Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BC6857

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
07-03-2008
Datum publicatie
17-03-2008
Zaaknummer
AWB 07/4403
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is de afwijzing van een aanvraag om bijzondere bijstand in de kosten van een psychiatrisch onderzoek als contra-expertise in de procedure bij de CRvB. De rechtbank overweegt dat de kosten van een medische (contra)expertise in het onderhavige geval in een gerechtelijke procedure bijzondere noodzakelijke kosten zijn van het bestaan als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de WWB. Daartoe wordt in aanmerking genomen dat bij het uitblijven van de contra-expertise, door een deskundige in te schakelen, met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid meebrengt dat belanghebbende kansloos is in haar beroepsprocedure, waardoor afbreuk gedaan zou worden aan het beginsel van “equality of arms”. Voorts is de rechtbank van oordeel dat deze kosten niet voortvloeien uit bijzondere individuele omstandigheden, nu belanghebbende voor deze kosten had kunnen reserveren dan wel voor deze kosten een lening had kunnen afsluiten bij de gemeentelijke kredietbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 07/4403

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van

inzake

[naam], eiseres,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. M.H.J. van Geffen,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen, verweerder .

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 1 oktober 2007.

2. Procesverloop

Op 23 april 2007 heeft eiseres een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor de kosten van een psychiatrische expertise.

Bij besluit van 9 juli 2007 heeft verweerder de aanvraag afgewezen.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 30 januari 2008. Namens eiseres is aldaar verschenen mr. M.H.J. van Geffen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. F. Grootveld.

3. Overwegingen

Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de kosten van een psychiatrische expertise waarvoor eiseres bijzondere bijstand heeft gevraagd, geen uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan zijn, zoals bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (hierna: WWB). Daartoe heeft verweerder overwogen dat de kosten die verbonden zijn aan de psychiatrische expertise ter bestrijding van de eerdere bevindingen van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts in het kader van een hoger beroep in een WAO- en Ziektewetzaak, niet als noodzakelijke kosten kunnen worden aangemerkt.

Eiseres kan zich hiermee niet verenigen en heeft zich op het standpunt gesteld dat het laten uitvoeren van een psychiatrische expertise in het kader van zowel de WAO- als in de Ziektewetzaak de enige mogelijkheid is om met enige kans op succes de door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv) uitgevoerde verzekeringsgeneeskundige beoordeling aan te vechten. In dit verband verwijst eiseres naar de uitspraak van Rechtbank Amsterdam van 22 augustus 2007 (LJN: BB2392) en de uitspraak van Rechtbank Zutphen van 21 november 2007 (LJN: BB9618), waarin (kort samengevat) is bepaald dat kosten van een contra-expertise die is uitgevoerd om de resultaten van een taalanalyse te bestrijden, noodzakelijk zijn. Vervolgens is eiseres van mening dat zij belang heeft bij een onafhankelijk medisch onderzoek naar de psychische beperkingen en arbeidsmogelijkheden om een gelijkwaardige procespositie te verkrijgen met het Uwv.

De rechtbank gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Eiseres ontvangt sedert 27 augustus 2003 een uitkering ingevolge de WWB naar de norm voor een alleenstaande ouder.

Het Uwv heeft de Ziektewet- en WAO-uitkering van eiseres met ingang van respectievelijk 14 november 2005 en 24 november 2005 ingetrokken. Hiertegen is bezwaar en beroep ingesteld, waarbij de rechtbank Arnhem op 25 oktober 2006 (AWB 06/2495 en AWB 06/2502) het beroep in beide zaken ongegrond heeft verklaard.

Tegen deze uitspraak is hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB). In haar brief van 20 februari 2007 heeft de CRvB medegedeeld geen aanleiding te zien het verzoek van eiseres, om een deskundige te benoemen, in te willigen.

Op 18 april 2007 heeft eiseres een pro forma nota ontvangen van de kosten in verband met het verrichten van een psychiatrische expertise, welke zijn begroot op € 1.000,00.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de WWB, voor zover hier van belang, heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.

Volgens vaste jurisprudentie van de CRvB, zoals de uitspraak van 27 februari 2007 (LJN: BA0163), dient bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de WWB eerst beoordeeld te worden of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de alleenstaande of het gezin noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere individuele omstandigheden. Ten slotte dient de vraag te worden beantwoord of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, op welk punt het College ingevolge genoemde bepaling een zekere beoordelingsvrijheid heeft. De omstandigheid dat de alleenstaande of het gezin al dan niet de mogelijkheid heeft gehad te reserveren voor de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd, is een aspect dat moet worden beoordeeld in het kader van de vraag of de zich voordoende, noodzakelijke kosten, voortvloeien uit bijzondere individuele omstandigheden.

