Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BC7227

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
12-03-2008
Datum publicatie
26-03-2008
Zaaknummer
160191
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat art. 1:88 lid 1 onder c BW ook beoogt bescherming van de andere echtgenoot als de direct betrokkenen, de geldgever, de werkelijke geldnemer en de formese geldnemer desbewust hebben ingestemd met een constructie die materieel gelijk staat met een in art. 1:88 lid 1 onder c BW genoemde.

Der rechtbank ziet de gehele overeenkomst materieel als een overeenkomst van borgtocht. Deze is vernietigd door de echtgenotes van gedaagden.

Het gevolg van de vernietiging is in deze uitleg van de overeenkomst dat gedaagden als borgen uit de overeenkomst vallen. Wat overblijft is een geldlening zonder borgstelling van gedaagden. Van betaling door gedaagden kan in die situatie geen sprake zijn. De vordering zal daarom worden afgewezen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 88
Burgerlijk Wetboek Boek 1 89
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 850
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2008/215 met annotatie van mr. R.I.V.F. Bertrams
JIN 2008/335

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 160191 / HA ZA 07-1444

Vonnis van 12 maart 2008

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[bedrijfsnaam] BEHEER B.V.,

gevestigd te Arnhem,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

procureur mr. W.J.G.M. van den Broek,

advocaat mr. J.P.J.M. Naus te Nijmegen,

tegen

1. [gedaagde],

wonende te [woonplaats],

2. [gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

procureur mr. P.M. Wilmink,

advocaat mr. C.J.R. van Binsbergen te Alphen aan den Rijn.

Partijen zullen hierna [bedrijfsnaam] Beheer en de gebroeders [gedaagden] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 7 november 2007

- het proces-verbaal van comparitie van 20 februari 2008

- de akte houdende vermeerdering van eis in voorwaardelijke reconventie van de gebroeders [gedaagden]

- de conclusie van antwoord in reconventie.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 17 oktober 2006 is een akte opgemaakt met de kop Schuldbekentenis. [bedrijfsnaam] Beheer is daarbij partij als ‘schuldeiser’, als ‘schuldenaar’ wordt aangeduid [broer van gedaagden] en/of [gedaagde sub 2] en/of [betrokkene] ‘ten deze handelende gezamenlijk als ieder voor zich voor het geheel.’ De derde partij die in de akte wordt genoemd, is Benga B.V. [broer van gedaagden] is een broer van de [gedaagden]. De akte luidt onder meer:

A. GELDLENING

De schuldenaar verklaart op (17 oktober 2006) ter leen te hebben ontvangen van en mitsdien schuldig te zijn aan de schuldeiser een bedrag van (€ 180.000,00), hierna te noemen: “hoofdsom”, onder de navolgende bedingen.

1. De schuldenaar zal over de hoofdsom of het onafgeloste gedeelte daarvan een rente vergoeden van (6%) per jaar (…).

2. De looptijd van de lening bedraagt zes maanden en eindigt mitsdien op (17 april 2007). De hoofdsom of het restant daarvan is na die datum geheel of gedeeltelijk opeisbaar, mits een opzegtermijn van 1 maand in acht wordt genomen. Aflossingen (…) zijn te allen tijde boetevrij mogelijk, echter met inachtneming van het hierna onder B bepaalde.

3. In afwijking van het vorenstaande is al het terzake van deze geldlening verschuldigde, daaronder begrepen de rente en kosten, met inachtneming van het hierna onder B bepaalde, terstond opeisbaar zonder dat enige ingebrekestelling bij bevel of soortgelijke akte is vereist: bij wanbetaling of verzuim in de stipte voldoening van de rente, bij overtreding (…).

B ACHTERSTELLING

Partijen zijn voorts met betrekking tot voormelde schuld overeengekomen dat het bedrag van deze lening door schuldenaar zal worden door geleend aan Benga en dat de vordering van schuldenaar op Benga zal zijn achtergesteld bij de vordering, die de schuldeiser heeft op Benga uit hoofde van geleend geld uit de rekening-courant overeenkomst tot een limiet van (€ 1.300.000,00).

