Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BC5051

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
15-02-2008
Datum publicatie
25-02-2008
Zaaknummer
165123
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Aanbestedingsrecht.

De conclusie is dat in dit kort geding niet duidelijk is geworden dat de andere aannemer heeft voldaan aan de geschiktheidseis van artikel 3.1 sub f van de eigen verklaring. De gemeente had de inschrijving vande andere aannemer als ongeldig dienen te ecarteren. Nu zij dit niet heeft gedaan, heeft zij vervolgens ook ten onrechte het besluit genomen het werk aan de andere aannemer te gunnen

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAAN 2008/20
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 165123 / KG ZA 08-21

Vonnis in kort geding van 15 februari 2008

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

JACOBS WEGENBOUW NIJMEGEN-WIJCHEN B.V.,

gevestigd te Wijchen,

eiseres,

procureur mr. J.M. Bosnak,

advocaat mr. R.G.T. Bleeker te Amsterdam,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE NIJMEGEN,

zetelend te Nijmegen,

gedaagde,

advocaat mr. S.G. Blasweiler te Nijmegen.

Partijen zullen hierna Jacobs en de gemeente worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties

- de producties van de gemeente

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van Jacobs

- de pleitnota van de gemeente.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. De gemeente heeft door middel van een aankondiging van opdracht, d.d. 2 november 2007, een openbare aanbesteding uitgeschreven voor de uitvoering van werken met betrekking tot ‘Rioolvervanging en afkoppelen Dierenbuurt te Nijmegen’ (Bestek 2007-41, hierna: het bestek). Blijkens deze aankondiging van opdracht bestaat het werk in hoofdzaak uit:

a. het opbreken van asfaltverhardingen (circa 12000 m2);

b. het openbreken van elementverhardingen (circa 24000 m2);

c. het uitvoeren van grondwerken (circa 30000 m3);

d. het opbreken van riolering (circa 2400 m1);

e. het aanbrengen van DWA en HWA-riolering (circa 4100 m1);

f. het vervangen van huis- en kolkaansluitingen (circa 700 st);

g. het aanbrengen van asfaltverhardingen (circa 100 ton);

h. het aanbrengen van elementverhardingen (circa 34000 m2);

i. het vervangen van de openbare verlichting (circa 90 st);

j. het toepassen van tijdelijke verkeersmaatregelen;

k. het uitvoeren van bijkomende werken.

2.2. Op deze aanbesteding is het Aanbestedingsreglement Werken 2005 (ARW 2005) van toepassing.

2.3. In de bij het bestek behorende ‘Eigen Verklaring’ is onder meer het volgende opgenomen:

“3 Minimumeisen

3.1 Financiële en economische draagkracht

(…)

f. Kunt u een referentielijst overleggen, tot maximaal 3 jaar voorafgaand aan deze aanbesteding, van 1 soortgelijk civieltechnisch werk met een aanneemsom of gefactureerd bedrag gelijk of groter dan € 1.000.000,- te hebben opgeleverd binnen de gestelde tijdsbepalingen.”

2.4. Op 4 december 2007 heeft de onder 2.1. genoemde aanbesteding plaatsgevonden en is de gemeente overgegaan tot het openen van de inschrijvingsbiljetten. Gebr. [ ] B.V. [woonplaats] heeft de laagste prijs geoffreerd. Jacobs heeft de op één na laagste prijs geoffreerd. Van een en ander is een proces-verbaal van aanbesteding, d.d. 4 december 2007, opgemaakt.

2.5. Bij brief van 12 december 2007 heeft de heer W. [betrokkene 3], hoofd stadswerken, namens de gemeente onder meer het volgende aan Jacobs bericht:

“Op 04-12-2007 heeft uw bedrijf ingeschreven op bestek 2007-41, rioolvervanging en afkoppelen regenwater Dierenbuurt. Na beoordeling van de geldig gedane aanbieding is gebleken dat Gebr. [ ] b.v. gevestigd te [woonplaats], de meest economische aanbieding heeft gedaan. Daarom hebben wij het voornemen aan dit bedrijf te gunnen.

Indien u zich in dit voornemen niet kunt vinden, stel ik u hierbij in de gelegenheid om dit uiterlijk binnen 15 dagen na dagtekening van deze brief via een civiele (spoed)procedure bij de rechtbank aanhangig te maken. Indien er niet binnen bovengenoemde termijn schriftelijk bericht van u wordt ontvangen dat u een dergelijk geschil aanhangig hebt gemaakt, ga ik er van uit dat u kunt instemmen met ons voornemen te gunnen aan Gebr. [ ] b.v.”

2.6. Bij brief van 17 december 2007 heeft de advocaat van Jacobs onder meer het volgende aan de gemeente bericht:

“Bij de aanbesteding van dit werk op 4 december jl. is als laagste uit de bus gekomen de firma Gebr. [ ] B.V. te [woonplaats]. Volgens de informatie waarover mijn cliënte beschikt voldoet deze vennootschap evenwel niet aan de gestelde geschiktheidseis, omdat zij niet heeft uitgevoerd een soortgelijk civiel technisch werk met een aanneemsom of gefactureerd bedrag gelijk aan of groter dan € 1.000.000,-. Voorzover cliënte weet heeft deze firma geen soortgelijk werk uitgevoerd. Indien u meent dat de gunning rechtmatig is dan ontvang ik gaarne uw motivatie inzake genoemde geschiktheidseis.

Op grond van het bovenstaande meent cliënte dat u de laagste inschrijver behoort te passeren en het werk dient op te dragen aan cliënte.”

2.7. Bij de stukken bevindt zich een e-mailbericht van 21 december 2007 van de heer [betrokkene 1], directeur van Jacobs, gericht aan [betrokkene 3] van de gemeente. Hierin is onder meer het volgende opgenomen:

“De bijlage is per fax en per gewone post naar [voornaam] [betrokkene 2] verzonden.

Indien uit zijn antwoord zou blijken dat er geen reden is om de gunning aan te vragen dan zouden we dit gaarne vernemen voordat wij elkaar onnodig belasten.

Aangezien wij tot op heden geen antwoord hebben mogen ontvangen kunnen wij dit tot op heden niet beoordelen.”

2.8. Bij de stukken bevindt zich ook een e-mailbericht van 21 december 2007 van [betrokkene 3] gericht aan [betrokkene 1]. Hierin is onder meer het volgende opgenomen:

“Uit navraag in de organisatie is gebleken dat bij de toetsing van de inschrijvingen ook de controle op het door u genoemde bedrag van 1 miljoen euro heeft plaatsgevonden. Op basis van minimaal een tweetal concrete projecten waarin wij als opdrachtgever zijn opgetreden is voldaan aan dit criterium. Wij zullen ook de heer Bleeker van Rozemond Advocaten hierover informeren. Zij zullen begin volgend jaar e.e.a. op papier van ons ontvangen.”

2.9. Op 21 december 2007 heeft de advocaat van Jacobs onder meer het volgende aan de gemeente, ter attentie van mevrouw [voorletter] [betrokkene 4], bericht:

“Hierbij bevestig ik ons telefoongesprek van zojuist, waarin u instemde met verlenging van de zogenaamde “Alcatel-termijn” tot uiterlijk 11 januari a.s. Dat betekent dat wij heden nog niet tot dagvaarding zullen overgaan, maar de informatie van u over de toetsing van de laagste inschrijver (inclusief de door deze opgevoerde referentiewerken) zullen ontvangen en bestuderen, en op basis daarvan zullen beslissen of van dagvaarding kan worden afgezien.”

2.10. Eveneens op 21 december 2007 heeft de advocaat van Jacobs onder meer het volgende aan de gemeente, wederom ter attentie van mevrouw [voorletter] [betrokkene 4], bericht:

“Voor de goede orde bevestig ik nog even dat u niet meer bent teruggekomen op de toezegging zoals vastgelegd in mijn vorige fax, zodat ik zojuist de deurwaarder heb geïnstrueerd om niet tot dagvaarding over te gaan.

Gaarne ontvang ik zo spoedig mogelijk de stukken waaruit de door u gestelde geschiktheid van de laagste inschrijver zou blijken.”

2.11. Bij brief van 7 januari 2008 heeft de advocaat van Jacobs onder meer het volgende aan de gemeente bericht:

“In verband met uw verlenging van de “Alcatel-termijn” tot 11 januari a.s. ontvang ik gaarne heden de gegevens met betrekking tot uw toetsing van de geschiktheid van de laagste inschrijver (en met name de gegevens over de opgevoerde referentiewerken), bij gebreke waarvan cliënte genoodzaakt is tot dagvaarding over te gaan ten einde te voorkomen dat de termijn verstrijkt.”

2.12. Op 8 januari 2008 heeft [betrokkene 3] namens de gemeente onder meer het volgende aan de advocaat van Jacobs bericht:

“Bij de inschrijving voor het project ‘Rioolvervanging afkoppelen Dierenbuurt te Nijmegen’ heeft de firma Gebr. [ ] alle relevante documenten waarom is verzocht in de zogenaamde ‘eigen verklaring’ meegezonden. Na beoordeling van deze inschrijving zijn wij tot de conclusie gekomen dat de firma [ ] een correcte inschrijving heeft gedaan. Ter illustratie zenden wij u als bijlagen de 2 referentieprojecten mee, waaruit blijkt dat voldaan is aan het gestelde in artikel 3.1.f. uit de ‘eigen verklaring’.

Verder wil ik u erop attenderen dat de mededeling dat de inschrijving als correct is beoordeeld, u op 21 december 2007 telefonisch door mw. [betrokkene 4] is gedaan. Hierbij is opgemerkt dat schriftelijke bevestiging hiervan vóór 11 januari 2008 naar u gezonden wordt. Uit uw faxbericht welke ik 7 januari jl. heb ontvangen, lees ik dat u meent dat de termijn voor het ‘alcatel-arrest’ tot 11 januari is verlengt. Dit is echter niet het geval. Het betreft hier een vaste termijn van 15 dagen welke in acht dient te worden genomen. Dit conform artikel 2.30.1 van het ARW 2005. De termijn voor het aanhangig maken van een civiele procedure is derhalve verstreken.

Op grond van onze positieve beoordeling zoals in het bovenstaande is verwoord, is inmiddels overgegaan tot gunning van het werk aan de firma Gebr. [ ].”

2.13. Bij brief van 9 januari 2008 heeft de heer [betrokkene 5], wethouder van de gemeente Nijmegen, onder meer het volgende aan Gebr. [ ] bericht:

“Namens burgemeester en wethouders verleen ik u opdracht voor het uitvoeren van bestek nr. 2007-41 betreffende rioolvervanging en afkoppelen Dierenbuurt. De opdracht wordt u verleend op basis van uw inschrijving d.d. 04-12-2007, waarin u zich bereid verklaard heeft de werkzaamheden uit te voeren voor een bedrag van € 2.048.700,- zegge: tweemiljoenachtenveertigduizendzevenhonderd Euro, de omzetbelasting niet inbegrepen.”

3. Het geschil

3.1. Jacobs vordert:

primair

dat de gemeente op straffe van een dwangsom wordt gelast de overeenkomst met [ ] op te zeggen op de voet van paragraaf 14 lid 7 UAV 1989 (Uniforme Administratieve Voorwaarden voor de uitvoering van werken 1989), dan wel op grond van artikel 7:764 lid 1 BW;

primair en subsidiair

dat de gemeente op straffe van een dwangsom wordt verboden het onderhavige werk op te dragen aan een derde.

3.2. Jacobs legt het volgende aan haar vordering ten grondslag. De twee door [ ] in haar inschrijving opgevoerde referentiewerken, te weten het WKS-project en het snelfietsroute-project, voldoen niet aan de gestelde geschiktheidseis van artikel 3.1 sub f van de eigen verklaring, omdat er geen sprake is van soortgelijkheid. Volgens vaste rechtspraak van de Raad van Arbitrage voor de Bouw (hierna: RvA) is van soortgelijkheid eerst sprake indien een werk alle hoofdbestandelen van het aanbestede werk bevat. Daarvan is in dit geval volgens Jacobs geen sprake. In beide genoemde referentiewerken keren belangrijke bestanddelen namelijk niet of nauwelijks terug. Bovendien betreft het WKS-project niet één opdracht, maar meerdere opdrachten. Ingevolge vaste rechtspraak van de RvA kan door middel van een optelling van opdrachten niet worden voldaan aan een ervaringseis voor een groter werk. Ten slotte betwist Jacobs dat het snelfietsroute-project de vereiste omvang van € 1.000.000,00 had, omdat dit project voor € 556.000,00 is aanbesteed. Een en ander betekent volgens Jacobs dat de inschrijving van [ ] door de gemeente als ongeldig ter zijde had moeten worden gelegd. De gemeente had de opdracht aan Jacobs, als daaropvolgend laagste inschrijver, moeten gunnen.

3.3. De gemeente heeft deels gemotiveerd verweer gevoerd waarop, voor zover van belang, hierna zal worden ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De gemeente stelt primair dat Jacobs niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat zij de onderhavige procedure te laat aanhangig heeft gemaakt. In haar brief van 12 december 2007 (zie 2.5.) heeft de gemeente Jacobs nadrukkelijk gewezen op het feit dat Jacobs uiterlijk binnen 15 dagen na dagtekening van die brief een civiele (spoed)procedure bij de rechtbank aanhangig dient te maken, indien zij zich niet kan vinden in het gunningsvoornemen van de gemeente. Jacobs is echter eerst op 11 januari 2008 tot dagvaarding overgegaan. Daarmee heeft zij niet voldaan aan de in genoemde brief opgenomen ‘Alcateltermijn’. De gemeente heeft dan ook terecht het werk aan [ ] gegund. Daarnaast betwist de gemeente dat er sprake is geweest van verlenging van de Alcateltermijn, zoals Jacobs betoogt.

4.2. Vaststaat dat Jacobs, nadat de gemeente bij brief van 12 december 2007 haar gunningsvoornemen had kenbaar gemaakt, bij brief van 17 december 2007 de gemeente heeft medegedeeld dat volgens haar [ ] niet voldeed aan de gestelde geschiktheidseis. Zij heeft daarbij ook verzocht om een motivering met betrekking tot die geschiktheidseis. Vervolgens heeft er op 21 december 2007 een e-mailwisseling plaatsgevonden tussen de heer W. [betrokkene 3], hoofd stadswerken van de gemeente, en de heer [betr[betrokkene 1] van Jacobs (zie 2.7. en 2.8.). Weliswaar is in het bericht van [betrokkene 3] geen enkel aanknopingspunt te vinden voor de stelling dat de Alcateltermijn door de gemeente is verlengd, maar daarin wordt wel aangegeven dat de advocaat van Jacobs zal worden geïnformeerd en dat begin 2008 een en ander op papier zal worden toegezonden. Verder staat vast dat mevrouw [voorletter] [betrokkene 4] in opdracht van [betrokkene 3], zoals de gemeente ter zitting zelf heeft aangevoerd, op 21 december 2007 telefonisch contact heeft opgenomen met de advocaat van Jacobs en dat zij heeft aangegeven dat de nadere informatie uiterlijk 11 januari 2008 zal worden verstrekt. De advocaat van Jacobs heeft (de inhoud van) dit telefoongesprek bij faxbericht van 21 december 2007 aan [betrokkene 4] bevestigd, waarbij hij tevens heeft aangegeven dat [betrokkene 4] heeft ingestemd met verlenging van de Alcateltermijn tot uiterlijk 11 januari 2008. Ook heeft hij daarbij aangegeven dat Jacobs in afwachting van de te verstrekken informatie door de gemeente (nog) niet tot dagvaarding zal overgaan. Omdat de gemeente ter zitting heeft bevestigd dat genoemd faxbericht door [betrokkene 4] is ontvangen, was het [betrokkene 4] (en de gemeente) derhalve toen reeds duidelijk dat Jacobs uitsluitend op dat moment van dagvaarding afzag omdat zij ervan uitging dat de gemeente had ingestemd met verlenging van de termijn daartoe, in afwachting van haar nadere, schriftelijke motivering van de geschiktheidseis. Ter zitting heeft de gemeente erkend dat zij niet op genoemd faxbericht van de advocaat van Jacobs heeft gereageerd. Zij heeft evenmin gereageerd op een tweede faxbericht van de advocaat van Jacobs van 21 december 2007 (zie 2.10.), terwijl de gemeente heeft erkend dat ook dit bericht door haar is ontvangen. De inhoud en de opeenvolging van de beide berichten maken aannemelijk de stelling van Jacobs dat in het eerste telefoongesprek van mr. Bleeker met mevrouw [betrokkene 4] verlenging van de termijn is toegezegd, behoudens tegenbericht na raadpleging van superieuren.

4.3. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter moeten de hiervoor geschetste omstandigheden tot de conclusie leiden dat Jacobs er gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat de Alcateltermijn door de gemeente, in de persoon van [betrokkene 4], was verlengd tot uiterlijk 11 januari 2008, althans tot het moment waarop door de gemeente een nadere motivering inzake de geschiktheidseis was verstrekt.

4.4. Dat [betrokkene 4] onbevoegd was om de Alcateltermijn te verlengen, zoals de gemeente heeft betoogd, kan Jacobs niet worden tegengeworpen. Het was [betrokkene 3] die als hoofd stadswerken van de gemeente [betrokkene 4] heeft gevraagd contact op te nemen met de advocaat van Jacobs. [betrokkene 4] is derhalve door de gemeente naar voren geschoven om Jacobs (in de persoon van haar advocaat) te informeren. De advocaat van Jacobs heeft vervolgens tweemaal een faxbericht aan [betrokkene 4] gezonden, waarop geen enkele reactie is gekomen. Voorshands geoordeeld mocht Jacobs er dan ook gerechtvaardigd op vertrouwen dat de verlenging van de Alcateltermijn door [betrokkene 4] met instemming van de gemeente was gedaan. Daarbij komt nog dat de gemeente (de advocaat van) Jacobs op geen enkel moment heeft gewezen op de onbevoegdheid van [betrokkene 4]. De eventuele onjuiste voorstelling bij Jacobs omtrent de bevoegdheid van [betrokkene 4] moet dan ook voor rekening van de gemeente blijven.

4.5. Nu de gemeente op 8 januari 2008 de gevraagde schriftelijke motivering heeft gegeven en Jacobs op 11 januari 2008 tot dagvaarding van de gemeente is overgegaan, kan vooralsnog niet worden geoordeeld dat Jacobs te laat is met het aanhangig maken van deze kort gedingprocedure. Dit betekent dat het beroep van de gemeente op niet-ontvankelijkheid van Jacobs wordt verworpen.

4.6. Het spoedeisend belang vloeit voort uit de stellingen van Jacobs.

4.7. De vraag die vervolgens dient te worden beantwoord is, of [ ] in het kader van de door de gemeente uitgeschreven aanbestedingsprocedure ‘Rioolvervanging en afkoppelen Dierenbuurt te Nijmegen’ een geldige inschrijving heeft gedaan. De vraag spitst zich daarop toe of [ ] heeft voldaan aan de geschiktheidseis van artikel 3.1 sub f van de eigen verklaring. Deze geschiktheidseis luidt: “Kunt u een referentielijst overleggen, tot maximaal 3 jaar voorafgaand aan deze aanbesteding, van 1 soortgelijk civieltechnisch werk met een aanneemsom of gefactureerd bedrag gelijk of groter dan € 1.000.000,- te hebben opgeleverd binnen de gestelde tijdsbepalingen.”

