoals een loep, UV-lamp of handboeken. Gebruikmaking van dergelijke middelen is niet voorgeschreven en gaan de maximale van de werkgever te vergen inspanning om een overtreding te voorkomen te boven.

Ter zitting is namens verweerder er op gewezen dat het identiteitsbewijs nog andere afwijkingen bevat die bij een deugdelijke controle naar de echtheid zijn waar te nemen. Gewezen is op een (andere) afwijking met betrekking tot de karakters in de machine readable zone en op een afwijking met betrekking tot de weergave van de tot afgifte bevoegde instantie. Daargelaten dat ook in dit opzicht geen sprake is van in het oog springende afwijkingen, gaat de rechtbank aan dit betoog voorbij, nu deze afwijkingen niet aan het opleggen van de boete ten grondslag zijn gelegd.

Het voorgaande brengt de rechtbank tot de slotsom dat eiseres de bij de inspectie geconstateerde afwijking op het identiteitsdocument niet redelijkerwijs had kunnen of moeten onderkennen. Nu de boeterapporten geen melding maken van andere afwijkingen in het document en ook anderszins niet is gebleken dat eiseres door een tekortschietende controle de echtheid daarvan niet heeft onderkend, is de rechtbank van oordeel dat eiseres met betrekking tot de ten laste gelegde overtredingen geen verwijt valt te maken. De rechtbank komt gezien het voorgaande tot gegrondverklaring van het beroep en vernietiging van het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:4 en 4:84 van de Awb.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank niet toe aan de door eiseres ter zitting ingebrachte stelling dat zij te goeder trouw een kopie van het document heeft verstrekt aan de inlener en dat het gelet op de samenloop van de ten laste gelegde overtredingen niet redelijk is de boetes cumulatief op te leggen.

De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak voorzien door het besluit van 21 december 2006 te herroepen en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

De kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar heeft gemaakt komen niet voor vergoeding in aanmerking. Eiseres heeft niet tijdens de bezwaarprocedure om vergoeding van deze kosten verzocht, zodat niet is voldaan aan artikel 7:15, derde lid, van de Awb.

De rechtbank acht wel termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten in beroep, welke zijn begroot op € 644 aan kosten van verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

Eiseres heeft nog verzocht om te bepalen dat de door haar betaalde boete moet worden betaald, vermeerderd met de wettelijke rente. De rechtbank ziet daartoe geen aanleiding nu uit artikel 19j van de Wav al volgt dat indien een boete ten onrechte is opgelegd, de betaalde geldsom, vermeerderd met de wettelijke rente, binnen zes weken nadat is vastgesteld dat de boete ten onrechte is opgelegd, aan de rechthebbende wordt terugbetaald.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

herroept het besluit van 21 december 2006 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten ten bedrage van € 644 en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

bepaalt dat de Staat der Nederlanden het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van

€ 285 aan haar vergoedt;

Aldus gegeven door mr. J.A. van Schagen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. G.W.B. Heijmans, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2008.

De griffier, De rechter,