Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BC5839

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
20-02-2008
Datum publicatie
05-03-2008
Zaaknummer
165956
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Opheffing beslag.

Summierlijk gebleken van ondeugdelijkheid van vordering waarvoor beslag is gelegd. Arbitragecommissie.

Artikel 1065, eerste lid Rv geeft een limitatieve opsomming van de gronden waarop een arbitraal vonnis kan worden vernietigd, waarvan het niet houden aan de opdracht er één is. De door eiser gestelde omstandigheden kunnen vooralsnog echter niet tot het oordeel leiden dat in een bodemprocedure de rechtbank naar alle waarschijnlijkheid zal beslissen dat de arbiters buiten hun opdracht zijn gegaan.

De beslagen worden opgeheven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 165956 / KG ZA 08-71

Vonnis in kort geding van 20 februari 2008

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonpl[woonplaats],

eiser,

procureur en advocaat mr. P.H.N. van Spanje te Wageningen,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur J.M. Bosnak,

advocaat mr. W.T.J.G. Osse te Houten.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [eiser]

- de pleitnota van [gedaagde] en de overgelegde producties.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Partijen zijn voormalige echtelieden en waren gehuwd onder huwelijkse voorwaarden. Staande hun huwelijk zijn partijen op 30 mei 1996 met ingang van 1 januari 1996 een overeenkomst van maatschap aangegaan waarin het volgende – voor zover thans relevant – is opgenomen:

Artikel 7: Arbitrage

Ingeval een geschil omtrent de gang van zaken binnen de maatschap niet door partijen kan worden opgelost stelt de voorzitter van de Kamer van Koophandel waaronder de maatschap ressorteert de oplossing bindend vast. Er is een geschil zodra een der vennoten dat aangetekend en schriftelijk aan de andere firmant te kennen heeft gegeven. Binnen vier weken na deze schriftelijke constatering wordt de voorzitter verzocht uitspraak te doen. Deze uitspraak wordt uiterlijk acht weken na schriftelijke constatering gedaan.

2.2. [gedaagde] heeft voornoemde overeenkomst bij brief van 30 december 2004 opgezegd tegen 1 januari 2005. Deze opzegging is door [eiser] bevestigd. [eiser] heeft het door de maatschap gedreven agrarisch (melkvee-)bedrijf in de vorm van een eenmanszaak voortgezet.

2.3. Partijen verschillen van mening over de financiële afwikkeling van de maatschap. [gedaagde] stelt dat zij nog een aanzienlijk bedrag van [eiser] heeft te ontvangen en heeft, na daartoe op 18 augustus 2006 van de voorzieningenrechter van deze rechtbank verlof te hebben gekregen, op 23 augustus 2006 voor een bedrag van € 660.000,- conservatoir beslag gelegd op:

- het woonhuis en terrein van [eiser] staande en gelegen te [woonplaats] aan de [adres], kadastraal bekend als gemeente [woonplaats], sectie P, nummer 62,

- een terrein van [eiser] gelegen te [woonplaats] aan de [adres], kadastraal bekend als gemeente [woonplaats], sectie P, nummer 93, en

- het aan [eiser] toebehorende melkquotum ter grootte van 399.422 kilo met een vetgehalte van 3,92%.

2.4. Bij brief van 30 augustus 2006 heeft [gedaagde] de voorzitter van de Kamer van Koophandel te Tiel verzocht om het geschil over de afrekening en verdeling als arbiter te beslechten.

2.5. Op 19 december 2006 heeft [gedaagde] haar memorie van eis ingediend en gevorderd dat [eiser] een bedrag van € 632.483,- en een tweetal nog nader te bepalen bedragen voor de tijdens de looptijd van de maatschap door de maatschap betaalde kosten aan rente en aflossing op de privéwoning van [eiser] en voor de waarde van de paarden van [gedaagde], aan haar moet betalen. [eiser] heeft op 18 april 2007 een memorie van antwoord in conventie, tevens zijnde een memorie van eis in reconventie ingediend, waarin hij afwijzing van de vorderingen van [gedaagde] en betaling van in totaal een bedrag van

€ 329.758,23 van [gedaagde] vordert. Tevens vordert hij verstrekking van een verklaring van waardeloosheid van de gelegde beslagen. [gedaagde] heeft op 7 mei 2007 een memorie van antwoord in reconventie, tevens houdende wijziging van eis ingediend, inhoudende dat het te vorderen bedrag € 696.080,-, exclusief kosten en rente en onder verrekening van de eerder door haar genoemde nog nader te bepalen posten, bedraagt.

2.6. Partijen zijn overeengekomen dat er geen hoger beroep mogelijk is van het vonnis van de arbitragecommissie.

2.7. Bij tussenvonnis van 20 juni 2007 heeft de arbitragecommissie bepaald dat drie deskundigen de waarde van het agrarisch bedrijf en de daartoe behorende bedrijfsbestanddelen per 1 januari 1996 en op 1 januari 2005 moeten bepalen. Op 23 augustus 2007 hebben de deskundigen een taxatierapport uitgebracht.

