Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BC7664

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
19-03-2008
Datum publicatie
26-03-2008
Zaaknummer
AWB 07/3971
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om handhaving, strekkende tot het voorkomen van de kunsttentoonstelling ‘Rotariage 2006’ in het stadhuis en de verkoop van de kunstwerken in Café De Waag. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de bestemmingsplanvoorschriften en bepalingen in de APV overtreden, zodat het college bevoegd was om handhavend op te treden. Het beroep is gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 07/3971

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van

inzake

[naam], eiser,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. J.B.M. Heerink,

tegen

de burgemeester van de gemeente Doesburg, alsmede

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Doesburg (het college), hierna gezamenlijk aangeduid als verweerders.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerders van 21 augustus 2007.

2. Procesverloop

Bij brieven van 9 en 23 februari 2006 heeft eiser aan verweerders verzoeken tot handhaving gericht. Deze verzoeken strekken tot het voorkomen van het houden van kunsttentoonstelling ‘Rotariage’ in het stadhuis te Doesburg op 31 maart, 1 en 2 april 2006, en de verkoop van de tentoongestelde werken in Café De Waag, georganiseerd door de Rotaryclubs Doesburg en Doetinchem Oude IJssel.

Bij uitspraak van 9 maart 2007 heeft deze rechtbank, voor zover hier van belang, het met een weigering gelijk te stellen niet-tijdig besluiten op eisers bezwaarschrift, voor zover gericht tegen het uitblijven van een besluit op zijn verzoeken om handhaving, vernietigd. De rechtbank heeft verweerder II opgedragen alsnog een besluit te nemen op de verzoeken tot handhaving.

Bij besluit van 1 mei 2007 hebben verweerders het verzoek om handhavend op te treden afgewezen.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit hebben verweerders het ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit van 1 mei 2007 gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 28 februari 2008. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. J.B.M. Heerink voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.J. Lokhorst en door M.G.M. Tonin, beiden werkzaam bij de gemeente Doesburg.

3. Overwegingen

In zijn verzoeken tot handhaving van 9 februari 2006 en 23 februari 2006 stelt eiser zich voor zover hier van belang op het standpunt dat de kunsttentoonstelling in het stadhuis en de verkoop van de kunstwerken in Café De Waag in strijd zijn met de gebruiksvoorschriften van het vigerende bestemmingsplan. Voorts stelt eiser zich op het standpunt dat wordt gehandeld in strijd met de horecavergunning, bepalingen in de Drank- en Horecawet en met bepalingen in de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Doesburg 1999 (hierna: de APV).

Aan het bestreden besluit ligt, voor zover hier van belang, het standpunt van verweerders ten grondslag dat er geen gronden waren om handhavend op te treden omdat met het houden van de kunsttentoonstelling en de verkoop van de tentoongestelde werken niet wordt gehandeld in strijd met artikel 5.2.1 van de APV, de gebruiksvoorschriften van het bestemmingsplan ‘Binnenstad’ en artikel 15 van de Drank- en Horecawet.

Eiser kan zich hiermee niet verenigen, stelt zich op het standpunt dat voormelde voorschriften zijn geschonden, en heeft het bestreden besluit gemotiveerd aangevochten. Op zijn stellingen zal de rechtbank hierna, voor zover nodig, ingaan.

De rechtbank stelt ambtshalve vast dat eiser, hoewel het verzoek tot handhaving was gericht op de tentoonstelling en de verkoop van de tentoongestelde werken in 2006 en die activiteiten reeds zijn afgesloten, voldoende procesbelang heeft bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Uit de gedingstukken is de rechtbank gebleken dat de Rotariage eens in de twee jaar wordt georganiseerd en dat deze in april 2008 wederom wordt georganiseerd. Niet gebleken is dat deze in opzet en locatie anders zal zijn dan de Rotariage 2006. Daarom heeft eiser voldoende belang bij een beoordeling van de rechtmatigheid van de weigering van verweerders om ter zake van de Rotariage 2006 handhavend op te treden. Aan het namens verweerders ter zitting gedane verzoek om het beroep niet-ontvankelijk te verklaren, zal dan ook geen gevolg worden gegeven.

Voor zover het bestreden besluit door de burgemeester van de gemeente Doesburg is genomen, volstaat de rechtbank met de vaststelling dat de door de burgemeester bij besluit van 23 maart 2006 aan de Rotaryclubs verleende evenementenvergunning inmiddels in rechte onaantastbaar is geworden.