In dit geding gaat het om de vraag of verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van bijzondere bijstand om te voorzien in de kosten van een psychiatrische expertise, terecht heeft afgewezen op de grond dat geen sprake is van noodzakelijke kosten van het bestaan als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de WWB.

Onder verwijzing naar de uitspraken van deze rechtbank van 25 oktober 2006 (AWB 06/2495 en AWB 06/2502) overweegt de rechtbank vooraleerst dat er geen redenen zijn om aan te nemen dat het onderzoek door de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts op grond waarvan de belastbaarheid van eiseres is vastgesteld, niet op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Dit blijkt onder meer uit het feit dat de bezwaarverzekeringsarts de door eiseres gebruikte medicijnen en de informatie van haar eigen behandelend psychiater van 31 januari 2006 specifiek bij de heroverweging heeft betrokken. Als zodanig is blijk gegeven van een zorgvuldige met voldoende waarborgen omklede procedure.

Onder verwijzing naar de door eiseres aangehaalde uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 22 augustus 2007 (LJN: BB2393) en de rechtbank Zutphen van 21 november 2007 (LJN: BB9618) overweegt de rechtbank dat, wil eiseres met enige kans op succes de adviezen van de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts bestrijden, een door een ter zake deskundige uitgevoerde contra-expertise onontbeerlijk is. De rechtbank acht dan ook aannemelijk dat zonder die contra-expertise eiseres in het geding tegen het Uwv nagenoeg kansloos is, waardoor afbreuk gedaan zou worden aan het beginsel van “equality of arms”.

Uit het voorgaande volgt dat verweerder ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat de kosten van psychiatrische expertise niet als noodzakelijke kosten kunnen worden aangemerkt als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de WWB.

Nu het bestreden besluit in zoverre genomen is in strijd met artikel 35, eerste lid, van de WWB, zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen.

Voorts ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand kunnen worden gelaten. Deze vraag wordt bevestigend beantwoord. Hoewel de kosten van psychiatrische expertise, waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd, in het geval van eiseres als noodzakelijke kosten kunnen worden aangemerkt, is de rechtbank van oordeel dat deze kosten niet voortvloeien uit bijzondere individuele omstandigheden als bedoeld in het eerste lid van artikel 35 van de WWB.

De rechtbank acht hiertoe bepalend dat niet gebleken is dat eiseres voor deze kosten niet heeft kunnen reserveren. De rechtbank acht in dat verband van belang dat eiseres reeds op 31 maart 2006 beroep heeft ingesteld tegen het besluit van het Uwv, waarbij de WAO-uitkering per 24 november 2005 is ingetrokken en op 28 november 2006 hoger beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak van deze rechtbank van 25 oktober 2006, terwijl de aanvraag om bijzondere bijstand dateert van 23 april 2007. Gelet op deze omstandigheden had eiseres vanaf het moment waarop zij beroep had ingesteld tegen het besluit op bezwaar van het Uwv, rekening moeten houden met de geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans, dat zij het standpunt van het Uwv diende te bestrijden door inschakeling van een deskundige. Niet gebleken is dat eiseres vanaf dat tijdstip niet de mogelijkheid had om door middel van reservering vooraf te sparen voor de hiermee gepaard gaande kosten. Evenmin gebleken is dat eiseres niet de mogelijkheid heeft in deze kosten te voorzien door het afsluiten van een geldlening bij de gemeentelijke kredietbank.

De rechtbank acht geen grond aanwezig voor vergoeding van de door eiseres gemaakte kosten in de bezwaarprocedure. Ingevolge artikel 7:15 van de Awb worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Een dergelijke situatie doet zich hier niet voor.

De rechtbank acht wel termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 644 aan kosten van verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken. De genoemde kosten dienen, aangezien eiseres met een toevoeging ingevolge de Wet op de rechtsbijstand heeft geprocedeerd, ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te worden voldaan door betaling aan de griffier van deze rechtbank.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten ten bedrage van € 644 en wijst gemeente Nijmegen aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

bepaalt dat de betaling van dit bedrag dient te worden gedaan aan de griffier van het Arrondissement Arnhem, waarvoor verweerder een nota zal worden toegestuurd;

bepaalt voorts dat gemeente Nijmegen het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 39 aan haar vergoedt.

Aldus gegeven door mr. E. Klein Egelink, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A. Azmi, griffier, en in het openbaar uitgesproken op .

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: