Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BC4428

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
06-02-2008
Datum publicatie
15-02-2008
Zaaknummer
526877 CV EXPL. 08-50
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Concurrentiebeding vastgelegd in schriftelijk reglement, behorend bij schriftelijke arbeidsovereenkomst (ondertekend door werknemer), welke verwijst naar dat reglement, waarbij een schriftelijke verklaring behoort, waarin de werknemer (door ondertekening, vermelding van de plaatsnaam en datering) verklaart het reglement te hebben ontvangen en het met de inhoud eens te zijn, voldoet aan de eis van schriftelijkheid van artikel 7:653 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2008, 38
AR-Updates.nl 2008-0106
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis in het incident ex art. 223 Rv. /

tussenvonnis in de bodemzaak

RECHTBANK ARNHEM

Sector kanton

Locatie Tiel

zaakgegevens 526877 \ CV EXPL 08-50 \ 163 PH

uitspraak van 6 februari 2008

Vonnis in het incident ex art. 223 Rv. / tussenvonnis in de bodemzaak

in de zaak van

[partij A]

wonende te [woonplaats]

eisende partij in incident en bodemzaak,

verwerende partij in reconventie in incident

gemachtigde mr.ing. P.M.A.C. van de Laak

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [partij B]

gevestigd te Tiel

gedaagde partij in incident en bodemzaak,

eisende partij in reconventie in incident

gemachtigde mr. K.F. Leenhouts

Partijen worden hierna [partij A] en [partij B] genoemd.

Het verloop van de procedure in de bodemzaak en in het incident (kort geding)

Het verloop van de beide procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in de bodemzaak van 8 januari 2008, met producties

- de akte overlegging producties in de bodemzaak tevens verzoek voorlopige voorziening van 16 januari 2008 aan de zijde van eiser

- de conclusie van antwoord in de bodemzaak tevens houdende verzoek vaststelling incidentele voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv aan de zijde van gedaagde van 1 februari 2008

- de aantekeningen van de griffier van de op 1 februari 2008 gehouden mondelinge behandeling van het incident, verder aan te duiden als kort geding

- de pleitaantekeningen van de gemachtigde van eiser in conventie in kort geding, tevens gedaagde in reconventie in kort geding

- de pleitnota van de gemachtigde van gedaagde in conventie in het kort geding, tevens eiseres in reconventie in kort geding

De vaststaande feiten

De kantonrechter gaat uit van de volgende vaststaande feiten.

[partij A] is met ingang van 1 september 2000 als uitzendkracht gaan werken bij [partij B] in de functie van servicetechnicus buitendienst. Aansluitend heeft hij vanaf 1 februari 2001 die functie voortgezet in tijdelijk dienstverband bij [partij B] voor de duur van 9 maanden. Bij brief van 25 januari 2001 heeft [partij B] [partij A] deze tijdelijke arbeidsovereenkomst – waarvan de tekst in de brief was opgenomen – aangeboden. [partij A] heeft de brief voor akkoord getekend. In deze brief bevindt zich de bepaling: Het Reglement vindt u bijgaand. De hierin opgenomen bepalingen zijn een integrerend deel van deze arbeidsovereenkomst.

In het Reglement luidt artikel IX voor zover van belang:

Konkurrentiebeding

Het is de werknemer verboden om binnen een jaar na beëindiging van de dienstbetrekking in een soortgelijke functie als bij [partij B] werd vervuld werkzaamheden te verrichten bij een met [partij B] konkurrerende onderneming.

[partij A] heeft een meegezonden verklaring voorzien van plaatsnaam en datum: Tiel, 06-02-2001, ondertekend en teruggestuurd, waarin voorgedrukt staat dat hij een exemplaar van het Reglement heeft ontvangen en zich met de inhoud daarvan kan verenigen.

Met ingang van 1 november 2001 heeft [partij B] het dienstverband omgezet in één voor onbepaalde tijd.

In augustus 2003 heeft [partij B] haar werknemers, onder wie [partij A], een nieuw reglement toegezonden, vergezeld van een overzichtje van de wijzigingen ten opzichte van het vorige Reglement. Het concurrentiebeding werd niet gewijzigd.

[partij A] heeft de meegezonden ONTVANGST- EN AKKOORDVERKLARING voorzien van de datum 26-01-2004 en zijn handtekening en heeft deze vervolgens teruggezonden.