2.8. De arbitragecommissie heeft in haar tussenvonnis van 17 december 2007 mede naar aanleiding van voornoemde taxatie onder meer het volgende beslist:

Bepaald voorshands onder voorbehoud van correcties naar aanleiding van een hierna te gelasten ontstaans- en afloopcontrole dat het negatieve aandeel van mevrouw [gedaagde] (en derhalve de vordering terzake van de heer [eiser] op mevrouw [gedaagde]) in het bedrijfsvermogen € 62.032,- bedraagt.

Houdt haar beslissing ten aanzien van de door [eiser] gevorderde opheffing van het beslag alsmede ten aanzien van de kosten van de arbitragecommissie aan.

2.9. Op 23 januari 2008 is het rapport dat betrekking heeft op de ontstaan- en afloopcontrole van de jaarstukken 2003/2004 door de arbitragecommissie uitgebracht. Hierin is geconcludeerd dat het verlies over 2004 € 25.540,94 kleiner is, zodat het eigen vermogen per maatschapslid met een bedrag van € 12.770,47 moet worden verhoogd.

Partijen hebben tot 18 februari 2008 de tijd om op het rapport te reageren.

2.10. Bij brief van 18 oktober 2007 van Aitton notarissen heeft de Rabobank Tiel-Culemborg, de hypotheekhouder van [eiser], de executoriale verkoop van zijn onroerende zaken aangezegd. [eiser] heeft uitstel gekregen tot begin februari 2008.

2.11. [eiser] heeft de arbitragecommissie op 14 januari 2008 verzocht tot herstel van rekenfouten in het tussenvonnis van 17 december 2007. Op 28 januari 2008 heeft [gedaagde] de arbitragecommissie bericht dat zij correctie wenst van onjuistheden in het vonnis, hetgeen dient te leiden tot een wijziging van het te betalen bedrag in het voordeel van [gedaagde]. De vordering van haar op [eiser] zou daarmee komen op een bedrag van € 324.440,41, exclusief enkele nog nader te bepalen posten.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert dat de voorzieningenrechter

1. [gedaagde] gebiedt om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis zorg te dragen voor doorhaling van de registratie in de registers van het kadaster van het op 23 augustus 2006 gelegde conservatoir beslag op de [eiser] in eigendom toebehorende onroerende zaken aan de [adres] te [woonplaats], kadastraal bekend gemeente [woonplaats], sectie P, nummer 62 en gemeenten [woonplaats], sectie P, nummer 93,

2. [eiser] een machtiging geeft om, bij gebreke van nakoming van het gebod onder 1. door [gedaagde], zorg te dragen voor doorhaling van de registratie in de registers van het kadaster van het op 23 augustus 2006 gelegde conservatoir beslag zoals bedoeld onder 1.,

3. [gedaagde] gebiedt om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis zorg te dragen voor doorhaling van de registratie bij het Centraal Orgaan van de Superheffing van het Productschap Zuivel (hierna: COS) van het op 23 augustus 2006 gelegde conservatoir beslag op het geregistreerde melkquotum van [eiser], en

4. [eiser] een machtiging geeft om, bij gebreke van nakoming van het gebod onder 3. door [gedaagde], zorg te dragen voor doorhaling van de registratie in de registers van het kadaster van het op 23 augustus 2006 gelegde conservatoir beslag zoals bedoeld onder 3.

De voorzieningenrechter leest hierin dat [eiser] opheffing van de beslagen vordert.

3.2. [eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat, gelet op het tussenvonnis van de arbitragecommissie van 17 december 2007 en het rapport dat ziet op de ontstaan- en afloopcontrole d.d. 23 januari 2008, het onwaarschijnlijk is dat [gedaagde] nog een vordering op hem zal hebben, zodat de beslagen niet langer gehandhaafd mogen worden. Daar komt bij dat de Rabobank de financiering heeft opgezegd en de onroerende zaken van [eiser] executoriaal wil gaan verkopen. [eiser] heeft inmiddels een nieuwe financier gevonden, maar deze wil pas een hypotheek verstrekken als de beslagen zijn opgeheven.

3.3. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Vooropgesteld wordt dat, anders dan [gedaagde] meent, van een spoedeisend belang van [eiser] bij zijn vorderingen niet behoeft te zijn gebleken. Artikel 705, lid 1 Rv geeft immers een eigen rechtsgang die deze voorwaarde niet stelt. Een beslagene kan te allen tijde opheffing van het beslag vragen, een spoedeisend belang hoeft daarbij niet aanwezig te zijn. Los van het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat een spoedeisend belang aanwezig is. Als aangenomen wordt dat de Rabobank [eiser] uitstel heeft verleend tot mei 2008, is het nog maar de vraag of er dan al een einduitspraak zal zijn gedaan door de arbitragecommissie. Immers [gedaagde] heeft tot op heden haar voorschot op de betaling van de arbiters nog niet voldaan en partijen zijn ook nog steeds met elkaar in debat.

