Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BC6852

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
17-01-2008
Datum publicatie
17-03-2008
Zaaknummer
AWB 06/6251
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In dit geval was er geen redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek aanwezig. Verweerder heeft niet aannemelijk kunnen maken dat eisers toestemming tot binnentreden hebben gegeven op basis van informed consent. De resultaten verkregen door middel van het huisbezoek kunnen derhalve niet toelaatbaar worden geacht. Dit geldt evenzeer voor gegevens overgelegd op de hoorzitting aangezien deze voortbouwen op de tijdens het huisbezoek verstrekte informatie. Het verzoek om vergoeding van de als gevolg van het onrechtmatige huisbezoek geleden immateriële schade wordt afgewezen. De rechtbank acht onvoldoende aanknopingspunten aanwezig om psychische schade aan te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

Registratienummer: AWB 06/6251

Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[A] en [B], eisers,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. P.H.M. Essink,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 13 november 2006.

2. Procesverloop

Bij besluit van 13 juni 2006 heeft verweerder het recht op bijstand van eisers herzien over de periode van 14 december 2005 tot en met 12 mei 2006 en de teveel verstrekte bijstand over deze periode van eisers teruggevorderd tot een bedrag van € 4.435,33.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 9 mei 2007. Eisers zijn aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Essink voornoemd. Verweerder is, met kennisgeving, niet verschenen.

De rechtbank heeft het onderzoek ter terechtzitting geschorst teneinde een nadere toelichting bij verweerder te kunnen vragen. Bij brief van 23 mei 2007 heeft de rechtbank verweerder opgeroepen ter nadere zitting te verschijnen, op 6 juli 2007. Verder heeft de rechtbank tevens als getuigen opgeroepen: M. van den Heuvel, klantmanager van eisers, en E. van Coblijn, fraudepreventiemedewerker.

Op 6 juli 2007 heeft een zitting plaatsgevonden waar eisers in persoon zijn verschenen, bijgestaan door mr. Essink en waar verweerder is verschenen, vertegenwoordigd door drs. P.F.A.M. van Diemen, werkzaam bij verweerders gemeente. De getuige M. van den Heuvel is ter zitting gehoord. De heer Van Coblijn is niet verschenen.

Voorts zijn op verzoek van eisers de heren [C] en [D] als getuigen gehoord.

3. Overwegingen

Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat op de bankrekening van eisers in de periode van 14 december 2005 tot en met 12 mei 2006 een aantal kasstortingen hebben plaatsgevonden. Het geld hiervoor is afkomstig van broers van eiser en moet worden beschouwd als middelen in de zin van artikel 31 van de WWB. Verweerder acht het onvoldoende aannemelijk dat de gestorte bedragen in alle gevallen geldleningen van eisers familie betreffen die zijn bestemd om te voorzien in, zo begrijpt de rechtbank, de noodzakelijke kosten van het bestaan. Eisers hebben van deze stortingen ten onrechte geen mededeling gedaan aan verweerder zodat verweerder bevoegd is het recht op bijstand te herzien en de teveel betaalde bijstand van eisers terug te vorderen. Verweerder stelt zich tot slot op het standpunt dat gezien de hoogte van het benadelingsbedrag terecht een maatregel is opgelegd van 20 % gedurende drie maanden.

Eisers hebben de juistheid van het bestreden besluit gemotiveerd betwist. Op hun stellingen zal de rechtbank, voor zover nodig, nader ingaan.

Aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting ontleent de rechtbank de volgende feiten.

Na een melding van de belastingdienst dat eisers meerderjarige dochter bij hen zou inwonen, heeft de unit sociale recherche van de Afdeling sociale zaken en werk van de gemeente Nijmegen (hierna: de sociale recherche) een onderzoek ingesteld. In het kader hiervan zijn inlichtingen ingewonnen bij de Rijksdienst voor het wegverkeer. Hieruit is naar voren gekomen dat eiser een tweetal auto’s op zijn naam had staan. Eisers zijn uitgenodigd voor een gesprek ten kantore van de Afdeling sociale zaken en werk op 29 mei 2006, om 9 uur waar eiseres en haar oudste dochter zijn verschenen. Aansluitend aan het gesprek is door M. van den Heuvel en E. van Coblijn een huisbezoek afgelegd in de woning van eisers aan de [adres] te [woonplaats]. Bij dit huisbezoek is eiser gehoord door E. van Coblijn in het bijzijn van M. van den Heuvel. Eiser heeft hierbij, desgevraagd, de bankafschriften van zijn flexibel krediet met rekeningnummer [nummer 1] getoond en de afschriften van een bankrekening met nummer [nummer 2]. Uit deze bankafschriften is gebleken dat tijdens de periode hier in geding een aantal stortingen op deze rekeningen hebben plaatsgevonden, variërend van € 50,- tot 1.000,-. Van het gesprek is een rapport opgemaakt dat door eiser is ondertekend.

Tijdens de behandeling van het bezwaar tegen het besluit van 13 juni 2006 hebben eisers nog een aantal nota’s overgelegd van kosten die met genoemde gelden zouden zijn gefinancierd. Voorts hebben eisers verklaringen van familieleden overgelegd waaruit zou blijken dat de bedragen die op eisers rekeningen zijn gestort geldleningen van die familieleden zijn.

