Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BC5856

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
05-02-2008
Datum publicatie
05-03-2008
Zaaknummer
160772
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Er is geen sprake van onrechtmatig handelen en van strijdig gebruik als bedoeld in artikel 5:1 lid 2 BW. Evenmin is sprake van handelen in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het zorgvuldigheidsbeginsel genoemd in artikel 3:2 danwel 3:4 Awb of het vertrouwens- c.q. rechtszekerheidsbeginsel.

Dit brengt mee dat de Gemeente gerechtigd is om in het kader van de voorgenomen herinrichting over te gaan tot aanleg van de groenstrook. De gevorderde verklaring voor recht zal dan ook worden verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 160772 / HA ZA 07-1528

Vonnis van 27 februari 2008

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE DRUTEN,

zetelende te Druten,

eiseres,

procureur mr. J.A.M.P. Keijser,

advocaat mr. T.E.P.A. Lam te Nijmegen,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur en advocaat mr. A.A. Voets te Druten.

Partijen zullen hierna de Gemeente en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 21 november 2007

- het proces-verbaal van comparitie van 11 januari 2008

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [gedaagde] is sinds ongeveer tien jaar eigenaar van het pand aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: het pand), in welk pand hij een dierenartsenpraktijk voert. Een gedeelte van het pand is verhuurd aan derden. In het pand werken in totaal vijfentwintig à dertig mensen.

2.2. Naast het pand loopt een pad dat eigendom is van de Gemeente (hierna: het pad). Het pad is thans in gebruik als voet- en fietspad.

2.3. Bij brief van 22 februari 2007 heeft de Gemeente de bewoners van de [adres]t, waaronder [gedaagde], geïnformeerd over de voorgenomen herinrichting van het pad. In de brief staat onder meer:

“De werkzaamheden bestaan uit het inrichten van de groenstroken, het herplanten van een nieuwe beukenboom en het opknappen van het pad (…). Met de werkzaamheden wordt aangevangen op maandag 12 maart a.s. (…).”

Bij de brief is een tekening gevoegd van de voorgenomen herinrichting waaruit onder meer blijkt dat aan de zijkant van het pad, naast het pand van [gedaagde], een groenstrook zal worden aangelegd.

2.4. Bij brief van 6 maart 2007 heeft mr. Voets namens [gedaagde] geprotesteerd tegen de voorgenomen herinrichting. Uit de brief blijkt - kort gezegd - dat door de aanleg van de groenstrook de aan de noordzijde van het pand (op eigen terrein) gelegen parkeerplaatsen van [gedaagde] onbereikbaar zullen worden en voorts dat het hierdoor onmogelijk wordt om met een aanhanger of hoogwerker aan de achterzijde van het pand te komen, hetgeen noodzakelijk is om spullen te kunnen laden en lossen en om onderhoud te kunnen plegen.

2.5. Op 9 maart 2007 heeft [gedaagde] de Gemeente in kort geding gedagvaard en gevorderd dat het haar op straffe van een dwangsom wordt verboden om met de werkzaamheden aan te vangen danwel deze voort te zetten.

2.6. Bij vonnis van 2 juli 2007 heeft de Voorzieningenrechter de vordering toegewezen en - samengevat - geoordeeld dat het in kort geding gaat om de vraag of de Gemeente uit eigen beweging en zonder vooroverleg met [gedaagde] feitelijk een einde kan maken aan het bestendig gebruik door [gedaagde] van gemeentegrond naast zijn pand, danwel of zij dat gebruik in relevante mate kan beperken, en dat dit dient te worden beoordeeld op grond van redelijkheid en billijkheid, waarbij tevens een belangenafweging moet plaatsvinden. Vervolgens heeft de Voorzieningenrechter overwogen dat de Gemeente met het aanleggen van een groenstrook geen zwaarwegender belang heeft dan [gedaagde] bij het behoud van zijn parkeerplaatsen en dat de Gemeente aldus handelt in strijd met de redelijkheid en billijkheid.

3. Het geschil

3.1. De Gemeente vordert, voor zover mogelijk bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, een verklaring voor recht dat zij gebruik mag maken van haar eigendom op een wijze die nodig is voor de uitvoering van het herinrichtingsplan en voorts dat het [gedaagde] wordt verboden om de werkzaamheden te belemmeren op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag met een maximum van € 50.000,-. Tevens vordert de Gemeente de veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 1.151,31 ter zake van schadevergoeding, zijnde de proceskostenveroordeling in kort geding, en tot betaling van de buitengerechtelijke kosten en proceskosten.

