Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BC5816

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
27-02-2008
Datum publicatie
05-03-2008
Zaaknummer
518107 CV Expl. 07-3982
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Werkgever en werkneemster hebben een beëindigingsovereenkomst gesloten, waarbij de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden is geëindigd. De kantonrechter is van oordeel dat de tekst van de beëindigingsovereenkomst met betrekking tot de te verlenen kwijting verder gaat dan een algemene finale kwijtingsbepaling. Immers in de bepaling wordt expliciet vermeld dat er geen andere afspraken en/of overeenkomsten meer bestaan, althans deze afspraken en/of overeenkomsten teniet worden gedaan met de vaststellingsovereenkomst. Vordering van werkneemster wordt toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2008, 55
AR-Updates.nl 2008-0155
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector kanton

Locatie Wageningen

zaakgegevens 518107 \ CV EXPL 07-3982 \ LS/91/rz

uitspraak van 27 februari 2008

Vonnis

in de zaak van

[eisende partij]

wonende te Zaltbommel

eisende partij

gemachtigde Stichting Rechtsbijstand

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Kenfood B.V.

gevestigd te Bennekom, gemeente Ede, kantoorhoudende te Zaltbommel

gedaagde partij

gemachtigde Bouwman Van Dommelen Advocaten

Partijen worden hierna [eisende partij ] en Kenfood genoemd.

1. Het verloop van de procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 16 oktober 2007 met producties

- de conclusie van antwoord met producties

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek.

1.2. Het vonnis is bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

2.1. De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten, die vaststaan omdat ze niet of niet voldoende zijn betwist.

2.2. [eisende partij ], geboren op [dag en maand] 1973, is op 1 november 2002 bij Kenfood in dienst getreden in de functie van trader. Het salaris van [eisende partij ] bedroeg laatstelijk € 3.267,21 bruto per maand, exclusief vakantietoeslag.

2.3. Kenfood heeft in de aanvang van het jaar 2006 de premie ziektekostenverzekering voor dat jaar ten bedrage van € 3.294,00 voor [eisende partij ] betaald. Partijen zijn in februari 2007 overeengekomen dat [eisende partij ] dat bedrag in termijnen van € 300,00 per maand terug zou betalen. De inhoudingen van € 300,00 hebben plaatsgevonden in de maanden februari, maart, april en mei 2007.

2.4. Op 26 april 2007 is tussen [eisende partij ] en Kenfood een beëindigingsovereenkomst gesloten, waarbij de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden is geëindigd op 1 juni 2007. In die overeenkomst zijn de volgende bepalingen opgenomen:

“2. Na beëindiging van het dienstverband zal werkgever aan werknemer als vergoeding voor in de toekomst te derven inkomsten ten titel van suppletie op een eventueel door haar te verkrijgen uitkering ingevolge de Sociale Verzekeringswetten, dan wel lager salaris in een werkkring elders, een bedrag ineens voldoen van € 10.585,75 bruto. Dit bedrag komt overeen met 3 bruto maandsalarissen inclusief vakantiegeld. De wijze van uitbetaling van de vergoeding is ter keuze van cliënte, mits fiscaal niet nadelig voor uw cliënte. Partijen treden nog met elkaar in overleg over deze wijze van uitbetaling van de vergoeding”.

en

“13. Met inachtneming en door uitvoering van de beëindigingsovereenkomst verlenen partijen elkaar over en weer algehele en finale kwijting van al hetgeen zij op grond van de arbeidsovereenkomst en/of enige andersluidende overeenkomst(en) van elkaar mochten hebben te vorderen. Partijen erkennen dat behoudens de afspraken zoals vastgelegd in de onderhavige vaststellingsovereenkomst er geen andere afspraken en/of overeenkomsten meer bestaan, althans deze afspraken en/of overeenkomsten teniet worden gedaan met deze vaststellingsovereenkomst die bedoelt de afspraken om te komen tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst uitputtend te regelen.

14. De beëindigingsovereenkomst heeft te gelden als een vaststellingsovereenkomst in de zin van artikel 7:900 BW, zodat de artikelen 7:900 en 7:906 BW op (de bepalingen van) deze overeenkomst van toepassing zijn.”

2.5. Op de aan [eisende partij ] toekomende ontslagvergoeding is een bedrag van € 2.100,00 in mindering gebracht door Kenfood, zijnde 7 maal € 300,00 aan inhoudingen ziektekostenverzekering.

3. De vorderingen, de grondslagen en de verweren.

3.1. [eisende partij ] vordert van Kenfood:

a. de hoofdsom ad € 2.100,00

b. de wettelijke verhoging van 50% ex artikel 7:625 BW over het hiervoor onder a. genoemde;

c. de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over a. en b.;

d. de buitengerechtelijke kosten ten bedrage van 15% van de hoofdsom, althans een door de kantonrechter in goede justitie vast te stellen bedrag;

e. de kosten van dit geding

3.2. Aan haar vorderingen legt [eisende partij ], kort samengevat, het volgende ten grondslag.

Op grond van de tussen partijen overeengekomen finale kwijtingsbepaling (zie hiervoor onder 2.3.) heeft Kenfood ten onrechte € 2.100,00 op de beëindigingsvergoeding in mindering gebracht.

Kenfood heeft ondanks schriftelijke aanmaning en sommatie, geweigerd het bedrag van € 2.100,00 aan [eisende partij ] te betalen.