Ten aanzien van de gestelde strijd met de bestemmingsplanvoorschriften

Ingevolge artikel 28, eerste lid, van de voorschriften bij het bestemmingsplan ‘Binnenstad’ (hierna: de planvoorschriften) is het voor zover hier van belang verboden om gronden en gebouwen anders te gebruiken dan overeenkomstig de op de kaart aangewezen bestemmingen en deze voorschriften.

Ten aanzien van het door eiser gestelde strijdige gebruik van Café De Waag overweegt de rechtbank het volgende.

In artikel 12 van de voorschriften is voor zover hier van belang bepaald dat de op de kaart aangegeven gronden zijn bestemd voor horecabedrijven, zoals hotels, restaurants en cafés.

Vast staat dat ingevolge het bestemmingsplan op Café De Waag de bestemming van horecabedrijf rust. Tussen partijen is verder niet in geschil dat in dit café de in het stadhuis tentoongestelde kunst werd verkocht. Ter zitting is namens het college erkend dat deze verkoopactiviteiten in strijd zijn met de bestemming van horecabedrijf, bezien in samenhang met artikel 28, eerste lid, van de planvoorschriften. Het standpunt van het college dat er geen gronden waren om ter zake handhavend op te treden – waarmee kennelijk is bedoeld te zeggen dat er geen bevoegdheid was om handhavend op te treden – kan derhalve in zoverre niet in stand blijven.

Ten aanzien van het door eiser gestelde strijdige gebruik van het stadhuis overweegt de rechtbank het volgende.

In artikel 13 van de planvoorschriften is, voor zover hier van belang, bepaald dat de op de kaart voor bijzondere bebouwing aangegeven gronden zijn bestemd voor bijzondere gebouwen.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder 16e, van de voorschriften wordt onder bijzonder gebouw verstaan: een openbaar gebouw, of een gebouw voor religieuze, culturele, medische, educatieve of sociale doeleinden.

Vast staat dat op het stadhuis de bestemming van bijzondere bebouwing rust. Blijkens het verhandelde ter zitting is het college van mening dat in het stadhuis geen commerciële activiteiten mogen plaatsvinden. Gelet op het bepaalde in artikel 1, aanhef en onder 16e, van de voorschriften deelt de rechtbank dat standpunt.

Het college stelt zich op het standpunt dat het houden van een kunsttentoonstelling niet in strijd is met de planvoorschriften, omdat de tentoonstelling culturele doeleinden diende. De daadwerkelijke verkoopactiviteiten die in het nabijgelegen Café De Waag plaatsvinden, moet daar volgens het college los van worden gezien. Eiser stelt zich daarentegen kort gezegd op het standpunt dat sprake is van een verkooptentoonstelling zodat het gebruik van het stadhuis strijdig met de bestemming is.

Dit betoog van eiser slaagt. Tussen partijen is niet in geschil dat de in het stadhuis tentoongestelde kunstwerken door de bezoekers konden worden aangekocht en dat de aankoop van een kunstwerk vervolgens in Café De Waag werd afgehandeld. Tevens is de rechtbank uit de gedingstukken gebleken dat de kunstwerken op de website van de Rotariage werden getoond, dat de prijs van het kunstwerken daarbij werd vermeld en dat de kunstwerken konden worden gereserveerd. Ook blijkt uit de gedingstukken dat de opbrengst van de kunstwerken voor twee derde deel toekwam aan de makers van de kunstwerken. Uit het voorgaande volgt naar het oordeel dat de activiteiten in Café De Waag en het stadhuis onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden en dat de tentoonstelling in het stadhuis niet uitsluitend culturele doeleinden diende, maar in substantiële mate ook commerciële doeleinden. Het voorgaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat het gebruik van het stadhuis in strijd was met de bestemming, bezien in samenhang met artikel 28, eerste lid, van de planvoorschriften. Het standpunt van het college dat er geen gronden waren om handhavend op te treden – waarmee kennelijk is bedoeld te zeggen dat er geen bevoegdheid was om handhavend op te treden – kan derhalve ook in zoverre niet in stand blijven.

Ten aanzien van de gestelde strijd met artikel 5.2.1 van de APV

Ingevolge artikel 5.2.1, eerste lid, van de APV (‘inzameling van geld of goed’) is het verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden.

