Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BC5326

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
11-02-2008
Datum publicatie
27-02-2008
Zaaknummer
AWB 07/3899
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser meent dat de provisiebetaling die zijn werkgever deed na afloop van het refertejaar in aanmerking moet worden genomen bij de berekening van het dagloon op grond van artikel 2, vierde en/of vijfde lid, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen. Volgens eiser betreft dit vorderbaar, maar niet inbaar loon. De rechtbank leidt uit de toelichting af dat artikel 2, vierde lid, van het Besluit ziet op de situatie waarin de werknemer wel een opeisbare vordering heeft op zijn werkgever, maar daarvan geen betaling kan verkrijgen. Op grond van het Besluit ligt het op de weg van de werknemer om dit aan te tonen, zoals verweerder heeft betoogd. Naar het oordeel van de rechtbank is de werknemer daarin niet geslaagd. Niet is gebleken dat eiser zijn werkgever heeft verzocht om uitbetaling van de provisie binnen het refertejaar en dat de werkgever dat vervolgens heeft geweigerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 07/3899

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[naam], eiser,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. J.F.E. van Halder,

tegen

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 10 augustus 2007.

2. Procesverloop

Bij besluit van 7 mei 2007 heeft verweerder eiser een WW-uitkering toegekend en het dagloon van eiser vastgesteld op

€ 145,11.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het door eiser ingediende bezwaar deels gegrond verklaard en voor het overige het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 20 december 2007. Eiser is aldaar verschenen, bijgestaan door mr. I.G.J. van den Broek Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M.M.E. Budel.

3. Overwegingen

3.1 Eiser is werkzaam geweest als hypotheek adviseur. Naast zijn vaste bruto maandsalaris had eiser recht op uitbetaling van provisie. Na beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst, met ingang van 1 mei 2007, heeft eiser de door hem verworven provisieaanspraken over 2006 en (een deel van) 2007 uitbetaald gekregen in de maanden mei en juni 2007. Eiser heeft per 1 mei 2007 een WW-uitkering aangevraagd en deze toegekend gekregen. Verweerder heeft de in mei en juni 2007 ontvangen provisie niet betrokken in de dagloonberekening, op basis waarvan de hoogte van de WW-uitkering wordt vastgesteld, omdat de betaling van de provisie buiten het refertejaar heeft plaatsgevonden.

3.2 Aan het bestreden besluit ligt het standpunt van verweerder ten grondslag dat bij de berekening van het dagloon slechts het loon voor de sociale verzekeringen (het SV-loon) in aanmerking wordt genomen dat door de werknemer in het refertejaar is genoten. Het refertejaar van eiser liep van 1 mei 2006 tot en met 30 april 2007. Loon dat voor of na dat tijdvak is genoten wordt niet in aanmerking genomen bij de berekening van het dagloon. Verweerder baseert dit standpunt op het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen (verder aangeduid als het Besluit dagloonregels). De provisie is door eiser na afloop van dat tijdvak ontvangen, zodat dit niet meegenomen hoeft te worden in de dagloonberekening.

3.3 Eiser heeft de juistheid van het bestreden besluit beargumenteerd bestreden, waarop hieronder, voor zover noodzakelijk, nader zal worden ingegaan.

3.4 Artikel 45, eerste lid, van de WW luidt: Voor de berekening van de uitkering waarop op grond van dit hoofdstuk recht bestaat wordt als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer in de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin het arbeidsurenverlies, bedoeld in artikel 16, eerste lid, is ingetreden, verdiende, doch ten hoogste het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen, met betrekking tot een loontijdvak van een dag.

Artikel 1, eerste lid, sub q, voor zover hier relevant, van het Besluit dagloonregels luidt: In dit besluit wordt verstaan onder:

(q) refertejaar: de periode van één jaar die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de arbeidsongeschiktheid danwel het arbeidsurenverlies is ingetreden.

