Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BC3984

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
06-02-2008
Datum publicatie
11-02-2008
Zaaknummer
158678
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Zorgplicht advocaat.

De conclusie is dat gedaagde niet, zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat betaamt, heeft gezorgd voor en ook niet heeft toegezien op de correcte afhandeling van de echtscheiding na het verkrijgen van de beschikking. Daardoor is inschrijving achterwege gebleven en heeft de beschikking van de rechtbank van 2 november 1995 uiteindelijk niet tot een echtscheiding tussen eiser en zijn echtgenote geleid. gedaagde is aldus tekortgeschoten in de door hem jegens eiser in acht te nemen zorgplicht.

In het licht van de gemotiveerde betwisting door gedaagde had het op de weg van eisergelegen concrete feiten en omstandigheden te stellen waaruit had kunnen volgen dat van het eerder genoemde geestelijk letsel sprake was en dat dat (overwegend) was veroorzaakt door de fout van gedaagde. Nu hij dit heeft nagelaten moet worden geoordeeld dat hij niet heeft voldaan aan zijn stelplicht. Het gevorderde smartengeld kan niet worden toegewezen.

Gevorderde materiele schade wel deels toegewezen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 74
Burgerlijk Wetboek Boek 6 106
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 150
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2008, 43
JA 2008/59
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 158678 / HA ZA 07-1212

Vonnis van 6 februari 2008

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur en advocaat mr. S. van Oers te Groesbeek,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur en advocaat mr. J.W. Kobossen te Nijmegen.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 24 oktober 2007

- het proces-verbaal van comparitie van 7 december 2007

- de akte van [eiser]

- de antwoordakte van [gedaagde].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Met het oog op beëindiging van zijn huwelijk met mevrouw [betrokkene] heeft [eiser] in 1995 [gedaagde], toen advocaat, verzocht namens hem een echtscheidingsprocedure te voeren. [gedaagde] heeft bij de rechtbank een verzoekschrift tot echtscheiding ingediend. Bij beschikking van 2 november 1995 heeft deze rechtbank de echtscheiding tussen [eiser] en [betrokkene] uitgesproken.

2.2. Bij brief van 6 november 1995 heeft [gedaagde] aan [eiser] een kopie van de echtscheidingsbeschikking en een verzoek tot inschrijving daarvan gezonden, met het verzoek dit gedateerd en ondertekend aan hem te retourneren.

2.3. Op 29 februari 1996 heeft [gedaagde] aan de afdeling publicaties van de Nederlandse Staatscourant geschreven:

“Bijgaande beschikking van 2 november 1995 is op 9 november 1995 aan de gedaagde partij, [betrokkene], betekend. Hiertegen is geen verzet ingesteld. Wilt u bijgaande beschikking publiceren? (...)”.

2.4. In zijn brief van 8 maart 1996 aan [eiser] heeft [gedaagde] geschreven:

“Bijgaand doe ik U een declaratie toekomen.

Het vonnis is gepubliceerd in de Staatscourant.”.

2.5. De dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Rotterdam heeft op 12 juli 2002, samengevat en zakelijk weergegeven, aan [eiser] bericht dat mevrouw [betrokkene] financiële bijstand van die gemeente ontvangt en dat [eiser], als wettelijk onderhoudsplichtige van [betrokkene], opgave dient te doen van zijn inkomsten en uitgaven met het oog op eventueel verhaal van de aan [betrokkene] verstrekte bijstand.

2.6. [eiser] heeft zich in verband hiermee tot een (andere) advocaat gewend, die voor hem heeft onderzocht of de echtscheidingsbeschikking uit 1995 binnen de daarvoor geldende termijn is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Toen dit niet het geval (b)leek te zijn, heeft de advocaat van [eiser] bij brief van 3 december 2002 [gedaagde] verzocht om toezending van de bescheiden waaruit blijkt dat [gedaagde] die beschikking wel heeft laten inschrijven en hem aansprakelijk gesteld voor de eventuele schade van [eiser].

2.7. [gedaagde] heeft bij brief van 4 december 2002 gereageerd met de opmerking om meer informatie, omdat hij niet meer over het dossier van [eiser] beschikte en zich de zaak niet meer kon herinneren. Nadat hem het verzoekschrift en de beschikking van de rechtbank waren toegezonden, heeft hij op 11 december 2002 aan de advocaat van [eiser] onder andere het volgende geschreven:

“(...) blijkens mijn brief van 6 november 1995 heb ik de heer [eiser] (...) verzocht om het verzoek tot inschrijving in te vullen, te ondertekenen en aan mij te retourneren. Dat laatste is nooit gebeurd. De heer [eiser] heeft het derhalve aan zichzelf te wijten, dat de beschikking nimmer is ingeschreven. Hij had de beschikking ook zelf kunnen laten inschrijven. (...) Het is natuurlijk te dwaas voor woorden, dat hij zeven jaar na datum echtscheidingsbeschikking pas merkt dat de beschikking niet is ingeschreven. (...)”.