3.2. De Gemeente heeft - kort gezegd - aan haar vordering ten grondslag gelegd dat het pad haar eigendom is en dat [gedaagde] geen recht van erfdienstaarheid heeft om daarover heen te rijden of (deels) op te parkeren, zodat zij gebruik mag maken van haar eigendomsrecht, voor zover zij daarbij geen hinder toebrengt aan [gedaagde] als bedoeld in artikel 5:37 juncto 6:162 BW. Daarvan is volgens de Gemeente echter geen sprake.

3.3. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Vast staat dat de Gemeente eigenaar is van het pad. Dit brengt mee dat het de Gemeente vrij staat om gebruik te maken van het pad, mits dit gebruik niet strijdt met rechten van anderen en de op wettelijke voorschriften en regels van ongeschreven recht gegronde beperkingen daarbij in acht worden genomen (art. 5:1 lid 2 BW).

Op het pad is geen erfdienstbaarheid of ander zakelijk recht gevestigd ten behoeve van [gedaagde], noch een persoonlijk recht. De vraag rijst dan of de Gemeente door het uitvoeren van het herinrichtingsplan handelt in strijd met een wettelijk voorschrift, zoals bijvoorbeeld artikel 5:37 BW ter zake van hinder, of met een (ongeschreven) recht van [gedaagde] dat

door artikel 6:162 BW wordt beschermd.

4.2. Voorop wordt gesteld dat ook bij de bepaling ten aanzien van hinder aansluiting wordt gezocht bij artikel 6:162 BW. Van belang is derhalve of de Gemeente bij de aanleg van de groenstrook op onrechtmatige wijze inbreuk maakt op een recht van [gedaagde] of dat zij daardoor handelt in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Hoewel op zichzelf wel aannemelijk is dat de aanleg van de groenstrook tot ongemak bij [gedaagde] zal leiden is daarmee immers niet direct de onrechtmatigheid van dat handelen gegeven.

4.3. Tijdens de comparitie ter plaatse is gebleken dat na de aanleg van de groenstrook vier van de zes parkeerplaatsen op het terrein van [gedaagde] onbereikbaar zullen worden. Voorts is gebleken dat aan de overzijde van de [adres]t een parkeerterrein ligt dat deels vrij is en deels is aangewezen als ‘blauwe zone’ met een maximum parkeertijd van twee uur. Laatstgenoemd gedeelte ligt direct tegenover het pand van [gedaagde], terwijl het vrije gedeelte verder naar achteren ligt, op ongeveer 150 meter afstand. [gedaagde] heeft bevestigd dat op het vrije gedeelte van het terrein voor 8.30 uur nog (voldoende) parkeerplaatsen beschikbaar zijn, terwijl de plaatsen naast zijn pand thans grotendeels worden gebruikt door medewerkers van de bedrijven die in het pand zijn gevestigd en die rond die tijd beginnen met hun werk. De Gemeente heeft daarnaast nog gewezen op een ander parkeerterrein waar vrij kan worden geparkeerd, op ongeveer 250 meter afstand, hetgeen [gedaagde] ook niet heeft weersproken. Er zijn derhalve voldoende reële alternatieven voor het verlies van de vier plaatsen naast het pand, zodat er geen sprake is van schending van de zorgvuldigheidsnorm. Bovendien bestaat de mogelijkheid dat in ieder geval ten aanzien van één auto ontheffing wordt verleend voor de maximum parkeertijd in de blauwe zone op het terrein aan de overzijde van de [adres]t. Dat daarvoor € 15.000,- zou zijn verschuldigd zoals [gedaagde] heeft aangevoerd is niet juist, aangezien dit alleen van toepassing is bij nieuwbouw of (grootschalige) verbouw en daarvan in het onderhavige geval geen sprake is.

4.4. Ten aanzien van de aanhanger en hoogwerker heeft [gedaagde] verklaard dat deze slechts één keer in de twee weken respectievelijk één keer in de twee maanden worden ingezet. Van een dagelijks probleem is dan ook geen sprake. Bovendien is denkbaar dat de aanhanger bij het laden en lossen op de twee resterende parkeerplaatsen aan de zijkant van het pand wordt gezet en dat het wassen van de ramen en het grootonderhoud worden uitbesteed. Er is niet gesteld of gebleken dat de kosten daarvan aanzienlijk meer zouden bedragen dan het uitvoeren in eigen beheer. In dat geval moet immers ook rekening worden gehouden met stallings- en onderhoudskosten van de eigen apparatuur.

