Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BC6149

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
10-03-2008
Datum publicatie
10-03-2008
Zaaknummer
05/900009-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft op 10 maart 2008 de 38-jarige vrouw veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden en een geldboete van €15.000,- wegens medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd, en witwassen van gelden. De rechtbank achtte bewezen dat zij in samenwerking met haar twee mededaders (eveneens veroordeeld) haar neef en twee Luxemburgse banken heeft opgelicht. Dit had tot gevolg, dat haar neef geld van zijn overleden moeder niet kreeg uitgekeerd, nadat hij door het handelen van de vrouw en haar mededaders, bestaande uit een valselijk opgemaakte boedelbeschrijving, bewogen was tot het verwerpen van een (in werkelijkheid aanzienlijke) nalatenschap. Vervolgens hebben de Luxemburgse banken na een overgelegde verklaring van erfrecht, waarin de vrouw en haar moeder als erfgenamen waren genoemd, de banktegoeden van de overleden dochter naar haar en die moeder overgemaakt. Die bankrekening werden daarna leeggehaald.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Promis vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer : 05/900009-05

Datum zitting : 25 februari 2008

Datum uitspraak : 10 maart 2008

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats].

Raadsman : mr. D.J.W.P. Vermunt, advocaat te Arnhem.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

zij in of omstreeks de periode van 11 december 2003 tot en met de maand juli 2004 te Millingen aan de Rijn en/of Well, gemeente Bergen (L), en/of Arnhem, althans in Nederland, en/of te Luxemburg tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen, door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

- (enerzijds) [slachtoffer 1] (en diens wettelijk vertegenwoordiger [betrokkene 1]) heeft bewogen tot het teniet doen van een inschuld, bestaande in de verwerping van de nalatenschap van [betrokkene 2] (en daarmee het afzien van (een) aan die [betrokkene 2] toebehoord hebbend(e) geldtegoed(en) van 243.129,49 euro of daaromtrent bij de ING-bank Luxemburg en/of van 402.235,29 euro of daaromtrent bij ING Life Luxemburg), en/of

- (anderzijds) de ING-bank Luxemburg en/of ING Life Luxemburg heeft bewogen tot de afgifte van voornoemd(e)/(een) - aan wijlen rekening- en/of polishoudster [betrokkene 2] toebehoord hebbend(e) - geldtegoed(en) van (respectievelijk) 243.129,49 euro of daaromtrent en/of van 402.235,29 euro of daaromtrent, in elk geval van geld, aan [medeverdachte 1] en/of verdachte,

hierin bestaande dat verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid in het kader van de afwikkeling van de nalatenschap van voornoemde [betrokkene 2] een boedelbeschrijving met een negatief saldo hebben/heeft opgemaakt en/of overgelegd, waardoor die [slachtoffer 1] (en [betrokkene 1]) werd(en) bewogen tot bovenomschreven teniet doen van genoemde inschuld (bestaande in de verwerping van voornoemde nalatenschap), waarna de ING-bank Luxemburg en/of ING Life Luxemburg - (mede) op basis van een door verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s) (tevens) overgelegde verklaring van erfrecht, opgemaakt na voormelde verwerping van genoemde nalatenschap door [slachtoffer 1] (en [betrokkene 1]) en de daaropvolgende zuivere aanvaarding(en) van die nalatenschap door voornoemde [medeverdachte 1] en/of verdachte - (vervolgens) werd(en) bewogen tot vorenomschreven afgifte;

2.

zij in of omstreeks de periode van 13 juli 2004 tot en met 24 januari 2005, te Arnhem, althans in Nederland, en/of te Luxemburg, (een) voorwerp(en), te weten

- een geldtegoed/-bedrag van 100.558,82 euro of daaromtrent en/of

- een geldtegoed/-bedrag van 34.755,12 euro of daaromtrent, althans een hoeveelheid van 31.000 stuks vast renderende obligaties, en/of,

- een geldtegoed/-bedrag van 25.746,97 euro of daaromtrent,

in elk geval (een) aanzienlijk(e) geldtegoed(en)/-bedrag(en), heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl zij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren/was uit enig(e) misdrijf/misdrijven.

