Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BC6289

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
07-02-2008
Datum publicatie
11-03-2008
Zaaknummer
AWB 07/1097
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wettelijke en/of individuele verplichtingen re-integratietraject.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

Registratienummer: AWB 07/1097

Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[naam], eiser,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. A. Jankie,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 6 februari 2007, uitgereikt door het UWV Nijmegen.

2. Procesverloop

Bij besluit van 11 oktober 2006 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat hem toestemming wordt verleend om een aanvang te maken met een re-integratietraject bij Jobstap nu het plaatsingsplan is goedgekeurd. Voorts wordt aan eiser meegedeeld dat hij een aantal verplichtingen heeft, waarbij wordt verwezen naar een brief van 14 juli 2006.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit van 11 oktober 2006 gehandhaafd.

Tegen het bestreden besluit is namens eiser beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 23 november 2007. Eiser is niet in persoon verschenen maar werd vertegenwoordigd door zijn vader [naam] en mr. A. Jankie voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M.S. Winkel, werkzaam bij UWV Nijmegen.

3. Overwegingen

Bij besluit van 10 augustus 2006 is aan eiser met ingang van [datum] een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jongehandicapten (Wajong) toegekend, welke uitkering wordt berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Op verzoek van eiser wordt bezien welke re-integratiemogelijkheden voor hem aanwezig zijn. Op 10 juli 2006 is door J.F.N. Snaar, register arbeidsdeskundige, een re-integratievisie opgesteld voor een traject bij Jobstap. Bij het opstellen van deze re-integratievisie is eiser gewezen op zijn (rechten en) verplichtingen, te weten:

- op alle uitnodigingen van UWV in te gaan en zich op verzoek te legitimeren;

- alle informatie die van belang kan zijn aan UWV te verstrekken;

- de verplichtingen na te komen die in de re-integratievisie zijn vermeld;

- elke wijziging in zijn situatie aan UWV door te geven;

- in te gaan op uitnodigingen van een re-integratiebedrijf en mee te werken aan het opstellen van een re-integratieplan.

Bij brief van 14 juli 2006 wordt eiser meegedeeld dat hij bij Jobstap is aangemeld. In deze brief wordt eiser tevens meegedeeld wat verweerder van hem verwacht, te weten;

- als eiser een afspraak heeft met het re-integratiebedrijf, dan moet hij ook verschijnen.

- heeft het re-integratiebedrijf informatie nodig voor het plaatsingsplan, dan moet eiser die geven;

- gaat eiser tijdens het traject een opleiding volgen, dan moet hij er alles aan doen om die opleiding vlot en succesvol af te ronden;

- als eiser wil stoppen met het traject, dan moet hij eerst contact met UWV opnemen. De situatie zal dan samen worden besproken;

- krijgt eiser werk aangeboden, dan is het de bedoeling dat eiser dit werk accepteert. Daarnaast moet eiser actief blijven zoeken naar werk.

Namens eiser is bij brief van 25 juli 2006 een klacht ingediend ten aanzien van deze eisen.

Bij besluit van 11 oktober 2006 is eiser meegedeeld dat het opgestelde plaatsingsplan is goedgekeurd, alsmede is eiser toestemming verleend om een aanvang te maken met het re-integratietraject. Daarnaast wordt eiser meegedeeld dat hij een aantal verplichtingen heeft tijdens het traject waarbij door verweerder wordt verwezen naar voornoemde brief van 14 juli 2006.

Namens eiser is bezwaar aangetekend tegen het besluit van 11 oktober 2006. Eiser stelt dat met het opleggen van verplichtingen onvoldoende rekening is gehouden met zijn ziekte en de dreigende toon van het UWV werkt voor hem averechts. Tijdens de hoorzitting wordt namens eiser aangevoerd dat verweerder had moeten aangeven hoe in het specifieke geval van eiser uitvoering wordt gegeven aan de handhaving van de verplichtingen.

Het bezwaar van eiser is ongegrond verklaard. Verweerder baseert het bestreden besluit op artikel 30a van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Suwi) en artikel 50a van de Wajong.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank ziet zich allereerst, ambtshalve, voor de vraag gesteld of verweerder het bezwaar terecht ontvankelijk heeft geacht.

Niet in geschil is dat het bezwaar niet is gericht tegen de door verweerder verleende toestemming dat eiser een aanvang kan maken met het re-integratietraject. Het bezwaar is uitsluitend gericht tegen de in het besluit van 11 oktober 2006 opgenomen verwijzing naar de verplichtingen van eiser zoals vastgelegd in de brief van 14 juli 2006. Eiser heeft deze mededeling kennelijk opgevat als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, welk besluit vatbaar is voor bezwaar en beroep. Hoewel verweerder destijds in de brief van 14 juli 2006 de klachtprocedure had opengesteld tegen de genoemde verplichtingen, heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen die verplichtingen thans inhoudelijk behandeld. Ter zitting is door verweerders gemachtigde opgemerkt dat niet duidelijk is waarom eiser in zijn bezwaar is ontvangen.

De rechtbank constateert dat de bij brief van 14 juli 2006 genoemde verplichtingen niet volledig gelijk zijn aan de verplichtingen zoals genoemd in de re-integratievisie van 10 juli 2006. Uit het besluit van 11 oktober 2006 is de rechtbank niet gebleken of verweerder heeft beoogd (nieuwe) voorwaarden te verbinden aan de verleende toestemming.

Daarnaast is voor beantwoording van de hiervoor gestelde vraag ten aanzien van de ontvankelijkheid relevant of genoemde verplichtingen rechtstreeks uit de wet voortvloeien dan wel dat verweerder heeft beoogd individuele verplichtingen op te leggen. Indien verweerder eiser heeft willen herinneren aan wettelijke verplichtingen die van rechtswege aan het re-integratietraject zijn verbonden, had verweerder eiser in zijn bezwaar niet-ontvankelijk dienen te verklaren nu de mededeling inzake het bestaan van deze verplichtingen niet op rechtsgevolg is gericht. Indien sprake is van individueel opgestelde verplichtingen die op rechtsgevolg zijn gericht kan eiser wel in zijn bezwaar en beroep worden ontvangen.

Verweerder heeft in de beslissing op bezwaar slechts in algemene bewoordingen gereageerd waarom zorgvuldig is gehandeld door eiser te wijzen op zijn verplichtingen. Niet duidelijk is dat verweerder bij het nemen van de beslissing op bezwaar met voornoemd onderscheid rekening heeft gehouden. Verweerder dient per verplichting te bezien of het bezwaar van eiser ontvankelijk is.

Nu het bestreden besluit genomen is in strijd met artikel 7:12 van de Awb, zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Verweerder zal, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen.

Ten aanzien van het in bezwaar gedane verzoek van eiser om vergoeding van de kosten die eiser in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken, merkt de rechtbank op dat verweerder bij het nieuw te nemen besluit op bezwaar daarover dient te beslissen.

De rechtbank acht wel termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten in beroep, welke zijn begroot op € 644,- aan kosten van verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat het UWV een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met inachtneming van het hiervoor overwogene;

veroordeelt het UWV in de door eiser gemaakte proceskosten ten bedrage van € 644,- en wijst het UWV aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

bepaalt dat het UWV het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 39,- aan hem vergoedt.

Aldus gegeven door mr. C.J. Bax, rechter, in tegenwoordigheid van mr. P.A.C. Modderman, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 7 februari 2008.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 7 februari 2008