De rechtbank overweegt als volgt.

In gevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB zoals dat luidde ten tijde hier van belang, doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Ingevolge het tweede lid van deze bepaling is de belanghebbende verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.

Artikel 53a, tweede volzin, van de WWB bepaalt dat het College van burgemeester en wethouders bevoegd is om onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en zonodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voortzetting van bijstand.

Indien de belanghebbende de inlichtingenverplichting of de medewerkingsverplichting niet in voldoende mate nakomt en nadien blijkt dat de belanghebbende geen recht heeft op een (volledige) bijstandsuitkering, kan naar vaste rechtspraak de bijstand worden geweigerd, beëindigd of ingetrokken.

Nu verweerder de bij het bestreden besluit gehandhaafde intrekking en terugvordering van het recht op bijstand uitsluitend heeft gebaseerd op de hierboven genoemde kasstortingen en de gegevens daarover zijn verkregen tijdens het huisbezoek op 29 mei 2007, ziet de rechtbank zich allereerst voor de vraag geplaatst of eisers verplicht waren mee te werken aan de uitvoering daarvan.

Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) kunnen aan het niet meewerken aan een huisbezoek pas gevolgen worden verbonden (in de vorm van weigeren, beëindigen of intrekken van bijstand) indien voor dat huisbezoek in het individuele geval een redelijke grond bestaat. Van een dergelijke grond is in gevallen als deze sprake indien op basis van concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of de volledigheid van de door de betrokkene over zijn woon- en leefsituatie verstrekte inlichtingen, voor zover deze gegevens onmiskenbaar van belang zijn voor het vaststellen van (de omvang van) het recht op bijstand en deze gegevens niet op een voor betrokkene minder belastende wijze kunnen worden geverifieerd.

Uit het zich onder de gedingstukken bevindende rapport van E. van Coblijn van 29 mei 2006 en het verhandelde ter zitting waaronder de verklaring van M. van den Heuvel, leidt de rechtbank af dat de aanleiding voor het huisbezoek was gelegen in de resultaten van het gesprek met eiseres en haar oudste dochter ten kantore van de Afdeling van sociale zaken en werk, op 29 mei 2006.

De rechtbank is van oordeel dat hierin geen redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek gelegen was. Immers, ten tijde van genoemd gesprek stond reeds vast dat de inschrijving van de dochter van eisers op hun adres geen gevolgen had voor de bijstandsverlening. Voor zover verweerder beoogd heeft om door middel van het huisbezoek meer duidelijkheid te verkrijgen over de auto’s die op naam van eiser stonden, vermag de rechtbank niet in te zien waarom daarvoor een huisbezoek nodig was. Aangenomen mag worden dat verweerder nadere gegevens over deze auto’s en de waarde daarvan op voor eisers minder belastende wijze had kunnen verkrijgen. Te denken valt in dit verband aan vergelijking met de ANWB koerslijst. De aanleiding voor het huisbezoek kon in ieder geval niet gelegen zijn in twijfel omtrent de juistheid van door eisers verstrekte informatie over zijn vermogen. De gegevens over de eerder genoemde bankrekeningen zijn immers eerst bij het huisbezoek naar voren gekomen en vormen als zodanig het resultaat daarvan.

Nu er geen redelijke grond aanwezig was voor het afleggen van het huisbezoek vormt dit in beginsel een niet geoorloofde inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van eisers, als bedoeld in artikel 8 van het (Europees) Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM). Deze inbreuk kan slechts worden weggenomen doordat eisers toestemming hebben gegeven voor het afleggen van het huisbezoek.

Nu uit hetgeen eisers zowel in bezwaar als in beroep hebben aangevoerd kan worden afgeleid dat zij betwisten vrijwillig te hebben meegewerkt aan de uitvoering van het huisbezoek zal verweerder voldoende aannemelijk moeten maken dat de toestemming op basis van vrijwilligheid is verleend, waarbij heeft te gelden dat er sprake moet zijn van een “informed consent”. Dit houdt in dat de toestemming van de belanghebbende gebaseerd moet zijn op volledige en juiste informatie over reden en doel van het huisbezoek. Voor een geval als het onderhavige waar voorafgaand aan het huisbezoek geen aanleiding bestond om redelijkerwijs te twijfelen aan de juistheid of de volledigheid van de door betrokkene voor het vaststellen van het recht op bijstand verstrekte gegevens, moet hem duidelijk zijn gemaakt dat het niet geven van toestemming zonder (directe) consequenties zal blijven voor de verlening van de bijstand.

De rechtbank is van oordeel dat aan de hierboven vermelde vereisten niet is voldaan. In de aanhef van de getypte versie van het rapport naar aanleiding van het huisbezoek staat weliswaar vermeld dat eiser aan M. van den Heuvel en E. van Coblijn toestemming gaf de woning binnen te treden doch deze zin ontbreekt in de door eiser ondertekende handgeschreven versie van dat rapport. Hierdoor kan niet worden uitgesloten dat deze toestemming niet door eiser is gegeven. Daarbij komt nog dat uit beide versies van het rapport geenszins kan worden opgemaakt dat de toestemming is verleend op basis van “informed consent” als bedoeld in de uitspraak van de CRvB van 11 april 2007 (LJN: BA2410).