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 25 februari 2008 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. D.J.W.P. Vermunt, advocaat te Arnhem.

Als benadeelde partij heeft zich schriftelijk in het geding gevoegd en is ter terechtzitting verschenen:

- [slachtoffer 1], bijgestaan door mr. W.J.E. Hendriks, advocaat te Amsterdam.

Ter terechtzitting heeft de rechtbank naar aanleiding van het preliminaire verweer van de raadsman gemotiveerd beslist dat de benadeelde patij niet ontvankelijk is in zijn vordering in dit strafgeding omdat de vordering reeds bij de civiele rechter aanhangig is gemaakt.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en voorts tot het verrichten van 90 (negentig) uren werkstraf subsidiair 45 (vijfenveertig) dagen hechtenis, met aftrek van de tijd in verzekering doorgebracht.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing betreffende het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

3.1. De feiten algemeen

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder niet ter discussie staat, vastgesteld.

Medeverdachte [medeverdachte 1] is eigenaresse van twee privé clubs in respectievelijk Well en Lomm en beschikt over een aanzienlijk vermogen. Een gedeelte van dit vermogen stond op een of meer rekeningen bij een bank in Luxemburg.

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft twee dochters gekregen uit twee verschillende relaties, [betrokkene 2] (hierna ook te noemen: [betrokkene 2]) en verdachte [verdachte].

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft beide dochters een aanzienlijk bedrag geschonken dat door deze dochters op rekeningen bij een bank in Luxemburg, thans de ING bank in Luxemburg, is gezet. Bij het openen van deze rekeningen was medeverdachte [medeverdachte 2] aanwezig.

[betrokkene 2] is gehuwd geweest met [betrokkene 1] (roepnaam [betrokkene 1], ook wel genoemd [betrokkene 1]). Uit dit huwelijk zijn twee zoons geboren, [slachtoffer 1] (roepnaam [slachtoffer 1]) en [betrokkene 3]. Het huwelijk is door echtscheiding ontbonden.

In december 2003 zijn [betrokkene 2] en haar zoon [betrokkene 3] bij een auto ongeval om het leven gekomen. Zij had geen testament gemaakt en haar enige wettelijke erfgenaam was haar overgebleven zoon [slachtoffer 1].

Het vermogen dat [betrokkene 2] ten tijde van haar overlijden op rekeningen in Luxemburg had staan, bedroeg op 13 juli 2004 circa € 645.297,-. Een gedeelte ter grootte van € 243.061,74 stond op een rekening bij ING Luxemburg met nummer 535576; het overige was belegd op een polis van ING Life in Luxemburg. In de polis was bepaald dat het ingelegde bedrag bij overlijden van [betrokkene 2] zou worden uitgekeerd aan haar wettelijke erfgenamen.

[slachtoffer 1] was niet op de hoogte van het bestaan van de Luxemburgse rekeningen. Zijn vader, [betrokkene 1], was hiervan evenmin op de hoogte.

Enkele weken na de begrafenis van [betrokkene 2] zijn verdachte, haar moeder, [medeverdachte 1], en hun adviseur [medeverdachte 2] (hierna: medeverdachte [medeverdachte 2]) naar Luxemburg gereisd en hebben daar de ING Bank tevergeefs verzocht de tegoeden van [betrokkene 2] over te boeken naar de rekening van medeverdachte [medeverdachte 1]. De bank wilde de tegoeden slechts uitkeren aan de wettelijke erfgenamen van [betrokkene 2]. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft de bank toen gezegd dat dat niet zo was afgesproken en dat “er geen cent naar die zigeuners mocht’. Medeverdachte [medeverdachte 2] kwam toen met het idee dat de nalatenschap door [slachtoffer 1] moest worden verworpen. Medeverdachte [medeverdachte 2] wist dat [medeverdachte 1] van mening was dat het geld naar haar toe moest komen en heeft het verwerpen van de erfenis door [slachtoffer 1] geregeld.

Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft vervolgens een boedelbeschrijving van de nalatenschap van [betrokkene 2] opgemaakt , waaruit een negatief saldo van de nalatenschap bleek van € 18.367,18. In deze beschrijving was het vermogen van [betrokkene 2] in Luxemburg niet opgenomen.

Vervolgens is er een bespreking geweest bij [betrokkene 1] thuis, waarbij aanwezig waren [slachtoffer 1], zijn wettelijk vertegenwoordiger [betrokkene 1], zijn gezinsvoogd, medeverdachte [medeverdachte 2], verdachte en haar vader [betrokkene 4]. Dit gesprek is mede georganiseerd door verdachte. Tijdens het gesprek nam verdachte het voortouw en zette uiteen dat zij het niet terecht vond als [slachtoffer 1] de schulden van de nalatenschap zou moeten betalen. Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft in dit gesprek uitvoerig uiteen gezet dat verwerping van de nalatenschap voor [slachtoffer 1] en [betrokkene 1], in verband met het negatieve saldo van de nalatenschap dat bleek uit de boedelbeschrijving, de beste oplossing zou zijn en hij drong er bij hen op aan een afstandsformulier te ondertekenen. Het advies om de nalatenschap te verwerpen werd overgenomen door de gezinsvoogd omdat deze ook niet beter wist dan dat de nalatenschap in hoofdzaak uit schulden bestond. Als de gezinsvoogd had geweten dat [betrokkene 2] over vermogen beschikte, dan zou hij [betrokkene 1] nooit hebben geadviseerd de nalatenschap te verwerpen. Vervolgens heeft [betrokkene 1] in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [slachtoffer 1] een – door medeverdachte [medeverdachte 2] opgesteld - verzoekschrift aan de kantonrechter ondertekend om machtiging te verlenen de nalatenschap te verwerpen. Dit verzoekschrift vermeldde dat de nalatenschap negatief was en was vergezeld van de door medeverdachte [medeverdachte 2] opgestelde boedelbeschrijving waaruit een negatief saldo bleek . Vervolgens heeft de kantonrechter de vereiste machtiging afgegeven en heeft [betrokkene 1] namens [slachtoffer 1] de nalatenschap verworpen . Vervolgens is de nalatenschap zuiver aanvaard door verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1].

Op basis van deze aanvaarding is een verklaring van erfrecht opgemaakt , volgens welke verdachte recht heeft op ¼ deel van de nalatenschap en medeverdachte [medeverdachte 1] op ¾ deel. Vervolgens heeft de ING Bank in Luxemburg, nadat de verklaring van erfrecht aan haar was overgelegd, van de aan [betrokkene 2] toebehoord hebbende rekening op een rekening van medeverdachte [medeverdachte 1] een bedrag van € 77.240,92 en een hoeveelheid van 94.000 obligaties (waarvan de koers op 13 juli 2004 1,07560 bedroeg ) overgemaakt en heeft ING Life Luxemburg op deze rekening van [medeverdachte 1] een bedrag van € 301.676,47 overgemaakt .

Aan verdachte is door de ING Bank in Luxemburg een bedrag van € 25.746,97 en een hoeveelheid van 31.000 obligaties (waarvan de koers op 13 juli 2004 1,07560 bedroeg ) en door ING Life Luxemburg een bedrag van € 100.558,82 overgemaakt.

3.2. Ten aanzien van feit 1

De verdediging heeft aangevoerd dat in het onderhavige geval geen inschuld is teniet gedaan omdat de ING Luxemburg niet bevrijdend heeft kunnen betalen omdat zij op de hoogte was van het feit dat er “iets grondig mis was”met de verklaring van erfrecht omdat deze uitsluitend zag op het Nederlandse deel van de nalatenschap. Bovendien zou [slachtoffer 1] nadat hij bekend was geworden met de feiten alsnog de ING Luxemburg hebben verzocht om hem als erfgenaam te beschouwen.