4.8. [ ] heeft in haar inschrijving een tweetal referentiewerken opgevoerd, te weten het WKS-project en het snelfietsroute-project. Jacobs heeft ter zitting gemotiveerd aangegeven dat beide projecten niet zijn te beschouwen als een soortgelijk werk - alle hoofdbestanddelen bevattende van het aanbestede werk - met een omvang van

€ 1.000.000,00. Zij heeft daartoe aan de hand van een in de pleitnota opgenomen staatje de hoofdbestanddelen van het aanbestede werk, zoals opgenomen in de aankondiging van opdracht, d.d. 2 november 2007 (zie 2.1.), vergeleken met de twee door [ ] opgegeven referentiewerken. Volgens Jacobs keren belangrijke bestanddelen van het aanbestede werk niet of nauwelijks terug in die referentiewerken. De gemeente heeft een en ander niet gemotiveerd betwist. Voorshands geoordeeld is daarmee voldoende aannemelijk geworden dat er aanmerkelijke verschillen bestaan tussen het aanbestede werk enerzijds en de twee door [ ] in haar inschrijving opgegeven referentiewerken anderzijds. Dit leidt vooralsnog tot de conclusie dat [ ] niet beschikt over een soortgelijk werk zoals vereist in artikel 3.1 sub f van de eigen verklaring.

4.9. Met betrekking tot het WKS-project heeft nog het volgende te gelden. Jacobs stelt dat dit project niet één opdracht betreft, maar meerdere opdrachten, hetgeen op grond van vaste rechtspraak van de Raad van Arbitrage (RvA) niet is toegestaan. De heer M.H. [betrokkene 2], coördinator van projecten van de afdeling Stadswerken van de gemeente, heeft ter zitting erkend dat het WKS-project in verschillende - ter zitting is komen vast te staan tenminste twee - kavels is aanbesteed. Jacobs heeft aangegeven dat het daarbij ging om bedragen van € 277.500,00 en € 376.000,00. Ook heeft zij aangegeven dat er op verschillende momenten is aanbesteed, te weten op 1 juni 2005 en op 15 juni 2005 en dat er sprake was van verschillende besteknummers (53-01 en 53-03). De gemeente heeft een en ander niet weersproken. Aangenomen moet worden dat het niet is toegestaan om door middel van een optelling van opdrachten te voldoen aan een ervaringseis voor een groter werk. Zie bijvoorbeeld RvA 7 juni 2002, Bouwrecht 2004, blz. 346 e.v., waarin onder meer werd overwogen: “Van het werk N. constateerden partijen ter zitting dat het over drie afzonderlijke werken gaat. Deze werken zijn immers uitgevoerd op basis van drie afzonderlijke bestekken, die ook afzonderlijk zijn opgedragen, uitgevoerd, opgeleverd en afgerekend. Onder die omstandigheden zijn arbiters van oordeel dat de werken wat hun omschrijving en omvang betreft niet bij elkaar gevoegd kunnen worden teneinde te voldoen aan de vereisten van het ene gevraagde referentiewerk.”

Het voorgaande betekent dat het WKS-project ook in zoverre niet voldoet aan de gestelde geschiktheidseis.