Artikel 2, vierde en vijfde lid, van het Besluit dagloonregels luidt: (4) Onder loon wordt mede begrepen het loon waarvan de werknemer aantoont dat dit in het refertejaar vorderbaar maar niet tevens inbaar is geworden. Voor de toepassing van dit besluit wordt de werknemer geacht dit loon te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarin het vorderbaar is geworden. Indien in het refertejaar een uitkering als bedoeld in het tweede lid is genoten, waarbij in het dagloon loon als bedoeld in de eerste zin is meegerekend, wordt, indien dat loon in het refertejaar inbaar is geworden, dat loon bij de dagloonberekening buiten beschouwing gelaten. (5) Onder loon worden mede begrepen de inkomsten, bedoeld in artikel 16, derde lid, van de WW, waarop de werknemer recht heeft in verband met de beëindiging van de dienstbetrekking, voorzover die inkomsten worden toegerekend aan perioden die in het refertejaar vallen.

3.5 De rechtbank stelt voorop dat het dagloon, zoals verweerder heeft betoogd, conform het Besluit dagloonregels wordt vastgesteld op basis van het loon dat de werknemer in het refertejaar heeft genoten. De toelichting op het Besluit dagloonregels vermeldt dat het in het refertejaar genoten loon wordt vastgesteld aan de hand van de loonopgaven van de werkgever en dat het loon wordt geacht te zijn genoten in het tijdvak waaraan het – volgens opgave van de werkgever – moet worden toegerekend.

3.6 Eiser meent dat de provisiebetaling in aanmerking moet worden genomen bij de berekening van het dagloon op grond van artikel 2, vierde en/of vijfde lid, van het Besluit dagloonregels. Ingevolge artikel 2, vierde lid, van het Besluit dagloonregels wordt onder loon mede begrepen het loon waarvan de werknemer aantoont dat dit in het refertejaar vorderbaar maar niet tevens inbaar is geworden en wordt de werknemer voor de toepassing van dit Besluit geacht dit loon te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarin het vorderbaar is geworden. De toelichting op het Besluit dagloonregels luidt, voor zover relevant, als volgt:

“Het komt voor dat in het refertejaar recht op loon bestaat, doch dat loon (nog) niet inbaar is. Het kan hierbij bijvoorbeeld gaan om een situatie waarbij de werkgever niet meer aanwezig is. Om te voorkomen dat loon waar de werknemer wel recht op heeft maar dat niet wordt uitbetaald, bijvoorbeeld in de situatie dat de werkgever met de noorderzon is vertrokken, het dagloon van de werknemer negatief wordt beïnvloed, is in het vierde lid bepaald dat onder loon mede wordt begrepen het loon waarvan de werknemer aantoont dat dit in het refertejaar vorderbaar maar niet tevens inbaar is geworden. Zulk loon wordt dus in het dagloon meegerekend.” De rechtbank leidt uit de toelichting af dat artikel 2, vierde lid, van het Besluit dagloonregels ziet op de situatie waarin de werknemer wel een opeisbare vordering (‘vorderbaar’) heeft op zijn werkgever, maar daarvan geen betaling kan verkrijgen (‘inbaar’). Op grond van het Besluit dagloonregels ligt het op de weg van de werknemer om dit aan te tonen, zoals verweerder heeft betoogd. Naar het oordeel van de rechtbank is de werknemer daarin niet geslaagd. Van oninbaarheid is pas sprake als een opeisbare loonvordering, ondanks een verzoek van de werknemer tot betaling, niet wordt voldaan. Niet is gebleken dat eiser zijn werkgever heeft verzocht om uitbetaling van de provisie binnen het refertejaar en dat de werkgever dat vervolgens heeft geweigerd. Eiser is er dan ook niet in geslaagd aan te tonen dat de provisie in het refertejaar vorderbaar, maar niet inbaar was.

3.7 Het beroep van eiser op toepasselijkheid van artikel 2, vijfde lid, van het Besluit dagloonregels kan evenmin slagen, nu dat artikellid ziet op het inkomen tijdens de fictieve opzegtermijn en daarvan in dit geval geen sprake is.

3.8 Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen van eiser tegen het bestreden besluit geen doel treffen. Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

3.9 De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

3.10 Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. S.H. Bokx-Boom, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. J. Woestenburg, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2008.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 11 februari 2008