Dit betoog wordt door de rechtbank verworpen. Ten gevolge van de verwerping van de nalatenschap is er een einde gekomen aan de positie van [slachtoffer 1] als erfgenaam. Hierdoor kon hij niet meer de rechten op de activa van de nalatenschap geldend maken. De vordering (inschuld) die hij als erfgenaam op de ING Bank Luxemburg had, is dan ook teniet gegaan, dit ongeacht het feit of hij een eventuele schadevergoedingsactie uit onrechtmatige daad jegens de bank kan geldend maken. Een vordering uit schadevergoeding is een andere dan de vordering tot afgifte van de activa van een nalatenschap die een erfgenaam kan geldend maken. De laatstgenoemde vordering is ten gevolge van de verwerping teniet gegaan.

De verdediging heeft voorts aangevoerd dat de ING Bank Luxemburg niet door de listige kunstgrepen is bewogen tot afgifte van de tegoeden. Volgens de verdediging heeft de bank uitgebreid zelfstandig onderzoek gedaan, waarbij alle feiten zijn betrokken, en vervolgens bewust een keuze gemaakt om de tegoeden aan verdachte en haar medeverdachte [medeverdachte 1] uit te keren.

Ook dit betoog wordt door de rechtbank verworpen. Indien verdachte en haar medeverdachten [slachtoffer 1] niet listiglijk zouden hebben bewogen om afstand van de nalatenschap te doen, zou er voor de bank geen enkele aanleiding hebben bestaan om het vermogen van [betrokkene 2] niet aan [slachtoffer 1] als enig wettelijk erfgenaam, die dan als zodanig genoemd zou zijn in een verklaring van erfrecht, uit te keren. Het eigen nadere onderzoek door de bank, dat was ingegeven door het feit dat zij had vernomen dat de buitenlandse tegoeden waren verzwegen, zou dan niet zijn uitgevoerd. Slechts door de verwerping van de nalatenschap door [slachtoffer 1] en een verklaring van erfrecht die medeverdachten [medeverdachte 1] en [verdachte] als erfgenamen vermelde is de bank bewogen aan laatstgenoemden uit te keren.

De verdediging heeft voorts aangevoerd dat verdachte geen oogmerk heeft gehad van wederrechtelijke bevoordeling omdat in haar beleving in het verleden een afspraak was gemaakt dat het vermogen bij vooroverlijden van [betrokkene 2] naar haar medeverdachte [medeverdachte 1] zou terugvloeien. Verdachte zou geen verstand van bankzaken hebben gehad en niet beseft hebben dat zij of haar moeder geen recht had op teruggave van het tegoed.

Ook dit betoog wordt verworpen. Na het overlijden van [betrokkene 2] is verdachte met haar medeverdachten een aantal malen naar Luxemburg gereisd in verband met de tegoeden van [betrokkene 2]. Hier moest worden uitgezocht hoe het met het geld van [betrokkene 2] zou gaan. Verdachte wist dus dat de bank haar het geld van de rekening van [betrokkene 2] niet zomaar wilde uitkeren. Vervolgens heeft verdachte er bij [betrokkene 1] op aangedrongen dat [slachtoffer 1] de nalatenschap zou verwerpen. Een dergelijk aandringen op het verwerpen van de nalatenschap zou niet nodig zijn geweest indien verdachte had gemeend dat de bank het saldo van [betrokkene 2] toch wel aan medeverdachte [medeverdachte 1] zou uitkeren. Verdachte heeft ook verklaard dat zij bang was dat de vader van [slachtoffer 1] er met het geld vandoor zou gaan. Uit een en ander leidt de rechtbank af dat ook verdachte wist dat de bank niet aan haar of haar medeverdachte [medeverdachte 1] wilde uitkeren omdat zij daarop geen recht hadden en dat er iets moest gebeuren om de bank toch te laten uitkeren.