De verklaring houdt in dat hij een exemplaar van het Reglement van augustus 2003 heeft ontvangen en zich met de inhoud ervan kan verenigen.

Bij brief van 13 november 2007 heeft de raadsman van [partij A] [partij B] een brief geschreven, die als volgt begint:

Tot mij wendde zich de heer [voornaam] [partij A], werkzaam bij uw onderneming als servicetechnicus, met de hierna volgende vraag: bij verandering van werkgever geldt dan onverkort het concurrentiebeding waarna wordt verwezen in mijn aanstellingsbrief van 25 januari 2001?

Bij brief van 22 november 2007 antwoordde [partij B] dat zij [partij A] bij uitdiensttreding aan het beding zou houden.

Op 28 november 2007 heeft [partij A] [partij B] geschreven dat hij zijn arbeidsovereenkomst opzegde onder voorbehoud dat hij niet gehouden zou worden aan het concurrentiebeding. Op 30 november 2007 schreef [partij B] terug dat zij [partij A] aan het concurrentiebeding zou houden.

[partij A] heeft een arbeidsovereenkomst voor de functie van servicemonteur gesloten met het bedrijf dat [partij B] – onbestreden - als haar grootste concurrentie betitelt.

Bij dagvaarding van 8 januari 2008 heeft [partij A] [partij B] in de bodemzaak gedagvaard ten einde verklaring voor recht te verkrijgen dat het concurrentiebeding niet van toepassing is, subsidiair nietig, meer subsidiair – indien het concurrentiebeding wel toepasselijk is - in plaats daarvan een geheimhoudingsverplichting geldt.

De vordering en het verweer in conventie in kort geding

Bij akte van 16 januari 2008 heeft [partij A] een bij voorraad uitvoerbare voorlopige voorziening gevorderd tot schorsing van het concurrentiebeding voor de duur van de bodemprocedure, subsidiair inhoudende dat [partij B] gedurende de procedure ten principale aan het beding geen rechten kan ontlenen.

[partij B] heeft de vordering gemotiveerd bestreden.

De gevorderde voorlopige voorziening en het verweer in reconventie

Bij Conclusie van antwoord tevens houdende verzoek vaststelling voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv heeft [partij B] een bij voorraad uitvoerbare voorlopige voorziening gevorderd, waarbij [partij A] zal worden bevolen om zich op zijn werk bij [partij B] te melden, zich te onthouden van handelen of nalaten in strijd met het concurrentiebeding en het geheimhoudingsbeding, op straffe van een dwangsom van € 1.000 per dag, kosten rechtens.

[partij A] heeft de vordering gemotiveerd bestreden.

De beoordeling van het geschil in conventie en in reconventie

1. Omdat de vorderingen in conventie en in reconventie nauw met elkaar samenhangen, bespreekt de kantonrechter ze gezamenlijk.

2. Aangezien [partij A] zijn dienstverband met [partij B] heeft beëindigd en – ondanks zijn dienstverband bij een ander bedrijf – daar nog niet aan het werk is gegaan uit angst voor de boete verbonden aan het concurrentiebeding, heeft hij - naar de kantonrechter begrijpt, hoewel het niet is gesteld - geen inkomsten. Daarom heeft hij spoedeisend belang bij zijn vordering.

3. Als voorzieningenrechter moet de kantonrechter zich een voorstelling maken van het oordeel dat hij te zijner tijd waarschijnlijk in de bodemprocedure zal vellen. Vooruitlopend daarop kan hij voorlopige voorzieningen treffen.

4. Partijen twisten over de vraag of rechtsgeldig een concurrentiebeding is overeengekomen.

[partij B] heeft gesteld dat – naast de hierboven onder de feiten opgenomen brieven, reglementen en verklaringen – van belang is dat haar HRmedewerkster, mevrouw [naam], op 19 juli 2000 – voorafgaand aan het moment dat [partij A] als uitzendkracht bij [partij B] binnenkwam – met hem een standaardgesprek heeft gehad, zoals met alle nieuwe medewerkers wordt gehouden. Daarbij zouden alle aspecten van een eventueel later volgend arbeidscontract zijn besproken. Bij die gelegenheid zou mevrouw [naam] aan [partij A] onder meer het concurrentiebeding en het geheimhoudingsbeding hebben voorgehouden.

