Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BC5322

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
11-02-2008
Datum publicatie
27-02-2008
Zaaknummer
AWB 07/3641
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser meent dat hij werknemer is in de zin van de WW, ondanks het ontbreken van een tewerkstellingsvergunning. Slechts in het geval de verblijfsvergunning van eiser zou zijn voorzien van de aantekening dat daaraan geen beperkingen zijn verbonden voor het verrichten van arbeid is een tewerkstellingsvergunning niet noodzakelijk. De rechtbank stelt vast dat de verblijfsvergunning van eiser niet is voorzien van de aantekening waaruit blijkt dat aan die vergunning geen beperkingen zijn verbonden voor het verrichten van arbeid. Op deze vergunning staat vermeld: “arbeid niet toegestaan met uitzondering van arbeid van bijkomende aard: TWV”. Eiser is dan ook geen werknemer in de zin van de WW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 07/3641

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[naam ], eiser,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. L.G.U. Compri,

tegen

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 27 juli 2007.

2. Procesverloop

Bij besluit van 20 april 2007 heeft verweerder een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) geweigerd per 15 februari 2007 of per 29 maart 2007 op de grond dat eiser geen vergunning heeft om in Nederland te werken.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het door eiser ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 20 december 2007. Eiser is aldaar vertegenwoordigd door mr. L.G.U. Compri. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M.M.E. Budel.

3. Overwegingen

3.1 Ten tijde van de aanvraag studeerde eiser tandheelkunde. Hij heeft de Oekraïense nationaliteit en verblijft in Nederland op grond van een verblijfsvergunning met de aantekening dat hij arbeid van bijkomende aard mag verrichten. Eiser heeft zonder tewerkstellingsvergunning werkzaamheden in loondienst verricht. Na zijn ontslag heeft eiser een WW-uitkering aangevraagd.

3.2 Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiser geen werknemer is in de zin van de WW, omdat uit artikel 3 van de WW in samenhang met artikel 16a van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden werknemersverzekeringen 1990 volgt dat een vreemdeling die zonder tewerkstellingsvergunning werkzaamheden verricht geen werknemer is in de zin van de WW, tenzij de verblijfsvergunning is voorzien van de aantekening waaruit blijkt dat aan die vergunning geen beperkingen zijn verbonden voor het verrichten van arbeid. Eiser voldeed volgens verweerder niet aan deze laatste voorwaarde.

3.3 Eiser heeft de juistheid van het bestreden besluit beargumenteerd bestreden, waarop hieronder, voor zover noodzakelijk, nader zal worden ingegaan.

3.4 Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de WW is werknemer de natuurlijke persoon, jonger dan 65 jaar, die in privaatrechtelijke of in publiekrechtelijke dienstbetrekking staat.

3.5 Ingevolge artikel 3, vijfde lid, sub a, van de WW kan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur van het eerste, tweede en derde lid worden afgeweken ten aanzien van vreemdelingen.

3.6 Ingevolge artikel 16a van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden werknemersverzekeringen 1990 wordt als werknemer in de zin van de werknemersverzekeringen niet beschouwd de vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onder a tot en met e, of l, van de Vreemdelingenwet 2000, indien hij arbeid in dienstbetrekking verricht zonder dat aan de Wet arbeid vreemdelingen is voldaan.

3.7 Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (WAV) is het is een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.

3.8 Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de WAV is het verbod, bedoeld in artikel 2, eerste lid, niet van toepassing met betrekking tot een vreemdeling die beschikt over een krachtens de Vreemdelingenwet 2000 afgegeven vergunning, welke is voorzien van een aantekening van de Minister van Justitie waaruit blijkt dat aan die vergunning geen beperkingen zijn verbonden voor het verrichten van arbeid.

3.9 De rechtbank stelt voorop dat uit de hiervoor vermelde wettelijke voorschriften volgt dat een werkgever steeds een tewerkstellingsvergunning dient te verkrijgen voor het te werk stellen van een vreemdeling, tenzij uit een aantekening op de verblijfsvergunning blijkt dat aan die vergunning geen beperkingen zijn verbonden voor het verrichten van arbeid. Uit de hiervoor vermelde wettelijke voorschriften volgt ook dat indien een vreemdeling zonder de vereiste tewerkstellingsvergunning werkzaamheden verricht voor een werkgever, deze vreemdeling geen werknemer is in de zin van de WW. Deze vreemdeling zal in dat geval geen aanspraak kunnen maken op een WW-uitkering.

3.10 De rechtbank stelt vast de verblijfsvergunning van eiser niet is voorzien van de aantekening waaruit blijkt dat aan die vergunning geen beperkingen zijn verbonden voor het verrichten van arbeid. Op deze vergunning staat vermeld: “arbeid niet toegestaan met uitzondering van arbeid van bijkomende aard: TWV”. Eiser heeft te dien aanzien betoogd dat de WAV het begrip “arbeid van bijkomende aard” niet kent. Dat betoog slaagt niet, nu ook voor het verrichten van arbeid, al dan niet van bijkomende aard, een tewerkstellingsvergunning noodzakelijk is op grond van de WAV. Slechts in het geval de verblijfsvergunning van eiser zou zijn voorzien van de aantekening dat daaraan geen beperkingen zijn verbonden voor het verrichten van arbeid is een tewerkstellingsvergunning niet noodzakelijk.

3.11 Hetgeen eiser overigens aanvoert tegen het bestreden besluit kan ook geen doel treffen, nu de tekst van de wet naar het oordeel van de rechtbank niet onduidelijk is en verweerder in dit geval geen beoordelingsvrijheid toekomt. Voorts dient verweerder, anders dan eiser betoogt, te onderzoeken of verweerder al dan niet over een tewerkstellingsvergunning beschikte, nu verweerder belast is met de uitvoering van de WW en hij in dat kader de taak heeft te beoordelen of een aanvrager werknemer in de zin van de WW is.

3.12 Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen van eiser tegen het bestreden besluit geen doel treffen. Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

3.13 De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

3.14 Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. S.H. Bokx-Boom, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. J. Woestenbrug , griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2008.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 11 februari 2008