Ten slotte heeft de verdediging aangevoerd dat de polis van ING Life buiten de nalatenschap viel en direct aan [slachtoffer 1] zou moeten worden uitgekeerd. Daarom zou het weglaten van deze post in de boedelbeschrijving niet listiglijk of bedrieglijk zijn.

De rechtbank is van oordeel dat de polis diende te worden uitgekeerd aan “de wettelijke erfgenamen” en dat verdachte en haar medeverdachten door ten onrechte geen melding te maken van het aanmerkelijke vermogen waar [slachtoffer 1] in zijn hoedanigheid van erfgenaam aanspraak zou kunnen maken, listiglijk en bedrieglijk hebben gehandeld.

3.3. Ten aanzien van feit 2

De verdediging heeft ten eerste vrijspraak van dit feit bepleit omdat niet bewezen is dat de genoemde 31.000 obligaties door misbruik verkregen zijn.

De rechtbank leidt echter uit het de bewijsmiddelen af dat genoemde obligaties na het overlijden van [betrokkene 2] zijn overgeboekt van de rekening van [betrokkene 2] met code naam “[naam]” naar de rekening van verdachte 11-535-575 03/000 onder de naam [naam] zijn overgeboekt.

De verdediging heeft voorts aangevoerd dat degene die veroordeeld wordt voor een misdrijf niet tegelijkertijd kan worden veroordeeld voor witwassen van hetgeen hij uit dat misdrijf heeft verkregen. De rechtbank deelt dat oordeel niet. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 420 bis blijkt overduidelijk dat een veroordeling voor witwassen mogelijk is naast een veroordeling voor het delict, waaruit het witgewassen goed is verkregen. Een en ander is in lijn met de Europese richtlijn 91/308/EEG, waar de regeling op is gebaseerd.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1.

zij in de periode van 11 december 2003 tot en met de maand juli 2004 te Millingen aan de Rijn en Well, gemeente Bergen (L), en Arnhem, althans in Nederland, en te Luxemburg tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels,

- enerzijds [slachtoffer 1] en diens wettelijk vertegenwoordiger [betrokkene 1] heeft bewogen tot het teniet doen van een inschuld, bestaande in de verwerping van de nalatenschap van [betrokkene 2] en daarmee het afzien van aan die [betrokkene 2] toebehoord hebbende geldtegoeden van 243.129,49 euro of daaromtrent bij de ING-bank Luxemburg en van 402.235,29 euro of daaromtrent bij ING Life Luxemburg), en

- anderzijds de ING-bank Luxemburg en ING Life Luxemburg heeft bewogen tot de afgifte van voornoemde - aan wijlen rekening- en polishoudster [betrokkene 2] toebehoord hebbende - geldtegoeden van respectievelijk 243.129,49 euro of daaromtrent en van 402.235,29 euro of daaromtrent, aan [medeverdachte 1] en verdachte,

hierin bestaande dat verdachte en/of verdachtes mededaders met bovenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid in het kader van de afwikkeling van de nalatenschap van voornoemde [betrokkene 2] een boedelbeschrijving met een negatief saldo hebben/heeft opgemaakt en/of overgelegd, waardoor die [slachtoffer 1] en [betrokkene 1] werden bewogen tot bovenomschreven teniet doen van genoemde inschuld (bestaande in de verwerping van voornoemde nalatenschap), waarna de ING-bank Luxemburg en ING Life Luxemburg - mede op basis van een door verdachte en een van verdachtes mededaders tevens overgelegde verklaring van erfrecht, opgemaakt na voormelde verwerping van genoemde nalatenschap door [slachtoffer 1] en [betrokkene 1] en de daaropvolgende zuivere aanvaardingen van die nalatenschap door voornoemde [medeverdachte 1] en verdachte - vervolgens werden bewogen tot bovenomschreven afgifte;

2.

zij in de periode van 13 juli 2004 tot en met 24 januari 2005, te Arnhem, althans in Nederland, en te Luxemburg, voorwerpen, te weten

- een geldtegoed/-bedrag van 100.558,82 euro of daaromtrent en

- een geldtegoed/-bedrag van 34.755,12 euro of daaromtrent, althans een hoeveelheid van 31.000 stuks vast renderende obligaties, en,

- een geldtegoed/-bedrag van 25.746,97 euro of daaromtrent, heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl zij wist, dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

Wat verdachte onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4a. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1:

“medeplegen van oplichting”,

meermalen gepleegd.

feit 2:

“witwassen”.