[partij B] heeft van dat gesprek een ingevulde checklist overgelegd, waarop onder meer de termen konkurrentiebeding en geheimhouding zijn voorgedrukt. Naast deze termen is in handschrift geschreven: in [partij B] –Regl. Bovenaan dit formulier zijn de naam van [partij A] en de datum: 19-07-00 ingevuld.

Tijdens dit gesprek zou [partij A] zijn verteld dat hij aan het concurrentiebeding gehouden zou worden als hij bij [partij B] in dienst zou komen.

[partij A] heeft ontkend dat een dergelijke gesprek met hem is gehouden. Hij heeft ook nooit de reglementen ontvangen die in de stukken worden genoemd. Hij hoorde pas van het bestaan van een concurrentiebeding, toen hij aan collega’s vertelde dat hij weg wilde bij [partij B] en zij hem vertelden dat er een concurrentiebeding was.

5. De kantonrechter stelt voorop dat een concurrentiebeding in beginsel tussen partijen tot stand kan komen, wanneer dit is opgenomen in een reglement dat is gevoegd bij een schriftelijk arbeidscontract, indien het contract verwijst naar het reglement en de werknemer zich uitdrukkelijk – schriftelijk - akkoord heeft verklaard met de inhoud van contract en reglement. In een dergelijke situatie staat het reglement gelijk aan elke andere tekst – zoals een arbeidscontract-uit-één-stuk – waarbij partijen schriftelijk verklaren het met de inhoud eens te zijn.

Daar mee is voldaan aan de wettelijke eis van een schriftelijk beding, vervat in een individueel tussen werkgever en werknemer gemaakte afspraak.

6. Verder is van belang hier vast te stellen dat partijen niet van mening verschillen over het feit dat de werkzaamheden sedert [partij A] als uitzendkracht aan het werk ging, niet wezenlijk zijn veranderd.

Het komt er in deze zaak dus op de eerste plaats op aan of een concurrentiebeding rechtsgeldig tot stand is gekomen.

7. Nu [partij A] betwist dat hij voor de aanvang van zijn werkzaamheden als uitzendkracht – tijdens een gesprek op 19 juli 2000 - op het concurrentiebeding is gewezen en verder dat hij, ondanks zijn schriftelijke ontvangstbevestigingen, de reglementen in 2000 en 2003 heeft ontvangen, zal hij zijn stellingen moeten bewijzen.

8. Aangezien de kort geding procedure zich niet leent voor bewijslevering zal dat in de bodemprocedure moeten gebeuren.

9. Omdat niet is te voorzien of het op te dragen bewijs geleverd zal worden, kan de voorzieningenrechter de door [partij A] gevorderde voorziening niet treffen.

10. Ten overvloede overweegt de kantonrechter dat toewijzing van de gevorderde schorsing overigens ook niet mogelijk zou zijn geweest, omdat deze de werking van het beding – indien achteraf zou komen vast te staan dat het rechtsgeldig is gesloten – definitief zou frustreren. [partij A] heeft namelijk verklaard dat hij bij schorsing meteen zal beginnen met zijn werkzaamheden bij de concurrent van [partij B], met wie hij reeds een arbeidscontract heeft gesloten. De gevolgen van de schorsing zouden niet terug te draaien zijn geweest.

11. Als – subsidiair - uitgegaan zou moeten worden van een geldig concurrentiebeding, doet aan het voorgaande niet af dat [partij A] een beroep heeft gedaan op zijn belangen die zwaarder zouden moeten wegen dan die van [partij B].

Hij heeft bij dagvaarding in algemene termen enkele bezwaren geuit, die kennelijk aan zijn zijde een zwaarwegend belang moeten opleveren dat tot nietigverklaring van het concurrentiebeding moet leiden.

Hij zegt het gevoel te hebben gekregen dat hij niet meer binnen de cultuur van [partij B] past wegens het formele karakter, de strikte regelgeving en de gesloten deur bij problemen, het door directie uitgesproken wantrouwen naar de medewerkers toe en het voor technisch personeel oneerlijke provisiesysteem.

Mondeling heeft hij, na betwisting door [partij B], doen aanvullen dat het met name ging om het feit dat hij de airco in zijn auto en de TomTom zelf heeft moeten betalen.