In verband met het vorenstaande zijn partijen overeengekomen als volgt:

1. De schuldenaar verbindt zich jegens schuldeiser geen betalingen strekkende tot vrijwillige gehele of gedeeltelijke aflossing van bovengemelde lening van Benga te zullen accepteren, waardoor de schuld van Benga aan de schuldenaar zou dalen. De schuldenaar en Benga verbinden zich jegens de schuldeiser zodanige betalingen aan de schuldenaar niet dan zonder de schriftelijke toestemming van de schuldeiser te zullen verrichten.

2. De schuldenaar verbindt zich jegens de schuldeiser bovengemelde lening, nadat dit door welke oorzaak ook opeisbaar zal zijn geworden, niet te zullen opeisen dan na schriftelijke toestemming van de schuldeiser. De betalingsverplichting van de Benga tegenover de schuldenaar zal alsdan zijn opgeschort; jegens de schuldeiser verbinden de schuldenaar en Benga zich alsdan geen betaling aan de schuldenaar te zullen voldoen.

2.2. Op 31 juli 2007 heeft [echtgenote van betrokkene sub 2] de nietigheid ingeroepen van de overeenkomst van 17 oktober 2006 tussen [bedrijfsnaam] Beheer, [broer van gedaagden en gedaagden] en Benga voor zover die ziet op de verplichtingen van haar man, [gedaagde sub 2]. Hetzelfde heeft [echtgenote van gedaagde sub 1] op dezelfde datum gedaan voor zover de overeenkomst van 17 oktober 2006 ziet op de verplichtingen van haar man [gedaagde sub 1].

2.3. [bedrijfsnaam] Beheer heeft tot zekerheid van haar vordering op de [gedaagden] derdenbeslag laten leggen onder Benga. Deze heeft verklaard € 82.073,53 onder zich te hebben, te weten € 41,000,00 aan ontbindingsvergoeding voor [gedaagde sub 1] en uit hoofde van een ‘vaststellingsovereenkomst tot beëindiging arbeidsovereenkomst’ voor [gedaagde sub 2] € 41.073,53.

2.4. Op 12 oktober 2007 is op verzoek van [bedrijfsnaam] Beheer conservatoir beslag gelegd op de onverdeelde helft van de woning van [gedaagde sub 2] te Woubrugge, die hem in eigendom toebehoort.

3. Het geschil

in conventie

3.1. [bedrijfsnaam] Beheer vordert – samengevat – hoofdelijke veroordeling van de [gedaagden] tot betaling van € 180.000,00 + p.m., vermeerderd met contractuele, althans wettelijke rente en kosten. Zij stelt zich op het standpunt dat de onder 2.1 bedoelde geldlening een looptijd van zes maanden had, zodat er op 17 april 2007 afgelost moest zijn. Er is door de [gedaagden] niets betaald.

3.2. De [gedaagden] voeren verweer. Zij stellen dat hun echtgenotes de onder 2.1 bedoelde overeenkomst hebben vernietigd op grond van de artikelen 1:88 en 89 Burgerlijk Wetboek (BW), omdat het hier in wezen niet gaat om een geldlening met achterstelling, maar om een borgstelling van de [gedaagden] voor Benga. Subsidiair voeren zij aan dat de overeenkomst vernietigbaar zou zijn wegens dwaling althans wegens wijziging van de omstandigheden.

3.3. De [gedaagden] betogen dat de volgende omstandigheden hebben geleid tot het sluiten van de overeenkomst. [broer van gedaagden] exploiteerde de reisorganisatie [broer van gedaagden] [ ]. Toen deze in financiële moeilijkheden kwam, trachtte [broer van gedaagden] met enkele investeerders de activiteiten van de reisorganisatie op een andere wijze voort te zetten. Daartoe werd Benga opgericht. Deze vond een investeerder in [bedrijfsnaam] Beheer. Toen additionele financiering nodig bleek, leidde dit in overleg tussen onder meer [bedrijfsnaam] Beheer, Benga en de [gedaagden] tot de doorleenconstructie die is vastgelegd in de overeenkomst van 17 oktober 2006. Deze zou onder druk van [bedrijfsnaam] Beheer tot stand zijn gekomen.

3.4. Het beroep op dwaling en wijziging van omstandigheden onderbouwen de [gedaagden] met de stelling dat op 29 september 2006 tussen [bedrijfsnaam] Beheer, Wahranga Beheer B.V. ([ ]), [..........] Holding B.V. ([..........]), PL [ ] B.V. en BLP B.V. ([broer van gedaagden]), [...........] Holding B.V. ([...........]), en Benga was overeengekomen dat [broer van gedaagden] bestuurder van Benga zou worden. Dit was voor de [gedaagden] de doorslaggevende reden om in te stemmen met de overeenkomst van 17 oktober 2006. Toen deze tot stand kwam heeft [bedrijfsnaam] Beheer ten onrechte nagelaten de [gedaagden] mee te delen dat deze benoeming van de baan was.

3.5. De [gedaagden] achten restitutie na vernietiging of ontbinding van de overeenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.

3.6. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.7. De [gedaagden] vorderen – samengevat – onvoorwaardelijk een verklaring voor recht dat de geldleningsovereenkomst rechtsgeldig is vernietigd door hun echtgenotes krachtens art. 1:88 jo. 1:89 BW bij brieven van 31 juli 2007 en 27 augustus 2007, op de grond dat de geldleningsovereenkomst materieel kwalificeert als een lening aan Benga B.V. terzake waarvan de [gedaagden] zich jegens [bedrijfsnaam] Beheer hebben verbonden als borg. Subsidiair vorderen zij vernietiging van de overeenkomst op deze grondslag. Meer subsidiair vorderen zij een verklaring voor recht dat de overeenkomst rechtsgeldig is vernietigd bij brief van 27 augustus 2007, waarbij de restitutieplicht van de [gedaagden] op nihil wordt gesteld. Nog meer subsidiair vorderen zij een verklaring voor recht dat de aan de geldleningsovereenkomst verbonden hoofdelijkheid door hun echtgenotes is vernietigd, althans vernietiging van de contractuele hoofdelijkheid op deze grond.

3.8. De [gedaagden] vorderen onder de voorwaarde dat de vordering van [bedrijfsnaam] Beheer in conventie wordt afgewezen, haar veroordeling tot het betalen van schadevergoeding, op te maken bij staat, wegens onrechtmatige beslaglegging.

3.9. Bij vermeerdering van eis hebben de [gedaagden] aangevoerd dat het onder Benga gelegde derdenbeslag het resultaat is van samenspanning tussen [bedrijfsnaam] Beheer en Benga. Hierbij heeft Benga haar geheimhoudingsverplichting jegens de [gedaagden] geschonden. De opzet is gericht geweest op het blokkeren van de uitbetaling van door Benga aan de [gedaagden] verschuldigde beëindigingsvergoedingen. Dit beslag achten zij daarom onrechtmatig. Zij vorderen veroordeling tot het betalen van schadevergoeding, op te maken bij staat.

3.10. Ten slotte vorderen zij veroordeling van [bedrijfsnaam] Beheer in de proceskosten en nakosten.

3.11. [bedrijfsnaam] Beheer voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie

4.1. Centraal staat de vraag of de overeenkomst die in de akte van 17 oktober 2006 vastligt, de [gedaagden] bindt.

4.2. De rechtbank zal allereerst nagaan wat met deze overeenkomst door de erbij betrokken partijen werd beoogd. Hierbij beziet de rechtbank de overeenkomst van geldlening en achterstelling als één geheel.

4.3. In deze zaak is sprake van een driepartijenovereenkomst tussen de uitlener [bedrijfsnaam] Beheer, de uiteindelijke lener Benga en de tussenliggende partij, de [gedaagden], die een aantal bedingen bevat die tot effect hebben

- dat Benga niet buiten [bedrijfsnaam] Beheer om aan de [gedaagden] mag aflossen,

- dat de [gedaagden] hun lening aan Benga niet zonder toestemming van [bedrijfsnaam] Beheer mogen opeisen,

- dat de schuld van de [gedaagden] aan [bedrijfsnaam] Beheer niet vermindert door betaling van Benga aan de [gedaagden],

- dat indien en voor zover Benga betaalt aan [bedrijfsnaam] Beheer ook de schuld van de [gedaagden] aan [bedrijfsnaam] Beheer daardoor vermindert mits de schuld van Benga aan [bedrijfsnaam] Beheer door de betaling verminderd is,

- dat [bedrijfsnaam] Beheer de [gedaagden] kan aanspreken zolang Benga niet aan [bedrijfsnaam] Beheer heeft betaald, en

- dat de [gedaagden] Benga niet kunnen aanspreken buiten [bedrijfsnaam] Beheer om.

4.4. Daarbij is van belang dat de opzet van de constructie gericht is geweest op de persoonlijke aansprakelijkheid van de [gedaagden] tegenover [bedrijfsnaam] Beheer in het kader van het verschaffen van geld door [bedrijfsnaam] Beheer aan Benga. Hierover bestaat eenstemmigheid tussen de partijen. De [gedaagden] stellen het en de heer [betrokkene 4], directeur van [bedrijfsnaam] Beheer, heeft ter comparitie verklaard:

Benga had vijf ton nodig, werd mij op een ogenblik verteld. Ik had al 1,3 miljoen aan Benga geleend. Ik heb toen meegedeeld dat ik niets meer met Benga te maken wilde hebben. Ik wilde die vijf ton alleen beschikbaar stellen als [betrokkene] [broer van gedaagden] en [betrokkene] en bovendien de [gedaagden] die nu hier zijn, in privé borg wilden staan. Voor de heren die nu hier zijn, gold dat het bedrag van € 180.000,00. Mijn bedoeling was dat zij in privé borg stonden net als [broer van gedaagden], [betrokkene] en [betrokkene]. Bij voorlezing merk ik op dat ik hiermee bedoel dat ik hen duidelijk maakte dat ik alleen maar in privé wilde lenen en niets meer met Benga te maken wilde hebben. Ik wilde dus dat de heren die ik noemde zich privé aansprakelijk stelden. Zo hebben de heren [betrokkene], [betrokkene] en [betrokkene] het ook begrepen en zij betalen mij ieder in privé terug.

4.5. Ondanks de zorgvuldige vermijding van het woord borgstelling na voorlezing van de verklaring ter comparitie, geeft [betrokkene 4] ook dan nog aan dat [bedrijfsnaam] Beheer omdat Benga vijf ton nodig had, wel geld wilde fourneren, maar alleen in een constructie die de genoemde vijf natuurlijke personen aansprakelijk maakt. Dat [bedrijfsnaam] Beheer niets meer met Benga te maken wilde hebben, betekent niet dat zij niet wilde dat de vijf ton Benga ten goede kwam, maar uitsluitend dat zij de zekerheid van de aansprakelijkheid van vijf natuurlijke personen wenste.

4.6. De overeenkomst bevat niet expliciet een van de door art. 1:88 BW lid 1 onder c bedoelde rechtsfiguren. De hoofdelijkheid waarvan in de overeenkomst sprake is, is er immers niet één naast een hoofdschuldenaar, maar op grond van een eigen schuld uit geldlening. De vraag is daarmee of deze wettelijke bepaling de genoemde rechtsfiguren aan de hand van een formeel criterium – wordt de rechtsfiguur als zodanig gepresenteerd? – of aan de hand van een materieel criterium – gaat het, ongeacht de aanduiding in bijvoorbeeld een akte, in wezen om een van de door het artikellid bestreken figuren? – afbakent.

4.7. Het wetsartikel wil geen ruimte bieden om de echtgenoot van de handelende persoon te beschermen tegen alle rechtshandelingen die economisch gezien op dezelfde wijze als de in het artikel opgesomde een bedreiging kunnen vormen voor de financiële positie van die echtgenoot.

HR 19 november 1993, NJ 1994, 259: Art. 1:88 lid 1 bepaalt dat een echtgenoot de toestemming van de andere echtgenoot behoeft voor de in die bepaling omschreven rechtshandelingen. Deze omschrijving omvat niet de overeenkomst van geldlening.

Het artikel strekt tot bescherming van de andere echtgenoot (…). Weliswaar kunnen ook andere rechtshandelingen dan de daarin genoemde een bedreiging vormen voor de financiële positie van de andere echtgenoot, hetgeen onder omstandigheden ook het geval kan zijn met betrekking tot een overeenkomst van geldlening, maar het zou niet stroken met de vereiste zekerheid van het rechtsverkeer, indien de eis van toestemming van de andere echtgenoot ook zou gelden in een alsdan moeilijk af te grenzen groep van andere gevallen dan die waarvoor de wet dit bepaalt.

4.8. In dit arrest wijst de Hoge Raad erop dat bij gelegenheid van de invoering van de Boeken 3, 5 en 6 van het huidige BW de vraag onder ogen is gezien of niet ook de overeenkomst van geldlening zou moeten worden onderworpen aan de eis dat de andere echtgenoot daarin toestemt en dat daarvan uitdrukkelijk is afgezien (Parl. Gesch. Aanpassing BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 27/28).