2.8. Bij beschikking van 3 maart 2004 heeft de rechtbank te Zutphen op verzoek van [eiser] (nogmaals) de echtscheiding tussen hem en [betrokkene] uitgesproken. Op 22 maart 2004 is deze beschikking aan [betrokkene] betekend.

2.9. Op 20 juni 2004 is [betrokkene] overleden. Op dat moment had inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand nog niet plaatsgevonden.

3. Het geschil

3.1. [eiser] heeft gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] zal veroordelen aan hem te betalen een bedrag aan schadevergoeding van EUR 10.805,18, te vermeerderen met rente en kosten. De gevorderde schadevergoeding is gegrond op het toerekenbare tekortschieten door [gedaagde] bij de uitvoering van de door [eiser] aan hem gegeven opdracht, die inhield de echtscheiding te effectueren. De gevorderde schadevergoeding bestaat uit EUR 10.000,00 aan smartengeld en voor het overige uit de kosten die verband houden met de nieuwe echtscheidingsprocedure en de aansprakelijkheidsprocedure tegen [gedaagde].

3.2. [gedaagde] heeft verweer gevoerd, dat hierna zal worden besproken.

4. De beoordeling

toerekenbare tekortkoming

4.1. Allereerst zal moeten worden beoordeeld of [gedaagde] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de overeenkomst van opdracht met [eiser]. [gedaagde] heeft verschillende redenen aangevoerd waarom dat volgens hem niet het geval is.

4.2. [gedaagde] heeft gesteld destijds niet tot inschrijving te hebben kunnen overgaan omdat het daartoe benodigde, door [eiser] ingevulde en ondertekende verzoek tot inschrijving - en dus de vereiste instructie van de cliënt tot inschrijving - ontbrak. Hij betwist in dit verband de stelling van [eiser] dat die dit verzoek destijds wel aan [gedaagde] heeft teruggezonden. Verder meent hij dat [eiser] zelf naar de stand van zaken in de echtscheidingsprocedure had kunnen informeren en zelf voor de inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand had kunnen zorgen.

4.3. Of het verzoek om inschrijving destijds al dan niet aan [gedaagde] is geretourneerd, kan in het midden blijven. Zelfs indien er - veronderstellenderwijs - vanuit zou worden gegaan dat [eiser] het verzoek om inschrijving niet aan [gedaagde] heeft geretourneerd, dan geldt dat het op de weg van [gedaagde] had gelegen om bij [eiser] naar de reden daarvoor te informeren met het oog op een correcte afwikkeling van de echtscheiding. Namens [eiser] is terecht aangevoerd dat, zakelijk weergegeven, de zorgplicht van een redelijk handelend en redelijk bekwaam advocaat dit met zich brengt. De verplichting van een advocaat om een hem opgedragen zaak met zorg te behandelen brengt immers in beginsel mee dat hij zich niet beperkt tot de verrichtingen waarom zijn cliënt uitdrukkelijk heeft gevraagd, maar dat hij zelfstandig beoordeelt wat voor de zaak van nut kan zijn en daarnaar handelt (HR 28 juni 1991, NJ 1992, 420). Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] bij [eiser] navraag heeft gedaan omtrent (de reden voor) het uitblijven van het verzoek om inschrijving. De verweren van [gedaagde] dat [eiser] zelf had kunnen informeren naar de stand van zaken van de echtscheiding en dat [eiser] zelf voor inschrijving had kunnen zorgen, miskennen de hiervoor geschetste zorgplicht van de advocaat, nog daargelaten dat niet is gesteld of gebleken dat [eiser] zelf op de hoogte was van de vereisten voor een rechtsgeldige echtscheiding zoals tijdige inschrijving van de beschikking. Al de genoemde verweren van [gedaagde] falen dan ook. De conclusie is dat [gedaagde] niet, zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat betaamt, heeft gezorgd voor en ook niet heeft toegezien op de correcte afhandeling van de echtscheiding na het verkrijgen van de beschikking. Daardoor is inschrijving achterwege gebleven en heeft de beschikking van de rechtbank van 2 november 1995 uiteindelijk niet tot een echtscheiding tussen [eiser] en [betrokkene] geleid. [gedaagde] is aldus tekortgeschoten in de door hem jegens [eiser] in acht te nemen zorgplicht.

4.4. Het voorgaande zou anders kunnen zijn indien, zoals [gedaagde] heeft gesteld, sprake is geweest van een periode van verzoening tussen [eiser] en [betrokkene] en [gedaagde] daarvan wist. Aangezien [gedaagde] zich beroept op de rechtsgevolgen van zijn stelling en [eiser] deze uitdrukkelijk heeft betwist, rust op [gedaagde] de bewijslast daarvan (art. 150 Rv). In het navolgende zal worden beoordeeld of [gedaagde] tot dit bewijs kan worden toegelaten.