4.10. Met betrekking tot het snelfietsroute-project wordt nog het volgende overwogen. Jacobs betwist dat dit project de vereiste omvang heeft, nu het voor een bedrag van

€ 556.000,00 is aanbesteed. Daarmee is het uiterst onwaarschijnlijk dat met dit project een waarde van € 1.000.000,00 is gemoeid. Dat er voor een aanmerkelijk lager bedrag dan

€ 1.000.000,00 is aanbesteed, weet Jacobs uit eigen informatie, omdat zij voor dit project zelf ook een inschrijving heeft gedaan (voor iets meer dan € 600.000,00). Bovendien blijkt uit de door haar gemaakte en ter zitting getoonde aantekeningen van de opening van de inschrijvingsbiletten van die aanbestedingsprocedure dat met de laagste inschrijving een bedrag van € 556.000,00 was gemoeid. Daartegenover staat slechts de mededeling van de gemeente dat het bij het snelfietsroute-project ging om een bedrag van circa € 1.000.000,00. Dit blijkt ook uit een ‘opdrachtgever tevredenheidsverklaring’ die door [betrokkene 3] namens de gemeente is afgegeven aan [ ]: “de kosten bedroegen ca. € 1.0 miljoen excl. BTW.” De gemeente heeft in het licht van de hier weergegeven, gemotiveerde stellingen van Jacobs niet voldoende aannemelijk gemaakt hoe de woorden ‘circa € 1.0 miljoen’ moeten worden geduid. Evenmin heeft de gemeente een afdoende verklaring kunnen geven voor het aanzienlijke verschil tussen beide bedragen. Al hetgeen zij op dit punt ter zitting als verklaring heeft aangevoerd, bleek betrekking te hebben op een ander project, zoals de gemeente ter zitting later heeft erkend. Dit betekent vooralsnog dat ook het snelfietsroute-project niet voldoet aan de gestelde geschiktheidseis.

4.11. Een en ander leidt tot de conclusie dat in dit kort geding niet duidelijk is geworden dat [ ] heeft voldaan aan de geschiktheidseis van artikel 3.1 sub f van de eigen verklaring. De gemeente had de inschrijving van [ ] als ongeldig dienen te ecarteren. Nu zij dit niet heeft gedaan, heeft zij vervolgens ook ten onrechte het besluit genomen het werk aan [ ] te gunnen. Ter uitvoering daarvan heeft de gemeente bovendien te snel - want in strijd met de op dat moment nog niet verstreken Alcateltermijn - een overeenkomst gesloten met [ ]. Dit leidt ertoe dat de vorderingen van Jacobs voor toewijzing gereed liggen. Ingevolge artikel 7:764 lid 1 BW is de opdrachtgever te allen tijde bevoegd de overeenkomst geheel of gedeeltelijk op te zeggen. Met inachtneming van het voorgaande zal de gemeente dan ook worden gelast de overeenkomst met [ ] op te zeggen. Bovendien wordt het de gemeente verboden het onderhavige werk op te dragen aan een derde.

4.12. Bij de toe te wijzen vorderingen zal aan de gemeente een dwangsom worden opgelegd in voege zoals hierna aan te geven, welke dwangsom ten aanzien van het op te leggen gebod zal worden gemaximeerd.

4.13. Als de in het ongelijk gestelde partij zal de gemeente in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Jacobs worden begroot op:

- vast recht € 254,00

- kosten dagvaarding € 71,80

- salaris advocaat € 816,00

Totaal € 1.141,80

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1. gebiedt de gemeente om binnen zeven (7) dagen na betekening van dit vonnis de overeenkomst met [ ] op te zeggen;

5.2. veroordeelt de gemeente om, ingeval zij na betekening van dit vonnis het voorgaande gebod niet opvolgt, aan Jacobs een dwangsom te betalen van € 25.000,00 per dag, een deel van een dag daaronder begrepen, echter met een maximum van € 500.000,00;

5.3. verbiedt de gemeente het onderhavige werk op te dragen aan een derde;

5.4. veroordeelt de gemeente om, ingeval het onder 5.3. weergegeven verbod wordt

overtreden, aan Jacobs een eenmalige direct opeisbare dwangsom te betalen van

€ 500.000,00;

5.5. veroordeelt de gemeente in de proceskosten, aan de zijde van Jacobs tot op heden begroot op € 1.141,80;

5.6. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.7. weigert het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.B. Boonekamp en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. van Gameren op 15 februari 2008.