4.9. De eis van rechtszekerheid betreft in de eerste plaats de positie van de wederpartij – [bedrijfsnaam] Beheer – van de handelende echtgenoten, de [gedaagden].

4.10. Het zojuist genoemde arrest geeft aan hoe ruim de strekking van art. 1:88 BW niet is, maar beantwoordt nog niet de vraag of het een formeel of een materieel criterium hanteert bij de duiding van rechtshandelingen die onder de werking van lid 1 onder c vallen. Aan de eis van rechtszekerheid – die in deze zaak dus [bedrijfsnaam] Beheer beschermt – besteedt de Hoge Raad opnieuw aandacht in het volgende arrest. Nadat hij heeft herhaald wat in het zojuist geciteerde arrest overwogen is, erop neer komend dat art. 1:88 lid 1, aanhef en onder c, BW niet zonder meer van toepassing is op rechtshandelingen die in feite de strekking van, althans hetzelfde economische resultaat als, een borgstelling hebben, althans de strekking hebben de gezinsbescherming te omzeilen, overweegt de Hoge Raad in dit arrest, HR 29 november 2002, NJ 2003, 152, het volgende.

In de bestreden oordelen van het Hof ligt besloten dat de tussen partijen gesloten overeenkomsten naar hun inhoud en strekking geen andere betekenis hadden dan die van geldlening en krediet en dat in het bijzonder niet is gebleken van feiten en omstandigheden waaruit kan volgen dat deze overeenkomsten de strekking hebben om de ingevolge art. 1:88 BW vereiste toestemming te ontgaan. Voorzover onderdeel 3 betoogt dat de lening in feite het karakter had van een zekerheidstelling omdat, kort gezegd, de gelden van deze lening in feite bestemd waren voor een ander dan de geldlener, kan dit betoog niet tot cassatie leiden, nu, met het oog op de vereiste zekerheid van het rechtsverkeer (…) niet kan worden aanvaard dat deze omstandigheid op zichzelf voldoende is om de geldlening onder het bereik van art. 1:88 lid 1, aanhef en onder c, BW te brengen.

4.11. De vraag, die ook door de annotator Kleijn (NJ 2003, 152) is gesteld, is of dit laatste betekent dat er situaties kunnen bestaan waarin er wel voldoende reden is om te spreken van een poging tot ontduiking van het toestemmingsvereiste, die de vereisten van zekerheid van het rechtsverkeer zouden kunnen doorbreken. De annotator wijst hierbij op de positie van de wederpartij van de handelende echtgenoot, in het door hem besproken geval een bank. Hij oppert aan de hand van een door hem gegeven voorbeeld dat er wellicht reden bestaat “om de eisen van de zekerheid van het rechtsverkeer te laten wijken, indien mocht blijken dat de enige betrokkenen (geldgever, de formele geldnemer en de werkelijke geldnemer) met deze (ontduikings)constructie hebben ingestemd.”

4.12. De rechtbank is van oordeel dat het zojuist genoemde arrest met de laatste daaruit geciteerde passage – in het bijzonder met de woorden "niet op zichzelf voldoende" in r.o. 3.7 – inderdaad de hier door Kleijn bedoelde ruimte biedt. Met andere woorden: art. 1:88 lid 1 onder c BW beoogt ook bescherming van de andere echtgenoot als de direct betrokkenen, de geldgever ([bedrijfsnaam] Beheer), de werkelijke geldnemer (Benga) en de formele geldnemer (de [gedaagden]) desbewust hebben ingestemd met een constructie die materieel gelijk staat met een in art. 1:88 lid 1 onder c BW genoemde.