4.2. De opheffing van een conservatoir beslag kan onder meer worden bevolen, indien op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd, summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag, of, zo het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld. Dit brengt mee dat het op de weg ligt van degene die de opheffing vordert, voldoende aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk is.

4.3. Allereerst heeft [eiser] aangevoerd dat het beslag op het melkquotum nietig is omdat de bij de arbitragecommissie ingestelde eis niet is betekend het COS. Beslag op melkquotum moet volgens [eiser] worden gezien als een derdenbeslag, zodat artikel 721 Rv van overeenkomstige toepassing is. De voorzieningenrechter overweegt te dien aanzien dat een melkquotum kan worden gekarakteriseerd als een vermogensrecht, dat toekomt aan de melkveehouder. Beslag hierop moet dan ook onder de melkveehouder, in casu [eiser], gelegd worden ex artikel 474bb Rv. Nu dit ook zo is gedaan en het beslag tevens is overbetekend aan het COS wordt de stelling van [eiser] verworpen.

4.4. De vraag is vervolgens of er sprake is van een ondeugdelijke claim of onnodig gelegd beslag. Vastgesteld kan worden dat in artikel 7 van het maatschapscontract een soort van arbitraal beding is overeengekomen, op grond waarvan door de voorzitter van de Kamer van Koophandel te Tiel een arbitragecommissie is benoemd teneinde het geschil tussen partijen over de afwikkeling van de maatschap te beslechten volgens het arbitragereglement van de Kamer van Koophandel. Partijen zijn overeengekomen dat zij niet in hoger beroep zullen gaan van de beslissing van de arbitragecommissie. [gedaagde] stelt dat zij een vordering heeft op [eiser] ter grootte van € 696.080,-, dan wel € 324.440,41, die door voornoemde commissie moet en zal worden beoordeeld. Zoals hiervoor is overwogen is de arbitragecommissie daartoe ook bevoegd. De voorzieningenrechter kan derhalve niet inhoudelijk over het geschil oordelen en zal slechts marginaal toetsen of er elementaire beginselen van behoorlijke procesorde zijn geschonden – hetgeen gesteld noch gebleken

is – , dan wel andere gronden voor vernietiging van het arbitraal vonnis aanwezig zijn.

4.5. [gedaagde] heeft gesteld dat de arbiters buiten hun opdracht zijn gegaan door uit te gaan van onjuiste feiten. Zij zouden de jaarstukken verkeerd hebben gelezen en ten onrechte zijn uitgegaan van de getrouwheid daarvan, zodat het tussenvonnis voor vernietiging in aanmerking komt.

4.6. De voorzieningenrechter overweegt dat artikel 1065, eerste lid Rv een limitatieve opsomming geeft van de gronden waarop een arbitraal vonnis kan worden vernietigd, waarvan het niet houden aan de opdracht er één is. De door [gedaagde] gestelde omstandigheden kunnen vooralsnog echter niet tot het oordeel leiden dat in een bodemprocedure de rechtbank naar alle waarschijnlijkheid zal beslissen dat de arbiters buiten hun opdracht zijn gegaan. Immers van schending van de opdracht van het scheidsgerecht is – onder meer – eerst dan sprake indien de wettelijke en overeengekomen procedureregels niet zouden zijn gevolgd, de arbiters zouden hebben nagelaten over bepaalde vorderingen te beslissen of in geval zij zouden zijn afgeweken van de door partijen aangedragen (en als vaststaand aangenomen) feitelijke gegevens. Er bestaat op grond van het door [gedaagde] aangevoerde derhalve geen reden om aan te nemen dat de tussenuitspraak voor vernietiging in aanmerking zou komen, zodat het vonnis van 17 december 2007 bindend is voor partijen, behoudens een mogelijke correctie op het punt van kennelijke schrijf- of rekenfouten. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [gedaagde] vooralsnog geen vordering heeft op [eiser] en [eiser] dus summierlijk heeft aangetoond dat de vordering waarvoor [gedaagde] beslag heeft gelegd ondeugdelijk is. Mogelijkerwijs volgt er echter nog een aanpassing naar aanleiding van de ontstaan- en afloopcontrole. Deze aanpassing lijkt in het voordeel van [gedaagde] uit te vallen. Desalniettemin zal de vordering van [eiser] op [gedaagde] ook na deze correctie van, zoals het er nu naar uitziet, enkele tienduizenden euro’s blijven bestaan. De beslagen zullen dan ook worden opgeheven.

4.7. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. heft op het ten laste van [eiser] op de hem in eigendom toebehorende onroerende zaken aan de [adres] te [woonplaats], kadastraal bekend gemeente [woonplaats], sectie P, nummer 62 en gemeenten [woonplaats], sectie P, nummer 93, gelegde beslag,

5.2. heft op het ten laste van [eiser] gelegde beslag op het geregistreerde melkquotum van [eiser],

5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.W. Huijgen en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. B.J.M. Vermulst op 20 februari 2008.