Het bovenoverwogene leidt er toe dat er in het geval van eisers sprake is van een niet gerechtvaardigde inbreuk op het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Dit brengt naar het oordeel van de rechtbank mee dat de tijdens het huisbezoek aangetroffen bewijsmiddelen door verweerder zijn verkregen op een wijze die zodanig indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. Dit heeft naar het oordeel van de rechtbank evenzeer te gelden voor de financiële gegevens die eisers tijdens en na afloop van de hoorzitting in bezwaar aan verweerder hebben overgelegd. Deze gegevens bouwen immers voort op de tijdens het huisbezoek verstrekte informatie inzake de stortingen op eisers bankrekeningen en zijn om die reden evenzeer als resultaat van het onrechtmatig huisbezoek te beschouwen. De hiervoor bedoelde gegevens kunnen gelet op het bepaalde in artikel 6, eerste lid, van het EVRM derhalve niet als bewijs worden geaccepteerd dat eisers gedurende de periode hier in geding de inlichtingenplicht niet zijn nagekomen. Ander bewijs hiervoor is er niet.

Gelet op het hiervoor overwogene behoeft hetgeen door partijen meer en overigens naar voren is gebracht geen bespreking meer.

Dit betekent dat de stellingen van eisers tegen het bestreden besluit voor zover daarbij de intrekking van het recht op bijstand is gehandhaafd, doel treffen. Het beroep dient derhalve gegrond te worden verklaard en het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb. Het voorgaande brengt mee dat het bestreden besluit voor zover daarbij de terugvordering en de maatregel zijn gehandhaafd evenmin in stand kan blijven. Het beroep tegen deze onderdelen van dat besluit dient derhalve eveneens gegrond te worden verklaard.

Nu het besluit van 13 juni 2006 berust op dezelfde ondeugdelijk gebleken grondslag ziet de rechtbank aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en dat besluit te herroepen.

Ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding

In de ter zitting van 9 mei 2007 overgelegde pleitnota is namens eisers verzocht verweerder te veroordelen tot vergoeding van immateriële schade die eisers hebben geleden ten gevolge van het onrechtmatige optreden van de medewerkers van verweerder tijdens het huisbezoek op 29 mei 2006 en het daaruit voortvloeiende besluit van verweerder. Een en ander heeft, aldus eisers, een grote impact gehad op hun gezinsleven en met name eiser is daardoor nog steeds ernstig overstuur.

Ingevolge artikel 8:73, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank, indien zij het beroep gegrond verklaart en indien daarvoor gronden zijn, op verzoek van een partij de door aangewezen rechtspersoon veroordelen tot vergoeding van de schade die die partij lijdt.

Bij de vraag of er sprake is van schade dient de rechtbank, volgens vaste jurisprudentie van de CRvB, zo dicht mogelijk aan te sluiten bij het civielrechtelijk schadevergoedingsrecht. Dit brengt onder meer mee dat degene die zich zoals eisers, op een aantasting van zijn persoonlijke waardigheid beroept voldoende concrete gegevens zal moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat hij daardoor psychische schade heeft opgelopen.

Daargelaten of de gestelde schade een gevolg is van het optreden van meergenoemde medewerkers van verweerder en of dit aan verweerder kan worden toegerekend, is de rechtbank van oordeel dat eisers onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij schade hebben geleden waaraan zij aanspraak op immateriële schadevergoeding kunnen ontlenen. Hoewel zeker niet denkbeeldig is dat eisers zich ernstig gegriefd voelen en dientengevolge een zekere mate van spanning en frustratie hebben ondervonden, acht de rechtbank geen aanknopingspunten aanwezig -bijvoorbeeld een rapport van een ter zake deskundig psycholoog of psychiater- om psychische schade aan te nemen. Het verzoek komt om die reden niet voor toewijzing in aanmerking.

Ten aanzien van de proceskosten

De rechtbank ziet aanleiding verweerder moet toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

te veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten bestaande uit de kosten van rechtsbijstand in de beroepsfase. Deze kosten worden vastgesteld op € 805,00 (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting van 9 mei 2007 en 0,5 punt voor het bijwonen van de zitting van 6 juli 2007 x factor 1 x € 322,00) wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

De rechtbank ziet geen aanleiding verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten in de bezwaarfase nu niet gebleken is dat namens eisers in bezwaar een verzoek hiertoe is gedaan.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

herroept het besluit van 13 juni 2006;

veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten ten bedrage van € 805,00 en wijst de gemeente Nijmegen aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

bepaalt voorts dat de gemeente Nijmegen aan eisers het door hen betaalde griffierecht van

€ 38,00 vergoedt;

wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus gegeven door mr. E. Klein Egelink, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.M.M.B. van Eeten, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2008.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: