Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BC4318

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
11-02-2008
Datum publicatie
13-02-2008
Zaaknummer
165121
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Wraking
Inhoudsindicatie

Wraking. De rolrechter kan worden gewraakt. De wrakingskamer mag het beleid van de rolrechter slechts marginaal toetsen. De rolrechter is niet afgeweken van het geldende rolbeleid. Reeds daarom kan niet worden aangenomen dat de rolrechter vooringenomen is of dat de vrees voor partijdigheid van de rolrechter objectief gerechtvaardigd is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2008, 149
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ARNHEM

Wrakingskamer

zaaknummer/rekestnummer: 165121/2008-7

Beschikking van 11 februari 2008

inzake

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker tot wraking,

procureur mr. J.M. Bosnak te Arnhem,

en

[verweerster],

in haar hoedanigheid van rolrechter in de zaak tussen [verzo[verzoeker] en de naamloze vennootschap naar Belgisch recht N.V. Upjohn (zaaknummer/rolnummer: 1072/HA ZA 90-1436).

1. De procedure

1.1. Het verloop van de wrakingsprocedure blijkt uit:

- het verzoekschrift van 8 januari 2008, waarin het wrakingsverzoek is neergelegd

- de brief van de griffier van de wrakingskamer van 9 januari 2008 aan de procureur van verzoeker

- de brief van de procureur van verzoeker van 10 januari 2008 aan de griffie van de rechtbank

- het verweerschrift van mr. [verweerster] van 24 januari 2008

- de mondelinge behandeling op 28 januari 2008.

1.2. Hieronder staan de feiten en overwegingen waarop de uitspraak stoelt. Partijen worden verder mr. [verzoeker] en mr. [verweerster] genoemd.

2. De feiten

Mr. [verzoeker] heeft op 14 september 1990 de naamloze vennootschap naar Belgisch recht N.V. Upjohn, hierna verder te noemen Upjohn, voor deze rechtbank doen dagvaarden. In de daarop volgende procedure heeft de rechtbank op 23 januari 1997 en 20 januari 2000 tussenvonnissen gewezen. In het laatste tussenvonnis is door de rechtbank een comparitie van partijen bepaald. Op verzoek van partijen is vervolgens de behandeling van de zaak aangehouden. De comparitie heeft op 12 juni 2006 plaatsgevonden. Daarop zijn partijen overeengekomen een mediation te beproeven. Deze heeft niet tot resultaat geleid, waarna, ingevolge het tussenvonnis van 20 januari 2000, opnieuw een comparitie van partijen is bepaald. Deze heeft op 14 november 2007 plaatsgevonden. Een op die zitting beproefde minnelijke regeling is niet tot stand gekomen. De rechtbank heeft vervolgens de zaak op de rol van 12 december 2007 geplaatst voor akte aan de zijde van Upjohn. Daarbij is bepaald dat eerst Upjohn zich zal dienen uit te laten over de persoon van de ingevolge het tussenvonnis van 23 januari 1997 te benoemen deskundigen en dat daarna mr. [verzoeker] de gelegenheid krijgt hierop te reageren en zich uit te laten over de te benoemen deskundigen. Bij brief van 6 december 2007 heeft Upjohn de rolrechter verzocht haar ter rolle van 12 december 2007 een uitstel te verlenen van zes weken voor het nemen van de akte. Als reden daarvoor heeft zij aangegeven dat twee van de drie te benoemen medische deskundigen, die in 1997 waren voorgedragen, inmiddels met emeritaat zijn en dat nog gezocht wordt naar geschikte voor te dragen vervangers. Mr. [verzoeker] heeft tegen het verlenen van dat uitstel bezwaar gemaakt. Ter rolle van 12 december 2007 heeft de rolrechter een uitstel van vier weken verleend aan Upjohn voor het nemen van de akte. Bij brief van 3 januari 2008 heeft Upjohn de rolrechter verzocht haar ter rolle van 9 januari 2008 nog een eenmalig uitstel te verlenen van twee weken. Als motivering voor het verzoek heeft Upjohn aangevoerd dat weliswaar inmiddels een lijst van namen van voor te dragen vervangers aanwezig is, maar dat zij eraan hecht nog na te gaan of één of meer van de kandidaten wellicht ooit heeft meegewerkt aan enig door Upjohn geïnitieerd onderzoek, dit om partijdigheid te vermijden. Mr. [verzoeker] heeft bij brief van 4 januari 2008 bezwaar gemaakt tegen het gevraagde uitstel. De rolrechter heeft daarop partijen meegedeeld dat ter rolle van 9 januari 2008 aan Upjohn nog een uitstel van twee weken voor het nemen van een akte zal worden verleend.

Ter rolzitting van 9 januari 2008 heeft mr. [verzoeker] een akte genomen houdende een verzoek tot wraking van de rolrechter mr. [betrokkene]. De griffier van de wrakingskamer heeft daarop schriftelijk aan mr. [verzoeker] bericht dat mr. [betrokkene] geen rolrechter is, maar senior juridisch medewerker en dat mr. [betrokkene] dan ook niet gewraakt kan worden. Voorts heeft hij mr. [verzoeker] verzocht mee te delen of de rechtbank het verzoek dient op te vatten als zijnde gericht tegen mr. M.J. [verweerster], de rolrechter ter zitting van 9 januari 2008. Bij brief van 10 januari 2008 heeft mr. [verzoeker] de rechtbank meegedeeld dat het wrakingsverzoek moet worden opgevat als te zijn gericht tegen mr. M.J. [verweerster].

3. Het verzoek en het verweer

3.1. Mr. [verzoeker] stelt in zijn verzoekschrift dat de rolrechter de schijn van partijdigheid op zich laadt door aan Upjohn uitstel te verlenen voor het nemen van de akte, terwijl voor dit uitstel geen klemmende reden aanwezig is. Mr. [verzoeker] voert aan dat Upjohn zelf heeft verzocht zich als eerste na de comparitie van partijen op 14 november 2007 te mogen uitlaten en daarbij heeft meegedeeld dat dit ter rolle van 12 december 2007 ook zou gebeuren. Naar de mening van mr. [verzoeker] is er geen aanleiding om Upjohn, na het verkregen uitstel op de laatstgenoemde datum, nogmaals een uitstel te verlenen voor het opgeven van deskundigen. Volgens mr. [verzoeker] is namelijk niet gesteld noch gebleken dat ook maar één van de eerder door Upjohn opgegeven deskundigen geweigerd heeft als zodanig op te treden. Dat geen klemmende reden voor uitstel aanwezig is, volgt naar de mening van mr. [verzoeker] voorts uit de omstandigheid dat Upjohn geen contact over een uitstel met hem heeft willen opnemen, hetgeen als eerste actie voor de hand zou hebben gelegen. Door onder deze omstandigheden Upjohn in haar verzoek te volgen geeft mr. [verweerster] blijk van vooringenomenheid, aldus mr. [verzoeker].

Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft mr. [verzoeker] nog betoogd dat de beslissing tot het verlenen van twee weken uitstel aan Upjohn door een ander dan de rolrechter is gegeven, zodat deze beslissing van onwaarde is.

3.2 Mr. [verweerster] voert het volgende schriftelijke verweer. De rechter in de procedure tussen mr. [verzoeker] en Upjohn heeft de zaak op de rol van 12 december 2007 doen plaatsen om Upjohn de gelegenheid te bieden zich uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundigen. Nadat Upjohn had aangegeven dat van de in 1997 voorgedragen deskundigen er inmiddels twee met emeritaat waren en het onderzoek naar geschikte opvolgers nog niet was afgerond, heeft de rolrechter een uitstel van vier weken toegestaan. Bij brief van 3 januari 2008 heeft Upjohn opnieuw uitstel gevraagd, ditmaal voor twee weken, waarbij werd aangegeven dat een lijst met kandidaat deskundigen inmiddels beschikbaar was, maar dat hun (mogelijke) betrokkenheid bij onderzoek van Upjohn in het verleden nog geverifieerd diende te worden. Mr. [verweerster] stelt dat zij, gelet op de noodzaak om duidelijkheid te verkrijgen over de beschikbaarheid van (beoogde) deskundigen, aanleiding heeft gezien om het gevraagde (laatste) uitstel wegens klemmende reden te verlenen. Zij zegt daarbij mede in aanmerking te hebben genomen dat de procedure inmiddels weliswaar gedurende zeer lange tijd loopt, maar haar niet is gebleken dat de lange duur te wijten is aan een van beide partijen. Mr. [verweerster] betwist dat gebleken is van omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

4. De motivering van de beslissing

4.1. Gelet op artikel 36 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dient in een wrakingsprocedure te worden beslist of er sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

4.2. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid bij de rechter in de zin van artikel 6 lid 1 EVRM (en artikel 14 lid 1 IVBPR) dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een procespartij vooringenomen is, althans dat de bij die partij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.

4.3 De rechtbank zal eerst de verst strekkende stelling van mr. [verzoeker] bespreken, dat de beslissing om aan Upjohn ter rolle van 9 januari 2008 een nader uitstel van twee weken te verlenen niet is genomen door de rolrechter. Naar de rechtbank begrijpt, stelt mr. [verzoeker] zich op het standpunt dat het bedoelde uitstel is verleend door een senior juridisch medewerker, te weten mr. [betrokkene], nu het handschrift waarin de beslissing is gesteld daarop wijst.

De rechtbank overweegt daarover het volgende. Bij de rechtbank Arnhem wordt iedere rolzitting administratief voorbereid door een (senior) juridisch medewerker. In het geval dat de aan het woord zijnde partij schriftelijk om uitstel van een proceshandeling verzoekt en de wederpartij zich daartegen schriftelijk verzet, legt de juridisch medewerker de kwestie voor aan de rolrechter. De rolrechter geeft vervolgens een beslissing, welke door de juridisch medewerker door middel van een stempel met een eventuele tekst op het schriftelijk verzoek wordt aangetekend, waarna dit aan partijen wordt gefaxt. Uit niets blijkt dat in het onderhavige geval deze werkwijze niet ook heeft plaatsgevonden. Aangenomen moet dan ook worden dat, anders dan mr. [verzoeker] veronderstelt, het de rolrechter is geweest die tot het verlenen van uitstel heeft beslist.

4.4 Ingevolge artikel 36 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt. De vraag die vervolgens voorligt, is of de rolrechter is aan te merken als een rechter die de zaak behandelt. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. Naar haar oordeel is sprake van behandeling van een zaak door een rechter, zodra deze zich op enigerlei wijze met een zaak bezighoudt en dit voor partijen kenbaar is. De rolrechter is een dergelijke rechter.

4.5 De volgende vraag is of een rolrechter vooringenomen kan handelen, nu hij zich in feite bezighoudt met de processuele instructie van de zaak. Ook deze vraag beantwoordt de rechtbank bevestigend. Zij acht het niet ondenkbaar dat een rolrechter, gelet op de procesregeling, daarvan zodanig ten nadele van een van de procespartijen afwijkt, dat bij die partij de vrees voor partijdigheid van de rolrechter post vat.

4.6 De rechtbank zal thans bezien of mr. [verweerster] met haar voornemen om Upjohn alsnog een uitstel van twee weken toe te staan voor het nemen van een akte, blijk heeft gegeven van vooringenomenheid.

De rechtbank overweegt dat krachtens het Landelijk reglement voor de civiele rol bij rechtbanken, zoals dit per 1 maart 2007 luidt, de rolrechter op grond van artikel 2.8 onder b de bevoegdheid heeft om op verzoek van één partij wegens klemmende redenen de termijn, waarop een conclusie of akte moet worden ingediend, te verlengen. Noot 28 j° 11 van dit reglement vermeldt onder meer: "Van een klemmende reden is sprake als zich omstandigheden voordoen waardoor het redelijkerwijs niet mogelijk is de proceshandeling binnen de gestelde termijn te verrichten" en "Of in een concreet geval sprake is van een klemmende reden staat ter beoordeling van de rolrechter". Hieruit volgt dat de rolrechter bij de beoordeling enige ruimte heeft. In dit geval heeft de rolrechter van de haar hier gegeven bevoegdheid gebruik gemaakt. Of de rolrechter daarbij de term "klemmend" juist heeft ingevuld, hetgeen mr. [verzoeker] betwist, mag de rechtbank in het licht van het wrakingsverzoek slechts marginaal toetsen. De rechtbank overweegt dienaangaande dat de door de rolrechter aangegeven redenen voor uitstel, zoals hiervoor onder 3.2 vermeld, de kwalificatie klemmend kunnen dragen. Nu niet is gebleken dat de rolrechter bij het verlenen van uitstel aan Upjohn is afgeweken van het geldende rolbeleid, kan reeds om die reden niet worden aangenomen dat mr. [verweerster] vooringenomen is en ook niet dat de vrees voor partijdigheid van mr. [verweerster] objectief gerechtvaardigd is.

4.7. Uit het voorgaande volgt dat het verzoek tot wraking moet worden afgewezen.

5. De beslissing

De rechtbank

wijst het verzoek tot wraking af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.G. Smedema, P.A. Huidekoper en G. Noordraven en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2008.

de griffier de voorzitter

coll. JO