Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BC5048

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
13-02-2008
Datum publicatie
25-02-2008
Zaaknummer
148239
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het gaat in de onderhavige procedure om de vraag of de gemeente Arnhem en de regiogemeenten onrechtmatig jegens de werknemers van de stichtingen RSWS en TAAK hebben gehandeld en om de daarmee samenhangende vraag of de werknemers van de beide stichtingen als gevolg daarvan schade hebben geleden.

AbvaKabo heeft onvoldoende getracht het gevorderde door het voeren van overleg met de regiogemeenten te bereiken, zodat zij in haar vordering jegens de regiogemeenten niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Het enkele feit dat de Gemeente tekort geschoten is in verplichtingen jegens RSWS brengt niet met zich dat de Gemeente aldus onrechtmatig heeft gehandeld jegens de werknemers.

Het had op de weg van AbvaKabo gelegen bijkomende (bijzondere) feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen op grond waarvan zij meent dat de Gemeente behalve jegens RSWS ook jegens de individuele werknemers van RSWS onzorgvuldig heeft gehandeld. Dat heeft AbvaKabo niet gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2008, 161
AR-Updates.nl 2008-0139
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 148239 / HA ZA 06-2048

Vonnis van 13 februari 2008

in de zaak van

de vereniging

ABVAKABO,

aangesloten bij de FNV,

gevestigd te Zoetermeer,

eiseres,

procureur mr. P.A.C. de Vries,

advocaat mr. D.C. Coppens te Zoetermeer,

tegen

1. de openbare rechtspersoon

GEMEENTE ARNHEM,

zetelend te Arnhem,

gedaagde,

advocaat en procureur mr. L. Paulus te Arnhem

2. de openbare rechtspersoon

GEMEENTE RENKUM,

zetelend te Oosterbeek,

3. de openbare rechtspersoon

GEMEENTE RHEDEN,

zetelend te De Steeg,

4. de openbare rechtspersoon

GEMEENTE DOESBURG,

zetelend te Doesburg,

5. de openbare rechtspersoon

GEMEENTE LINGEWAARD,

zetelend te Bemmel,

6. de openbare rechtspersoon

GEMEENTE OVERBETUWE,

zetelend te Elst,

gedaagden,

procureur voor de gedaagden 2 t/m 6 mr. F.J. Boom,

advocaat voor de gedaagden 2 t/m 6 mr. F.A.M. Knüppe,

beiden te Arnhem.

Eiseres en gedaagde sub 1 zullen hierna AbvaKabo en de gemeente Arnhem genoemd worden. De overige gedaagden zullen worden aangeduid als de regiogemeenten.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding,

- de conclusie van antwoord van de gemeente Arnhem,

- de conclusie van antwoord van de regiogemeenten,

- de conclusie van repliek jegens de gemeente Arnhem,

- de conclusie van repliek jegens de regiogemeenten,

- de conclusie van dupliek van de gemeente Arnhem,

- de conclusie van dupliek van de regiogemeenten.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De vaststaande feiten

1.1. AbvaKabo is een werknemersvereniging die als statutaire en maatschappelijke taak heeft op te komen voor de belangen van werknemers. In deze procedure komt AbvaKabo op voor de belangen van werknemers die in dienst zijn geweest van de Regionale Stichting Werk en Scholing (hierna de stichting RSWS) en de stichting TAAK.

1.2. De stichting TAAK is op 2 oktober 1981 opgericht. Zij heeft blijkens artikel 2 van haar, op 18 juli 1996 gewijzigde, statuten als doel:

“de kansen op de arbeidsmarkt te vergroten van personen die woonachtig zijn in Arnhem en omstreken en geen betaald werk hebben, alles in de ruimste zin des woords”.

1.3. In 1991 is in werking getreden de Jeugdwerkgarantiewet. Doel daarvan was, kort weergegeven, langdurige werkloosheid onder jongeren te voorkomen. In artikel 3 van deze toentertijd geldende wet - die per 1 januari 1998 is vervangen door de Wet Inschakeling Werkzoekenden - is bepaald:

“1. Elke gemeente richt een Jeugdwerkgarantieorganisatie op en is verantwoordelijk voor het functioneren van deze organisatie overeenkomstig hetgeen bij en krachtens deze wet is bepaald.