Ook werd genoemd dat hij - omdat hij en zijn vrouw beiden overdag aan het werk

zijn - zendingen van onderdelen op het adres van zijn moeder liet bezorgen, waar hij ze vervolgens ophaalde.

Van haar kant heeft [partij B] uiteengezet dat zij belang heeft bij handhaving van het beding, omdat haar servicetechnici in de vervangingsmarkt, die de markt van weegapparatuur is, haar ogen en oren in het veld zijn. Deze technici zien ter plekke of apparatuur aan vervanging toe is en horen ter plekke wat de wensen van de klant zijn. Door hun op deze ervaring gebaseerde tips aan de verkoopafdeling hebben de servicetechnici in 2007 voor 14% van de jaaromzet gezorgd.

[partij A] kent de klanten uit zijn rayon (Zeeland, Brabant en Limburg), maar heeft ook inzicht gehad in een gedeelte van de klanten uit de andere rayons, namelijk als die klanten met naam en adres op het interne net werden genoemd, omdat de betrokken technicus hen nog niet volgens schema had kunnen bezoeken. [partij A] beschikt derhalve over uitermate belangrijke bedrijfsinformatie die zeer concurrentiegevoelig is.

Een en ander afwegend komt de kantonrechter tot het voorlopig oordeel dat [partij A]s belangen bij de schorsing van het beding niet opwegen tegen die van [partij B] bij de handhaving ervan. De omstandigheid dat [partij A] een arbeidsovereenkomst met de concurrent van [partij B] heeft gesloten, komt voor zijn eigen risico.

12. Bijgevolg zal de in conventie gevorderde voorlopige voorziening worden afgewezen met veroordeling van [partij A] in de kosten van dit kort geding in conventie.

13. Ten aanzien van de reconventionele vordering overweegt de kantonrechter dat de opzegging door [partij A] van de arbeidsovereenkomst geen gevolg heeft gehad, omdat hij voorwaardelijk heeft opgezegd. Zijn voorwaarde was, dat hij niet zou worden gehouden aan het concurrentiebeding. [partij B] heeft hem bij brief van 30 november 2007 meegedeeld dat zij hem aan het beding zou houden. De voorwaarde is derhalve vervuld en het dienstverband met [partij B] duurt nog steeds voort.

14. Op de hiervoor in conventie en reconventie genoemde gronden worden de in reconventie gevorderde voorlopige voorzieningen toegewezen met veroordeling van [partij A] in de proceskosten in kort geding in reconventie.

15. In de hoofdzaak wordt de zaak naar de rol van 12 maart 2008 verwezen voor repliek (geen uitstel) aan de zijde van [partij A].

De beslissing op de in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen

De kantonrechter

in conventie

wijst de door [partij A] gevorderde voorlopige voorziening af;

veroordeelt [partij A] in de kosten in het kort geding in conventie en begroot deze tot aan deze uitspraak aan de zijde van [partij B] op € 400,- voor salaris gemachtigde;

in reconventie

beveelt [partij A] zich op de eerste werkdag na betekening van dit vonnis bij [partij B] te melden op de tot nog toe gebruikelijke wijze en de overeengekomen en tussen partijen bekende werkzaamheden als servicetechnicus te verrichten;

beveelt [partij A] zich te onthouden van ieder handelen en nalaten in strijd met het in artikel IX van het bij de arbeidsovereenkomst behorende reglement vastgelegde concurrentiebeding en met de in artikel X daarvan vastgelegde geheimhoudingsverplichting;

bepaalt dat [partij A] bij overtreding van deze bevelen na betekening van deze uitspraak een dwangsom van € 1.000,00 verbeurt per dag of gedeelte van een dag dat hij in overreding is;

veroordeelt [partij A] in de kosten van het vonnis in kort geding en begroot deze tot aan deze uitspraak aan de zijde van [partij B] op € 200,00 wegens salaris gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Tussenbeslissing in de bodemzaak

De kantonrechter

verwijst de zaak naar de rol van 12 maart 2008 voor repliek aan de zijde van [partij A] (peremptoir);

verstaat dat [partij B] kan dupliceren op de rol vier weken nadien;

sluit hoger beroep tegen dit tussenvonnis uit;

houdt elke verdere beslissing aan.

Deze vonnissen zijn gewezen door de kantonrechter mr. P.A. Huidekoper en in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2008.