4.5. [gedaagde] heeft nog aangevoerd dat de Gemeente gedurende ongeveer tien jaar heeft gedoogd dat gebruik werd gemaakt van het pad. Dat betekent op zichzelf echter niet dat [gedaagde] het gerechtvaardigd vertrouwen mocht hebben dat dit tot in lengte van dagen zou voortduren en dat nimmer tot beëindiging van dat gebruik zou mogen worden overgaan. [gedaagde] heeft geen erfdienstbaarheid of ander zakelijk recht op het pad, noch specifiek toestemming om daarvan gebruik te maken. Verder staat vast dat het pad krachtens het verkeersbesluit uit 1971 is aangewezen als onverplicht fietspad, zodat [gedaagde] ook daaraan geen rechten kan ontlenen.

Ook het feit dat de Gemeente bij de invoering van de blauwe zone het parkeren op eigen terrein heeft gestimuleerd brengt niet mee dat thans geen maatregelen genomen kunnen worden om een groenere dorpskern te creëren. Hoewel de daarvoor benodigde maatregelen mogelijk tot tegenstrijdigheid met het ingevoerde parkeerbeleid leiden maakt dat op zichzelf niet dat er ook sprake is van onrechtmatig handelen door de Gemeente.

Ten slotte wordt ten aanzien van de bekendmaking van de definitieve afmetingen van de groenstrook begin 2007 opgemerkt dat nu niet is gesteld of gebleken dat de Gemeente al eerder op de hoogte was van die afmetingen en dat zij [gedaagde] bewust op het verkeerde been heeft gezet, ook hieruit niet volgt dat zij onzorgvuldig of onrechtmatig handelt jegens hem.

4.6. Gelet op het vorenstaande is er geen sprake van onrechtmatig handelen en van strijdig gebruik als bedoeld in artikel 5:1 lid 2 BW. Evenmin is sprake van handelen in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het zorgvuldigheidsbeginsel genoemd in artikel 3:2 danwel 3:4 Awb of het vertrouwens- c.q. rechtszekerheidsbeginsel.

Dit brengt mee dat de Gemeente gerechtigd is om in het kader van de voorgenomen herinrichting over te gaan tot aanleg van de groenstrook. De gevorderde verklaring voor recht zal dan ook worden verleend.

4.7. Ten aanzien van het gevorderde verbod om de werkzaamheden te belemmeren wordt het volgende overwogen. Ter comparitie heeft de Gemeente toegelicht dat zij hiermee doelt op het feit dat [gedaagde] zijn auto op de plaats van de groenstrook zou kunnen zetten, waardoor de werkzaamheden niet zouden kunnen plaatsvinden. De rechtbank ziet in dit argument echter geen aanleiding om een dergelijk verbod op te leggen, te meer nu [gedaagde] betwist dat hij voornemens is de werkzaamheden te belemmeren en de Gemeente niet nader heeft onderbouwd waarom precies gevreesd zou moeten worden voor een dergelijke actie van [gedaagde]. Dit onderdeel van de vordering wordt derhalve afgewezen.

4.8. De Gemeente heeft voorts de veroordeling van [gedaagde] gevorderd tot betaling van de proceskosten die zij heeft gemaakt in het kader van het kort geding. Ook dit deel van de vordering wordt afgewezen. In kort geding is de Gemeente als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten. Tegen dit vonnis is geen appèl ingesteld, zodat het kracht van gewijsde heeft. Dat de rechtbank thans in materiële zin anders beslist over de zaak en de Gemeente (alsnog) in het gelijk stelt, maakt niet dat [gedaagde] zou moeten worden veroordeeld in die eerdere proceskosten.

4.9. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen. Uit het door de Gemeente gestelde volgt niet dat zij kosten heeft gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier.

4.10. [gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij veroordeeld worden in de proceskosten, welke kosten aan de zijde van de Gemeente worden begroot op

€ 335,31 aan verschotten en € 904,- aan salaris procureur (2 punten x tarief € 452,-).

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. verklaart voor recht dat de Gemeente gebruik mag maken van haar eigendomsrecht op een wijze die nodig is voor de uitvoering van het herinrichtingsplan,

5.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van de Gemeente tot op heden begroot op € 1.239,31,

5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Verra en in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2008.