2. De Jeugdwerkorganisatie wordt opgericht als een stichting naar burgerlijk recht.

3. Een lid van het gemeentebestuur is voorzitter van het bestuur van de Jeugdwerkorganisatie”.

1.4. Met het oog hierop heeft de gemeente Arnhem op 9 januari 1991 de stichting RSWS (toen genaamd de stichting Werk en Scholing) opgericht. De stichting heeft blijkens artikel 3 van haar statuten als doel:

“- het bieden van betaald werk aan (zeer) moeilijk bemiddelbare en/of jeugdige werkloze werkzoekenden;

- het bevorderen van werkervaring, vorming en scholing ter versterking van de positie van (langdurig) werklozen op de arbeidsmarkt;

- de doorstroming naar reguliere arbeid te bevorderen.

Het werkgebied van de stichting omvat de gemeenten in de Regio Arnhem”.

1.5. In artikel 6 van de statuten is onder meer neergelegd dat het bestuur van de stichting wordt benoemd door het College van B&W van de gemeente Arnhem en dat het bestuur zal bestaan uit twee wethouders van de gemeente Arnhem (waarvan één als voorzitter zal fungeren), de directeur van de Dienst Sociale Zaken en Arbeid van de gemeente Arnhem en twee overige leden, die afkomstig zijn uit de regiogemeenten die betrokken zijn bij de werkzaamheden van de stichting.

1.6. In de periode 1991-1993 hebben de regiogemeenten besloten voor de uitvoering van de Jeugdwerkgarantiewet (rechtstreeks) gebruik te maken van de stichting RSWS en daarin bestuurlijk te gaan participeren. De “instapmomenten” van de betrokken regiogemeenten waren verschillend.

1.7. In de beginperiode werd de werkorganisatie van de stichting RSWS gevormd door ambtenaren van de gemeente Arnhem, die bij de stichting werden gedetacheerd. Mede omdat detachering van ambtenaren met behoud van status wettelijk slechts voor een beperkte periode (maximaal twee jaar) mogelijk is en om de continuïteit binnen de organisatie van de stichting RSWS te waarborgen, is onderzoek gedaan naar de mogelijkheid de gedetacheerde ambtenaren met behoud van hun rechtspositie naar de stichting RSWS te laten overgaan.

1.8. De oplossing is gevonden in het aanvragen van een zogenoemde B3-status. Het betreft hier een in artikel B3 van de destijds geldende Algemeen Burgerlijke Pensioenwet (ABP) neergelegde mogelijkheid een rechtspersoon aan te wijzen als een lichaam waarvan het personeel geheel of ten dele ambtenaar in de zin van de ABP is. Het desbetreffende (inmiddels vervallen) artikel luidde:

“1. Mede is ambtenaar in de zin van deze wet hij die in dienst is van een privaatrechtelijk lichaam dat het bestuur, op grond van doelstelling en financiële verhouding tot een of meer publiekrechtelijke lichamen, heeft aangewezen als lichaam waarvan het personeel geheel of ten dele ambtenaar is in de zin van deze wet.

2. Het bestuur stelt regels met betrekking tot de toepassing van het eerste lid. De vaststelling en de wijziging van deze regels behoeven de goedkeuring van Onze Minister en worden bekend gemaakt in de Nederlandse Staatscourant.

3. Het bestuur kan aan een aanwijzing voorwaarden verbinden”.

1.9. Het op basis van artikel B3 lid 2 ABP gepubliceerde Besluit bepaalt onder meer dat de bedoelde toepassing wordt gegeven als de instelling “in een zodanig financiële verhouding staat tot de overheid dat gewaarborgd is dat de uitgaven van de instelling - voor zover niet gedekt door inkomsten uit de opbrengsten van goederen en diensten, rente etcetera - jaarlijks in overwegende mate worden gefinancierd door het (de) subsidiërende publiekrechtelijk(e) licha(a)m(en), dan wel dat de financiële verhouding met dat (die) licha(a)m(en) op overeenkomstige wijze is aangegaan”. Bij de beoordeling of de instelling daaraan voldoet worden onder meer in aanmerking genomen “verklaringen van het (de) subsidiërende publiekrechtelijk(e) licha(a)m(en)”. Verder is in het Besluit neergelegd dat aan voormeld artikel B3, derde lid, toepassing kan worden gegeven “door middel van aanwijzing van een publiekrechtelijk lichaam dat medeaansprakelijk is voor de betaling van de door de instelling krachtens hoofdstuk C en artikel N1 van de Algemeen Burgerlijke Pensioenwet verschuldigde bedragen”.

1.10. Met het oog hierop en de verkrijging van de B3-status heeft het College van B&W van de gemeente Arnhem op 25 juni 1993 aan het ministerie van binnenlandse zaken geschreven:

“In verband met de aanvraag voor een B3-status voor de Stichting Werk & Scholing te Arnhem en ter voldoening aan de bepalingen van de ABP-wet verklaren wij het volgende:

a. Burgemeester en wethouders van Arnhem verklaren mede namens de andere deelnemende gemeenten dat de gemeenten garant staan voor dekking van het gehele jaarlijkse exploitatietekort van de stichting Werk en Scholing te Arnhem;

b. tevens verklaren wij dat wij er mede instemmen dat de gemeente Arnhem en de andere deelnemende gemeenten worden aangewezen als mede aansprakelijk publiekrechtelijk lichaam voor de betaling van de door de stichting Werk & Scholing krachtens hoofdstuk C en artikel N1 van de ABP-wet verschuldigde bedragen”.

1.11. Bij besluit van de minister van binnenlandse zaken van 15 september 1993 heeft de stichting RSWS de B3 status verkregen, zulks met ingang van 1 oktober 1993.

1.12. Mede met het oog op de verkrijging van de B3 status zijn de statuten van stichting RSWS op 10 juni 1993 gewijzigd. Artikel 19 van die statuten, onder het hoofdstuk “ONTBINDING EN VEREFFENING” is komen te luiden:

“1. Het algemeen bestuur is bevoegd de stichting te ontbinden (...)

2. De stichting blijft bij haar ontbinding voortbestaan, voor zover zulks tot vereffening van haar vermogen nodig is.

3. De vereffening geschiedt door het dagelijks bestuur (...)

6. Een eventueel batig of nadelig saldo van de ontbonden stichting wordt naar rato van de verstrekte bijdragen uitgekeerd casu quo moet worden voldaan door de gemeenten, die ten tijde van de ontbinding gebruik maakten van het volledig dienstenpakket van de stichting”.

1.13. Voor de statutenwijziging is toestemming verleend door het college van B en W van de gemeente Arnhem en door de Commissie voor Arbeidsvoorzieningenaangelegenheden van de Regio Arnhem.

1.14. De in de beginperiode bij de stichting RSWS gedetacheerde ambtenaren gingen aldus over naar de stichting RSWS en zijn, als “B3-ers”, nadien ook ambtenaar gebleven. Nieuwe personeelsleden werden, mede vanuit bedrijfseconomisch oogpunt (het aanstellen van B3-ambtenaren binnen de stichting RSWS was te duur) in beginsel aangenomen op basis van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht. Zij kwamen niet in dienst bij de stichting RSWS, maar bij de stichting TAAK, waarmee de stichting RSWS in 1996 een hechte organisatorische samenwerking (bestuurlijke fusie) is aangegaan. De werknemers van de stichting TAAK vielen onder de CAO Welzijn.

1.15. Het bestuur van de stichting TAAK werd na de hiervoor bedoelde bestuurlijke fusie in 1996 gevormd door het dagelijks bestuur van de stichting RSWS. In 1999 zijn de activa en passiva van de stichting TAAK overgedragen aan de stichting RSWS. De personeelskosten van de stichting TAAK werden meegenomen in de exploitatie van de stichting RSWS in die zin, dat laatstgenoemde stichting de personeelskosten van de stichting TAAK integraal voldeed door de stichting TAAK daarvoor gelden ter beschikking te stellen.

1.16. Met ingang van 1 januari 2002 is de wet Structuur Uitvoering Werk en Inkomen (SUWI) in werking getreden. Op grond van die wet zijn gemeenten verplicht private activiteiten op het terrein van werkgelegenheid op de private markt aan te besteden. De gemeente Arnhem en de stichting RSWS hebben daarover overleg gevoerd. Op 20 december 2001 heeft de gemeente Arnhem met de stichting RSWS een overeenkomst gesloten op grond waarvan de Gemeente gedurende maximaal drie jaar diensten van de stichting zou afnemen.

1.17. De stichting RSWS maakte aanvankelijk winst, maar in 1999 en vanaf 2001 niet meer. Het totale verlies bedroeg over 2002 € 900.000,-- en over 2003 € 1.350.000,--. Over 2004 was het verlies geprognosticeerd op € 3.600.000,--. In verband met de financiële problemen zijn door de beide stichtingen met de vakbonden (AbvaKabo/FNV) sociale plannen opgesteld, laatstelijk op 28 mei 2003.

1.18. Eind 2003 heeft de stichting RSWS de gemeente Arnhem en de regiogemeenten geïnformeerd over de financiële problematiek en verzocht aan te geven of zij willen bijdragen in de ontlasting daarvan. Bij brief van 11 november 2003 heeft de gemeente Arnhem negatief beslist op dat verzoek. Zij heeft onder meer geschreven:

“Tot slot nog een opmerking over de brief van de gemeente Arnhem van 25 juni 1993 (...). Het is de gemeente bekend dat de vakbonden menen dat op basis van deze brief alle tekorten van de stichting op de gemeente Arnhem en de overige betrokken gemeenten afgewenteld zouden kunnen worden.

Dit standpunt is niet juist.

De ratio van verzending van de betreffende brief is gelegen in het feit dat het Ministerie en het ABP hun eventuele financiële risico’s gedekt willen zien, voor zover deze samenhangen met het verkrijgen van de B3-status door de stichting. Zo er al sprake is van een door de gemeente Arnhem gegeven garantie, gaat daarvan geen derdenwerking uit, in die zin dat de stichting of haar werknemers daar een beroep op zouden kunnen doen.

Wellicht ten overvloede zij daarom vermeld dat ook de brief van 25 juni 1993 de gemeente Arnhem geen aanleiding geeft alsnog bij te dragen in tekorten van de stichting”.

1.19. Bij beschikking van deze rechtbank van 8 december 2003 is aan de stichtingen RSWS en TAAK surséance van betaling verleend, met benoeming van mr. J.A.M.P. Keijser tot bewindvoerder.

1.20. Diezelfde dag heeft AbvaKabo de gemeente Arnhem in kort geding gedagvaard. Zij heeft gevorderd de Gemeente te veroordelen financiële middelen aan de beide stichtingen te verschaffen zodat deze stichtingen aan hun financiële verplichtingen kunnen voldoen.

Bij vonnis van 19 december 2003 heeft de voorzieningenrechter bij deze rechtbank de vordering afgewezen, onder meer omdat AbvaKabo (die optrad namens de werknemers van de stichtingen) geen eigen rechten kon ontlenen aan de (hiervoor onder 1.10. bedoelde) brief van de gemeente Arnhem van 25 juni 1993.

1.21. Nadien hebben de stichtingen RSWS en TAAK en mr. Keijser voornoemd in zijn hoedanigheid van bewindvoerder van deze stichtingen de gemeente Arnhem in kort geding gedagvaard. Zij hebben, op grond van de door de gemeente Arnhem in haar eerder genoemde brief van 25 juni 1993 gegeven garantie, onder meer gevorderd de Gemeente te veroordelen tot het verschaffen van financiële middelen aan de beide stichtingen in de vorm van het ter beschikking stellen van een bedrag van € 4.833.000,--, om deze stichtingen in staat te stellen op gepaste wijze bestaande bevoorrechte, lopende en nog aan te gane schulden en verplichtingen, voor zover met goedvinden van de bewindvoerder c.q. curator na de datum van surséance respectievelijk faillissement aangegaan, te voldoen. Bij vonnis van 28 januari 2004 heeft de voorzieningenrechter bij deze rechtbank de vordering toegewezen tot een bedrag van € 3.383.100,--. De gemeente Arnhem heeft aan dat vonnis voldaan.

1.22. Bij beschikking van deze rechtbank van 16 februari 2004 zijn de beide stichtingen in staat van faillissement verklaard, met aanstelling van mr. Keijser voornoemd tot curator.

Daartegen is AbvaKabo bij verzoekschrift in verzet gekomen, welk verzet bij vonnis van deze rechtbank van 3 maart 2004 ongegrond is verklaard. Het daartegen door AbvaKabo ingestelde hoger beroep heeft zij nadien ingetrokken.

Het geschil

2. AbvaKabo heeft gevorderd te verklaren voor recht dat de gemeente Arnhem en de regiogemeenten onrechtmatig jegens de werknemers van de stichtingen RSWS en TAAK hebben gehandeld. Verder heeft zij gevorderd zowel de gemeente Arnhem als de regiogemeenten hoofdelijk te veroordelen aan haar te betalen een bedrag van € 2.000,--wegens buitengerechtelijke kosten, alsmede hen te veroordelen in de kosten van de procedure.

AbvaKabo heeft aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat de gemeenten op grond van de in de brief van 25 juni 1993 gegeven garantie het exploitatietekort van de stichting RSWS hadden moeten aanzuiveren en voorts dat zij op grond van artikel 19 lid 6 van de statuten van de stichting RSWS in geval van ontbinding alle schulden hadden moeten voldoen. De “verkeerde” uitleg die de gemeenten aan de garantieverklaring en genoemd artikel van de statuten hebben gegeven, inhoudende dat zij daartoe niet waren gehouden, heeft het faillissement van de beide stichtingen veroorzaakt. Van de gemeenten werd, aldus AbvaKabo, niet verlangd de noodlijdende stichtingen in ongewijzigde vorm te laten voortbestaan, maar zij hadden moeten besluiten tot sanering of tot beëindiging van de activiteiten van de stichtingen. In dat geval hadden de gemeenten de lopende schulden van de stichtingen moeten voldoen en in moeten staan voor de uit de CAO of artikel 7:662 BW voortvloeiende rechten voor de (oud) werknemers, dan wel hadden zij de belangen van de werknemers moeten behartigen in een sociaal plan. De gemeenten hebben evenwel bewust gekozen voor een “aanzienlijk goedkoper” faillissement. Als gevolg van het faillissement althans als gevolg van het feit dat de gemeenten de garantiebepaling naast zich neer hebben gelegd, hebben de werknemers van de stichtingen schade geleden. Daardoor kon de in de CAO Welzijn neergelegde wachtgeldregeling niet (meer) worden toegepast. Verder zijn door het faillissement de bepalingen rond de overgang van de onderneming (artikelen 7:662 BW e.v.) ontweken.

3. De gemeente Arnhem en de regiogemeenten hebben het gevorderde gemotiveerd weersproken op gronden die hierna aan de orde zullen komen.

De beoordeling van het geschil

De vordering tegen de regiogemeenten

4. De regiogemeenten hebben allereerst opgeworpen dat AbvaKabo niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering jegens hen, omdat niet is voldaan aan het in artikel 3:305a lid 2 BW bedoelde vereiste van overleg.

5. Het gaat in de onderhavige procedure om de vraag of de gemeente Arnhem en de regiogemeenten onrechtmatig jegens de werknemers van de stichtingen RSWS en TAAK hebben gehandeld op gronden zoals die hiervoor onder 2 zijn weergegeven en om de daarmee samenhangende vraag of de werknemers van de beide stichtingen als gevolg daarvan schade hebben geleden.

De regiogemeenten hebben aangevoerd dat dit nimmer onderwerp van gesprek is geweest tussen AbvaKabo en (vertegenwoordigers van) de regiogemeenten.

AbvaKabo heeft daartegenover gesteld dat “overleg met betrekking tot hetgeen thans wordt gevorderd (...) in het verleden niet tot enig resultaat (heeft) geleid”. Zij heeft dat nader geconcretiseerd door aan te voeren dat “de gemeenten (zich) immers altijd op het standpunt hebben gesteld dat zij niet gehouden waren om op grond van de garantiebepaling d.d. 25 juni 1993 de tekorten van RSWS en TAAK aan te vullen” en dat “daarover (...) in het verleden uitvoerig overleg (werd) gepleegd”.

Als over dat laatste al overleg is gevoerd met de regiogemeenten - zij hebben ook dat betwist - dan nog betekent dat niet dat de regiogemeenten, toen de stichtingen eenmaal failliet waren gegaan, niet zouden hebben willen ingaan op door de AbvaKabo naar voren te brengen argumenten met betrekking tot de mogelijk door de werknemers van de stichtingen als gevolg van dat faillissement geleden/te lijden schade. Die mogelijk door AbvaKabo (andere dan vóór het faillissement ) aan te dragen argumenten waren bij de regiogemeenten immers niet bekend. AbvaKabo kon dus ook niet weten of overleg met de regiogemeenten na het faillissement zinloos was. De conclusie is dat de AbvaKabo onvoldoende heeft getracht het gevorderde door het voeren van overleg met de regiogemeenten te bereiken, zodat zij niet-ontvankelijk moet worden verklaard. AbvaKabo heeft nog wel aangevoerd dat het bestuur van de stichting RSWS werd gevormd door afgezanten van de afzonderlijke regiogemeenten, zodat zij daarom wel op de hoogte moeten zijn geweest van hetgeen werd besproken, maar dat is onvoldoende om aan het in artikel 3:305a lid 2 BW neergelegde (strenge) vereiste van overleg voorbij te gaan. Dat vereiste brengt ook mee dat enkel overleg met de gemeente Arnhem niet kan worden uitgelegd als overleg met de regiogemeenten.

De vordering tegen de gemeente Arnhem

6. Ten tijde van het faillissement waren bij de stichting RSWS ongeveer twintig personen werkzaam, allen zogenoemde B3-ers. Na hun ontslag zijn deze werknemers teruggegaan naar de Gemeente waar zij aanvankelijk hadden gewerkt, en waar zij een (in eerste instantie tijdelijke) aanstelling hebben gekregen. Voor zover de vordering van AbvaKabo ziet op deze werknemers van RSWS geldt het volgende.

7. De rechtbank laat in het midden of de Gemeente met haar brief van 25 juni 1993 aan het ministerie van binnenlandse zaken jegens de stichting RSWS een rechtens bindende toezegging heeft gedaan en of zij die toezegging niet is nagekomen, wat de Gemeente gemotiveerd heeft betwist. Er veronderstellenderwijs van uitgaande dat dat zo is, alsmede dat de Gemeente daarmee jegens de stichting RSWS onrechtmatig heeft gehandeld danwel jegens haar toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van enigerlei verplichting, overweegt de rechtbank het volgende.

8. Vooropgesteld moet worden dat AbvaKabo met de door haar ingestelde vordering opkomt voor de belangen van (ex)werknemers van RSWS en Taak. Aan die vordering ligt ten grondslag de gedachte dat de Gemeente onrechtmatig heeft gehandeld jegens de individuele werknemers door verplichtingen jegens RSWS voortvloeiend uit de brief van 25 juni 1993 en artikel 19 lid 6 van de Statuten niet na te komen. Het enkele feit dat de Gemeente tekort geschoten is in verplichtingen jegens RSWS brengt niet met zich dat de Gemeente aldus onrechtmatig heeft gehandeld jegens de werknemers. RSWS is een rechtspersoon die drager is van rechten en verplichtingen en die als zodanig rechten jegens de Gemeente kan ontlenen aan datgene waartoe de Gemeente zich jegens haar heeft verplicht. De werknemers in dienst van zodanige rechtspersoon kunnen daaraan in beginsel geen eigen recht ontlenen jegens de Gemeente. Voor zover het handelen van de Gemeente jegens RSWS onrechtmatig is wegens strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, gaat het om zorgvuldigheid die in een bepaalde verhouding tegenover een of meer anderen, zoals hier RSWS, moet worden betracht. Maar zodanige norm is naar haar aard niet een norm die strekt tot bescherming van de belangen van allen, zoals hier de werknemers, die schade kunnen lijden als gevolg van het feit dat de vereiste zorgvuldigheid jegens die anderen, hier RSWS, niet in acht is genomen (vgl. HR 2 december 1994 NJ 1995,288). Het tekortschieten of onzorgvuldig handelen jegens RSWS kan mede een factor zijn voor het oordeel dat onrechtmatig is gehandeld jegens werknemers, maar daarvoor zullen bijzondere, bijkomende omstandigheden nodig zijn die tot dat oordeel kunnen leiden. Gelet op dit een en ander had het op de weg van AbvaKabo gelegen bijkomende (bijzondere) feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen op grond waarvan zij meent dat de Gemeente behalve jegens RSWS ook jegens de individuele werknemers van RSWS onzorgvuldig heeft gehandeld. Dat heeft AbvaKabo niet gedaan. Zij heeft, zo volgt uit de hiervoor onder 2 weergegeven stellingen, slechts gesteld dat als gevolg van de verkeerde uitleg door de Gemeente van de garantieregeling een faillissement van de stichting onontkoombaar is geworden en daaraan de conclusie verbonden dat “wanneer dit standpunt (...) onjuist is, (...) gedaagden het risico (lopen) dat ze onrechtmatig handelen in de zin van artikel 6:162 BW”. Dat is, gegeven de hiervoor vermelde uitgangspunten, onvoldoende om aan te nemen dat de Gemeente jegens de individuele werknemers van de RSWS onzorgvuldig heeft gehandeld. Voor het overige heeft AbvaKabo geen feiten en omstandigheden gesteld die, indien bewezen, tot een ander oordeel zouden kunnen leiden. Voor een bewijsopdracht is daarom geen plaats.

9. Bij het voorgaande komt nog het volgende. Met de twintig werknemers van de stichting RSWS is na het faillissement, in april 2004, een regeling getroffen. De tekst daarvan luidt:

“De ondergetekende

(naam werknemer; de rechtbank)

(voorheen) werkzaam bij de Stichting Werk en Scholing te Arnhem

verklaart hierbij het voorstel van de curator d.d. 24 maart 2004 te aanvaarden voor zover dit betrekking heeft op de werknemers met de B3-status, meer in het bijzonder hetgeen is vermeld in de

bijlage 1, maar dan de op 31 maart 2004 aangepaste versie, die aan deze verklaring wordt gehecht ”, en verklaart zowel jegens de stichting Werk en Scholing/Stichting TAAK te Arnhem als jegens de gemeente Arnhem en de andere betrokken regio-gemeenten finale kwijting te verlenen. Deze kwijting heeft niet betrekking op hetgeen ondergetekende (eventueel) te vorderen heeft over de periode vóór de datum waartegen de arbeidsovereenkomst door de curator is opgezegd en evenmin op de aanspraken die ondergetekende aan de in bijlage 1 geformuleerde regeling kan ontlenen.

Arnhem ... april 2004”.

10. De Gemeente heeft gesteld dat de door iedere werknemer aan haar verleende finale kwijting betrekking heeft op de (schade)vergoeding als gevolg van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst van de desbetreffende werknemer met de stichting RSWS. AbvaKabo heeft dat niet weersproken, zodat van de juistheid daarvan moet worden uitgegaan. Aangenomen moet worden dat de werknemers door het ondertekenen van deze verklaring afstand hebben gedaan van hun recht op bovenbedoelde schadevergoeding, ook voor zover die het gevolg zou zijn geweest van het niet voldoen door de Gemeente aan de in de brief van 25 juni 1993 gedane toezegging. AbvaKabo heeft slechts aangevoerd dat een beroep door de Gemeente op de finale kwijting geen stand kan houden omdat de overeenkomst onder “zware druk van de curator en de gemeente Arnhem” tot stand is gekomen. Voor zover AbvaKabo daarmee heeft bedoeld dat sprake is van misbruik van omstandigheden gaat dat niet op. Hetgeen zij heeft aangevoerd - te weten dat de werknemers enkel de keuze hadden tussen de opties ondertekenen of niet - is daarvoor onvoldoende. De conclusie is dat deze werknemers geen belang meer hebben bij een verklaring voor recht als door AbvaKabo gevraagd en dat AbvaKabo dat belang daarbij evenmin heeft