4.13. De onderhavige zaak kenmerkt zich hierdoor dat er sprake is van een geldlening met in de achterstelling een aantal bijkomende bedingen die de [gedaagden] in dezelfde positie als een borg plaatsen en die ook zo, juist om die bijkomende bedingen door alle betrokkenen gewild is. Daarin verschilt deze zaak van het hierboven geciteerde arrest van 29 november 2002 (NJ 2003, 152). De rechtbank betrekt hierbij niet zozeer het gegeven dat [betrokkene 4] van [bedrijfsnaam] Beheer de gewenste situatie zelf als een borgstelling heeft aangeduid. Doorslaggevend acht zij dat alle betrokken partijen, ook [bedrijfsnaam] Beheer, een overeenkomst wilden sluiten waarbij de [gedaagden] als natuurlijke personen, zich tegenover [bedrijfsnaam] Beheer, verbonden tot nakoming van een verbintenis, die Benga in feite tegenover [bedrijfsnaam] Beheer had. De formulering van de vorige zin, ontleend aan de omschrijving van borgtocht (art. 7:850 BW), geeft aan dat ook [bedrijfsnaam] Beheer desbewust die overeenkomst wilde die de wet als borgtocht aanduidt. Dat zij daarvoor de aanduiding borgtocht – in de akte – niet gebruikt, acht de rechtbank niet van belang. Zou slechts de aanduiding borgtocht doorslaggevend zijn op grond van de eisen van rechtszekerheid, dan zou daarmee immers de strekking van art. 1:88 BW op zo eenvoudige wijze zijn te omzeilen dat het artikel zijn betekenis verloor.

4.14. Het voorgaande betekent dat de rechtbank de gehele overeenkomst die vastligt in de akte van 17 oktober 2006 en waarbij de [gedaagden] zich verbonden tot terugbetaling van het aan Benga geleende bedrag van € 180.000,00 aan [bedrijfsnaam] Beheer, materieel als een overeenkomst van borgtocht ziet. Deze is vernietigd door de echtgenotes van de [gedaagden].

4.15. Het gevolg van de vernietiging is in deze uitleg van de overeenkomst dat de [gedaagden] als borgen uit de overeenkomst vallen. Wat overblijft is een geldlening van [bedrijfsnaam] Beheer aan Benga zonder borgstelling van de [gedaagden]. Van betaling door de [gedaagden] kan in die situatie geen sprake zijn. De vordering zal daarom worden afgewezen.

4.16. Nu de zaak in reconventie nog niet kan worden afgedaan, zoals hieronder zal blijken, zal de rechtbank iedere beslissing in conventie aanhouden.

in reconventie

4.17. De rechtbank neemt over wat zij in conventie heeft overwogen onder 4.2 tot en met 4.14. Dit leidt in reconventie tot de slotsom dat de vordering toewijsbaar is die ziet op een verklaring voor recht dat de geldleningsovereenkomst van 17 oktober 2006 voor zover gesloten tussen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] enerzijds en [bedrijfsnaam] Beheer anderzijds rechtsgeldig is vernietigd krachtens art. 1:88 jo. 1:89 BW door de echtgenotes van de [gedaagden] bij brieven van 31 juli 2007 en 27 augustus 2007, omdat de geldleningsovereenkomst materieel kwalificeert als een lening aan Benga B.V. terzake waarvan de [gedaagden] zich jegens [bedrijfsnaam] Beheer hebben verbonden als borg.

4.18. Nu de vordering in conventie zal worden afgewezen, komen de deels voorwaardelijke eisen tot schadevergoeding wegens onrechtmatig gelegde beslagen aan de orde.

4.19. Voor zover [bedrijfsnaam] Beheer zich tegen de vermeerdering van eis verzet, verwerpt de rechtbank dat verzet omdat er geen regel is die zich tegen de vermeerdering van eis in reconventie ter gelegenheid van de comparitie na antwoord verzet en deze wijziging op zichzelf niet in strijd is met de eisen van een goede procesorde.

4.20. De rechtbank is het echter met [bedrijfsnaam] Beheer eens dat zij nog de gelegenheid dient te krijgen op deze op het laatste moment gewijzigde eis te reageren. Daarom zal de rechtbank de zaak op de rol plaatsen. Nu het gaat om een antwoord op een deel van de eis dat zeer laat is toegevoegd en er inmiddels al een comparitie van partijen heeft plaatsgevonden, zullen de [gedaagden] niet meer op het antwoord van [bedrijfsnaam] Beheer kunnen reageren.

4.21. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1. houdt iedere beslissing aan,

in reconventie

5.2. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 26 maart 2008 voor het nemen van een akte door [bedrijfsnaam] Beheer over hetgeen is vermeld onder 4.20,

5.3. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mrs. J.D.A. den Tonkelaar, M.J. Blaisse en T.P.E.E. van Groeningen en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2008.