Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BC5329

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
25-02-2008
Datum publicatie
27-02-2008
Zaaknummer
AWB 07/282
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De opgave van het college aan het Uwv van de verleende bijstand en het verzoek om dat bedrag aan hem over te maken (ter verrekening met de achteraf toegekende Wajong-uitkering), kan niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Het gaat immers om het verstrekken van informatie van feitelijke aard. Verweerder heeft geen besluit tot terugvordering van ten onrechte verleende bijstand genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 07/282

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake

[naam], eiser,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. A.E.L.T. Balkema,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem, verweerder .

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 21 december 2006, verzonden op 5 januari 2007.

2. Procesverloop

Op 15 mei 2006 heeft verweerder, ter verrekening van de aan eiser verleende bijstand met een nog uit te keren Wajong-uitkering, op verzoek van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv) opgave gedaan van de in de periode van 5 januari 2005 tot en met 30 september 2005 aan eiser verleende bijstand en het Uwv verzocht het bedrag van € 2.901,07 aan hem over te maken.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het tegen de opgave gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Voorts heeft verweerder het verzoek om vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten afgewezen.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 10 mei 2007. Eiser is aldaar vertegenwoordigd door mr. Balkema voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.A. de Ronde, werkzaam bij de gemeente Arnhem.

De rechtbank heeft het onderzoek op 21 juni 2007 heropend en de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.

Het beroep is vervolgens behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 14 januari 2008. Eiser is aldaar vertegenwoordigd door mr. Balkema voornoemd en verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.A. de Ronde voornoemd.

3. Overwegingen

Aan het bestreden besluit ligt voor zover hier van belang het standpunt van verweerder ten grondslag dat door hem ten aanzien van eiser geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb is genomen. De opgave van de aan eiser verleende bijstand betreft slechts een informatieve verstrekking ten behoeve van het Uwv.

Eiser heeft het bestreden besluit gemotiveerd aangevochten. Op zijn stellingen zal de rechtbank hierna, voor zover nodig, ingaan.

De stelling van eiser dat in het bestreden besluit wordt verwezen naar het advies van de bezwaarschriftencommissie, maar dat het advies ten onrechte niet bij het bestreden besluit is gevoegd, kan naar het oordeel van de rechtbank niet tot vernietiging van het bestreden besluit leiden. Voor zover moet worden geoordeeld dat verweerder daarmee in strijd met artikel 3:49 van de Awb heeft gehandeld, ziet de rechtbank aanleiding de schending van dit vormvoorschrift met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren. Niet gebleken is immers dat eiser daardoor op enige wijze is benadeeld.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verweerder het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daartoe moet worden beoordeeld of verweerders opgave van 15 mei 2006 een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Verweerder heeft het Uwv de opgave van 15 mei 2006 doen toekomen van de in de bijstandsperiode aan eiser verleende bijstand. Het Uwv heeft na kennisname van de opgave eiser bij besluit van 21 juni 2006 medegedeeld dat hij over de periode van 5 januari 2005 tot 1 juli 2006 recht heeft op een Wajong-uitkering en dat na verrekening met (onder andere) de verleende bijstand een betaalbaar te stellen bedrag van € 1.623,83 resteert.

De rechtbank onderschrijft het standpunt van verweerder dat de opgave van 15 mei 2006 geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is. De opgave is immers niet meer dan een optelsom van uitgekeerde en ingehouden bedragen, betreft daarmee slechts het verstrekken van informatie van feitelijke aard en is niet op rechtsgevolg gericht. De rechtbank verwijst in dit verband naar vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep met betrekking tot het rechtskarakter van jaaropgaven (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 27 maart 2007, LJN: BA2336). Verweerder heeft geen besluit tot terugvordering van aan eiser verleende bijstand genomen en aan hem bekendgemaakt. Evenmin kan, zoals namens eiser ter zitting is betoogd, met toepassing van artikel 6:10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb worden aangenomen dat verweerder zodanig besluit nog niet tot stand had gebracht, maar eiser redelijkerwijs kon menen dat dat wel reeds het geval was. In zoverre is geen sprake van een voortijdig ingediend bezwaar.

Voor zover eiser zich op het standpunt stelt dat geen verrekening van de verleende bijstand met de Wajong-uitkering mag plaatsvinden zonder een aan hem behoorlijk bekend gemaakt besluit tot terugvordering van onverschuldigd betaalde bijstand, merkt de rechtbank op dat deze stelling buiten dit geding valt.

Op grond van het hiervoor overwogene is de rechtbank van oordeel dat verweerder het door eiser gemaakte bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Verweerder heeft het verzoek om vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten dan ook terecht afgewezen.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen van eiser tegen het bestreden besluit geen doel treffen. Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. E. Klein Egelink, voorzitter, en mrs. L. van Gijn en J.M. Neefe, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. Woestenburg, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2008 .

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 25 februari 2008