4b. De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan; en

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 21 januari 2008.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft in samenwerking met anderen haar neef en twee Luxemburgse banken opgelicht. Dit had tot gevolg dat haar neef geld van zijn overleden moeder niet kreeg uitgekeerd, nadat hij door het handelen van verdachte en de mededaders bewogen was tot het verwerpen van de nalatenschap, terwijl de Luxemburgse banken na een overgelegde verklaring van erfrecht, waarin verdachte en haar moeder als erfgenaam waren genoemd, het banktegoed van de overleden zuster van verdachte overmaakte naar de bankrekening van verdachte en haar moeder. Vanaf het begin is het de bedoeling van de moeder van verdachte geweest dat de vader van de kleinzoon nooit enig deel van de erfenis van zijn zoon zou krijgen en vanuit dit doel heeft zij gehandeld als brein om het doel te bereiken. Verdachte heeft loyaal met haar moeder meegewerkt om het uiteindelijke doel te bereiken. Verdachte heeft bij het tot stand komen van de verwerping van de erfenis door haar neefje en zijn vader dusdanig op haar neef ingepraat dat het kwam tot verwerping van de erfenis, terwijl verdachte wist dat er banktegoeden waren waarop haar neef aanspraak kon doen gelden en bewust deze banktegoeden niet ter sprake heeft gebracht en buiten de boedelbeschrijving heeft gehouden.

Doordat de Luxemburgse banken een gedeelte van de banktegoeden aan verdachte hebben overgemaakt heeft verdachte zich tevens schuldig gemaakt aan heling van die tegoeden.

Verdachte heeft met haar mededaders op geraffineerde wijze gehandeld om het doel van haar moeder te bereiken. Hierdoor heeft zij haar neef financieel aanzienlijk benadeeld.

Als strafrechtelijke reactie is, gelet op de ernst van de feiten en de doortraptheid van het handelen van verdachte en haar medeverdachten, oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in beginsel een passende strafrechtelijke reactie.

De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat de rol van verdachte in het geheel, afgezet tegen die van haar moeder, wat minder is geweest, maar wel wordt in aanmerking genomen dat verdachte precies op de juiste momenten haar rol heeft uitgevoerd en toch een wezenlijke en kwalijke bijdrage heeft geleverd bij de totstandkoming van deze feiten.

De rechtbank is, anders dan de officier van justitie heeft gevorderd, van oordeel dat oplegging van een onvoorwaardelijke werkstraf in dit geval niet geïndiceerd is, mede omdat verdachte dagelijkse zorg verleent aan haar moeder. De rechtbank is wel van oordeel dat een voorwaardelijke gevangenisstraf en een onvoorwaardelijke geldboete moeten worden opgelegd. Omdat verdachte bij haar handelen financieel voordeel voor ogen heeft gestaan is het alleszins verdedigbaar om verdachte in financieel opzicht te treffen.

Deze op te leggen straffen doen naar het oordeel van de rechtbank recht aan alle omstandigheden van deze zaak.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 27, 47, 57, 325 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat verdachte onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

A. een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet tenuitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

Beveelt in overeenstemming met het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

B. betaling van een geldboete van € 15.000,- (vijftienduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door de duur van 105 (éénhonderdvijf) dagen hechtenis.

Aldus gewezen door:

mr. G. Noordraven, rechter als voorzitter,

mr. H.T. Wagenaar, rechter,

mr. P.J. van den Broeke, rechter,

in tegenwoordigheid van J.L. de Vos, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 maart 2008.