In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat onder een inzameling van geld of goederen mede wordt verstaan het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, dan wel bij het aanbieden van diensten aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.

In het derde lid van dit artikel is bepaald dat het in het eerste lid gestelde verbod niet geldt voor een inzameling die in besloten kring gehouden wordt.

In het vierde lid van dit artikel is bepaald dat burgemeester en wethouders onder door hen te stellen voorschriften vrijstelling kunnen verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod voor inzamelingen die gehouden worden door daarbij aangewezen instellingen.

Uit de gedingstukken is niet gebleken dat het college een vergunning als bedoeld in artikel 5.2.1, eerste lid, van de APV heeft verleend. Evenmin is gebleken van een vrijstelling als bedoeld in het vierde lid van genoemd artikel.

Het college stelt zich op het standpunt dat artikel 5.2.1, eerste lid, van de APV niet is geschonden. Het college stelt daartoe dat geen sprake was van een openbare gelegenheid omdat de bijeenkomst in Café De Waag een besloten karakter had door de uitgifte van bezoekerskaarten aan de hand van een inschrijflijst.

Eiser bestrijdt dit standpunt en stelt dat de kunstverkooptentoonstelling openbaar was. Ook deze stelling onderschrijft de rechtbank. Uit de gedingstukken leidt de rechtbank af dat het publiek in staat werd gesteld, al dan niet met gebruikmaking van toegangskaarten, de kunstwerken te kopen. Ook konden deze kunstwerken via internet worden gereserveerd. Dat de aankoop van de kunstwerken voorbehouden was aan een besloten kring van personen vindt geen steun in de gedingstukken en is de rechtbank ook overigens niet gebleken.

Verder blijkt uit de gedingstukken dat ongeveer één derde deel van de opbrengst van de verkoop van de kunstwerken werd besteed aan charitatieve doelen en dat dit publiekelijk kenbaar is gemaakt. De verkoop van de kunstwerken moet dan ook worden aangemerkt als een inzameling van geld als bedoeld in artikel 5.2.1, eerste lid, van de APV. Nu uit het voorgaande volgt dat de door het college gestelde uitzonderingssituatie als bedoeld in het derde lid zich niet voordeed, is de rechtbank van oordeel dat met de verkoop van de kunstwerken in strijd met artikel 5.2.1, eerste lid, van de APV is gehandeld. Het standpunt van het college dat er geen gronden waren om handhavend op te treden – waarmee kennelijk is bedoeld te zeggen dat er geen bevoegdheid was om handhavend op te treden – kan derhalve ook in zoverre niet in stand blijven.

Conclusie

Het voorgaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat het standpunt van het college dat er geen aanleiding bestond om tegen de kunsttentoonstelling en de verkoop van de tentoongestelde werken handhavend op te treden, in strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb ondeugdelijk is gemotiveerd. Nu de planvoorschriften en artikel 5.2.1, eerste lid, van de APV zijn overtreden, was het college zowel voor wat betreft het stadhuis als Café De Waag bevoegd om op de voet van artikel 125 van de Gemeentewet handhavend op te treden. De rechtbank zal het beroep derhalve gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Gelet op het voorgaande kan in het midden blijven of is gehandeld in strijd met artikel 15 van de Drank- en Horecawet.

Aan een beoordeling of het college in redelijkheid heeft kunnen afzien om handhavend op te treden, komt de rechtbank niet toe, omdat verweerder daarover in het bestreden besluit geen standpunt heeft ingenomen. In een nieuw te nemen besluit op bezwaar zal verweerder zich daarover een oordeel moeten vormen. Daarbij wijst de rechtbank er op dat volgens vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik zal moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren, dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

Aangezien in april 2008 wederom een Rotariage zal worden gehouden, zal de rechtbank bepalen dat verweerder binnen drie weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar neemt.

De rechtbank acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en het college te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op

€ 322 aan kosten van verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Doesburg een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen binnen drie weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

veroordeelt het college in de door eiser gemaakte proceskosten ten bedrage van € 322 en wijst de gemeente Doesburg aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

bepaalt dat de gemeente Doesburg het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 143 aan hem vergoedt.

Aldus gegeven door mr. J.J. Penning, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J. Woestenburg, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2008. .

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 19 maart 2008