3.3. Kenfood heeft de vordering betwist. Het verweer luidt – beknopt weergegeven – als volgt. [eisende partij ] heeft niet geprotesteerd tegen de inhoudingen van € 300,00 op haar salaris. Twee van die inhoudingen hebben plaatsgevonden na ondertekening van de beëindigingsovereenkomst d.d. 26 april 2007. Kenfood doet een beroep op de uitspraak van de Hoge Raad d.d. 2 april 2004 (JAR 2004/255), waarin is geoordeeld dat wanneer in een vaststellingsovereenkomst over een bepaald onderwerp niets is opgenomen dit kan betekenen dat de daarin opgenomen finale kwijtingsbepaling ook betrekking heeft op dit onderwerp. Echter, ook mogelijk is dat partijen dit onderwerp niet in de vaststellingsovereenkomst hebben opgenomen, omdat daarover reeds overeenstemming bestond. In casu is dit niet op basis van de beëindigingsovereenkomst vast te stellen. Aan de orde is de vraag wat partijen, in de gegeven omstandigheden, uit elkaars verklaringen en gedragingen redelijkerwijs omtrent elkanders bedoelingen mochten afleiden. Duidelijk was dat Kenfood de vordering terzake de ziektekosten wenste te handhaven. Bedoeling van beide partijen was dat de toekenning van een vergoeding van drie brutomaandsalarissen voldoende was. De vordering dient te worden afgewezen aldus Kenfood. Subsidiair voert Kenfood nog aan dat mocht geoordeeld worden dat de vordering dient te worden toegewezen de wettelijke verhoging ex art. 7:625 BW dient te worden afgewezen omdat Kenfood in deze zorgvuldig gehandeld heeft met inachtneming van de geldende regels. Ook de buitengerechtelijke kosten dienen dan te worden afgewezen, deze zijn onvoldoende gespecificeerd en de werkzaamheden zijn slechts zeer summier. Bij een proceskostenveroordeling zal ook het salaris van de gemachtigde dienen te worden afgewezen omdat dit een rechtsbijstandverzekeraar betreft.

4. De beoordeling van het geschil.

4.1. De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht.

De kantonrechter is van oordeel dat de tekst van de beëindigingsovereenkomst met betrekking tot de te verlenen kwijting verder gaat dan een algemene finale kwijtingsbepaling. Immers in de bepaling wordt expliciet vermeld dat er geen andere afspraken en/of overeenkomsten meer bestaan, althans deze afspraken en/of overeenkomsten teniet worden gedaan met de vaststellingsovereenkomst. Het had ook voor de hand gelegen om met betrekking tot de afbetalingsregeling van de ziektekosten nieuwe afspraken te maken nu na 1 juni 2007 geen maandelijkse inhoudingen op het loon meer konden plaatsvinden, terwijl dat toch was wat partijen waren overeengekomen. Dat Kenfood de vordering terzake de ziektekosten wilde handhaven is niet duidelijk gebleken. De kantonrechter acht het ook niet vreemd dat [eisende partij ] heeft gemeend dat zij, tot aan het einde van de arbeidsovereenkomst, de inhoudingen van € 300,00 op haar salaris was overeengekomen zoals door haar is aangevoerd.

Dat partijen het eens waren over een vergoeding van 3 maandsalarissen en dat [eisende partij ] daarnaast geen recht zou hebben op een bedrag van € 2100,-- netto is evenmin evident. Tussen partijen bestond een dienstverband van 5 jaar, en bij een vergoeding volgens neutrale gronden zou dan sprake kunnen zijn geweest van 5 maandsalarissen. Dat partijen anders zijn overeengekomen kan zo zijn, doch niet blijkt “zonneklaar” dat de afspraak met betrekking tot de inhoudingen van toepassing zou ijn op de beeindigingsvergoeding zoals door Kenfood is gesteld.

Naar het oordeel van de kantonrechter is Kenfood er niet in geslaagd de vordering van [eisende partij ] te weerleggen. De hoofdsom is toewijsbaar. De wettelijke verhoging is niet toewijsbaar nu het een beëindigingsvergoeding betreft en geen loon. Kenfood zal de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding (16 oktober 2007) dienen te betalen over het achterstallig deel van de beëindigingsvergoeding.

4.2. De kantonrechter acht voorts voldoende aannemelijk gemaakt dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht. Overeenkomstig de aanbevelingen van het rapport Voorwerk-II komt de gevorderde vergoeding -gelet op de hoogte van de voor toewijzing vatbare hoofdsom- slechts voor een bedrag van € 357,00 (inclusief b.t.w.) voor toewijzing in aanmerking.

4.3. Hetgeen partijen over en weer nog hebben aangevoerd kan op grond van het voorgaande buiten bespreking blijven.

4.4 Kenfood zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. Dat geldt ook ten aanzien van het salaris voor de gemachtigde van [eisende partij ]. Het feit dat [eisende partij ] verzekerd is tegen kosten van rechtsbijstand regardeert Kenfood niet.

5. De beslissing.

De kantonrechter:

5.1. veroordeelt Kenfood tot betaling van

a. de hoofdsom ad € 2.100,00

b. de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over a. en b. vanaf 16 oktober 2007 tot de dag der voldoening;

c. de buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 357,00;

5.2. veroordeelt Kenfood in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eisende partij ] begroot op € 633,31, waarin begrepen:

€ 84,31 explootkosten;

€ 199,00 vast recht;

€ 350,00 salaris gemachtigde;

5.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.4. wijst af het eventueel meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. drs. L.A. van Son en in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2008.