11. Hetgeen hiervoor onder 7 en 8 is overwogen geldt a fortiori voor de - ten tijde van het faillissement tachtig - werknemers die in dienst waren bij de stichting TAAK. Vast staat immers dat de Gemeente de in 1993 gedane toezegging enkel heeft gedaan ten behoeve van de stichting RSWS en wel, zoals overwogen, in het kader van de aanvraag van de B3-status. Dat laatste volgt ook uit de tekst van de brief van 25 juni 1993 waarin de toezegging is neergelegd. Dat betekent dat, ook al zou de Gemeente méér hebben toegezegd dan voor de verkrijging van de B3-status wettelijk was vereist, de toezegging in dat kader moet worden bezien en redelijkerwijs slechts betrekking kon hebben op een stichting met een B3-status en het bij haar in dienst zijnde personeel met een ambtelijke status. De omstandigheid dat de stichting TAAK in 1996 (drie jaar na de toezegging) bij de stichting RSWS is aangehaakt en dat tussen die beide stichtingen nadien een onderlinge verwevenheid is ontstaan, maakt dat niet anders. De bestuurlijke fusie tussen de beide stichtingen was immers juist aangegaan om te bewerkstelligen dat nieuw aan te nemen personeel in dienst zou komen van de stichting TAAK om te voorkomen dat zij de ambtelijke (B3) status zouden verkrijgen. Voor de werknemers van de stichting TAAK geldt dan ook temeer dat zonder concrete onderbouwing met feiten en omstandigheden niet valt in te zien dat de Gemeente jegens hen onrechtmatig zou hebben gehandeld. De omstandigheid dat een exploitatietekort van de stichting RSWS “automatisch” zou leiden tot een tekort bij de stichting TAAK kan niet tot een ander oordeel leiden. Dat betekent alleen dat de stichting TAAK en haar werknemers mede voordeel hadden kunnen hebben van een door de Gemeente jegens de stichting RSWS gedane toezegging, maar niet dat zij aan die toezegging ook een eigen recht konden ontlenen.

12.AbvaKabo heeft ten slotte nog aangevoerd dat het bestuur van de stichtingen in 2003 een voorstel tot inkrimping van de ondernemingsraad naast zich heeft neergelegd en dat het bestuur te lang met het nemen van maatregelen heeft gewacht. Voor zover zij daarmee heeft bedoeld te stellen dat de bestuurders van de stichtingen RSWS en TAAK wanbeleid hebben gevoerd waardoor het kon gebeuren dat de stichtingen failliet gingen, en de gemeente Arnhem daarvoor op de voet van art. 6:170 BW aansprakelijk is, gaat dat niet op reeds omdat AbvaKabo dat onvoldoende heeft geconcretiseerd en te weinig op dat punt heeft gesteld.

13. De slotsom is dat de vordering van AbvaKabo jegens de gemeente Arnhem moet worden afgewezen. Hetgeen hiervoor is overwogen en beslist ten aanzien van het vermeende onrechtmatig handelen van de gemeente Arnhem geldt overigens net zo zeer voor het handelen van de regiogemeenten, zou de vordering van AbvaKabo jegens hen ontvankelijk zijn en al aangenomen dat zij op de hoogte waren van de in 1993 gedane toezegging.

14. Als de in het ongelijk gestelde partij zal AbvaKabo de kosten van de procedure moeten dragen.

De beslissing

De rechtbank

verklaart AbvaKabo niet-ontvankelijk in haar vordering jegens de regiogemeenten,

wijst de vordering van AbvaKabo tegen de gemeente Arnhem af,

veroordeelt AbvaKabo in de kosten van de procedure, aan de zijde van de regiogemeenten tot op heden begroot op € 248,-- wegens vast recht en op € 904,-- voor salaris van de procureur,

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

veroordeelt AbvaKabo in de kosten van de procedure, aan de zijde van de gemeente Arnhem tot op heden begroot op € 248,-- wegens vast recht en op € 904,-- voor salaris van de procureur.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.B. Boonekamp, mr. A.E.M. Overkamp en mr. S.C.P. Giesen en in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2008.

Coll.: ED