4.5. Zoals [eiser] terecht heeft opgemerkt, maakt [gedaagde] in zijn brief aan de advocaat van [eiser] van 11 december 2002 in het geheel geen gewag van een tijdelijke verzoening, terwijl hij daarin wel concreet is ingegaan op de gang van zaken na het verkrijgen van de echtscheidingsbeschikking, eind 1995 (zie hiervoor, 2.7). Pas in de conclusie van antwoord heeft [gedaagde] gesteld dat er een verzoening ‘zou zijn geweest’. Eerst ter comparitie heeft hij deze vage stelling toegelicht met de opmerkingen dat hij over die verzoening destijds is gebeld, dat hij [eiser] ‘en mevrouw [betrokkene 2]’ destijds regelmatig zag en dat aan [gedaagde] destijds zoiets te kennen was gegeven als ‘dat het niet meer hoefde’. [gedaagde] heeft hieraan toegevoegd dat hij dit niet kan aantonen. Wanneer en door wie hij is gebeld heeft [gedaagde] niet verduidelijkt. Dat valt niet goed te rijmen met de herinnering die [gedaagde] stelt te hebben aan een telefoongesprek waarin hem zou zijn meegedeeld dat inschrijving van de echtscheidingsbeschikking niet meer gewenst was. Bovendien staat vast dat [gedaagde] de beschikking in de relevante periode wél ter publicatie in de Staatscourant heeft aangeboden (zie onder 2.3) én dat hij daarvan mededeling heeft gedaan aan [eiser] (zie onder 2.4) onder gelijktijdige toezending van zijn declaratie. Een steekhoudende verklaring voor deze handelingen van [gedaagde], die er bepaald niet op duiden dat van een verzoeningssituatie sprake is, is noch bij conclusie van antwoord noch ter comparitie gegeven. Zijn stellingen dat [eiser] zelf passief was bij de afwikkeling van de eerste echtscheiding en dat pas zeer laat na de ontdekking van het voortduren van het huwelijk met [betrokkene] een tweede verzoek tot echtscheiding is ingediend, dragen hieraan niets (concreets) bij. Hoewel de stellingen van [gedaagde] over de verzoening in de loop der tijd iets minder vaag zijn geworden - hetgeen overigens op zichzelf weer vragen kan oproepen - moet op grond van al het voorgaande niettemin worden geoordeeld dat hij niet aan zijn stelplicht heeft voldaan. Aan het bewijs van zijn stelling wordt daarom niet toegekomen. Het op deze stelling gebaseerde verweer van [gedaagde] wordt verworpen.

4.6. Op grond van al het voorgaande moet worden geconcludeerd dat [gedaagde] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van zijn contractuele verplichting jegens [eiser]. De schade die [eiser] daardoor heeft geleden, moet [gedaagde] vergoeden (art. 6:74 BW).

immateriële schadevergoeding

4.7. De grootste schadepost in deze zaak wordt gevormd door het smartengeld dat [eiser] heeft gevorderd. Het gaat om een bedrag van EUR 4.000,00 wegens, samengevat, de ontdekking na zeven jaar niet gescheiden te zijn, de mogelijke aansprakelijkheid voor levensonderhoud en/of schulden van [betrokkene] en het opnieuw moeten doorlopen van een echtscheidingsprocedure en een bedrag van EUR 6.000,00 wegens het feit dat inmiddels scheiden van [betrokkene] - door haar overlijden - onmogelijk is geworden. Ter zitting is namens [eiser] als grondslag voor de immateriële schade genoemd het evidente psychische leed dat aan hem is toegebracht. Namens [gedaagde] is aangevoerd dat het lange tijdsverloop tussen de ontdekking van het voortbestaan van de huwelijksband en de indiening van een nieuw echtscheidingsverzoek zich niet verhoudt met het beweerde psychische leed. Overigens heeft hij betwist dat er in dit geval een wettelijke grondslag voor toekenning van smartengeld is, aangezien het gestelde psychische leed nog geen ‘andere aantasting in de persoon’ oplevert zoals bedoeld in art. 6:106 BW.

4.8. Vooropgesteld wordt dat, onder omstandigheden, een aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis kan leiden tot psychische beschadigingen van zodanige aard dat een aantasting van de persoon aanwezig geoordeeld kan worden, die grond geeft tot een vergoeding van immateriële schade. De partij die zich op een dergelijke aantasting van de persoon beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval een psychische beschadiging is ontstaan, waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel is of had kunnen zijn vastgesteld (vgl. HR 9 mei 2003, NJ 2005, 168; HR 19 december 2003, NJ 2004, 348).

4.9. Uit het voorgaande volgt dat niet ieder psychisch lijden een verplichting tot vergoeding van immateriële schade in het leven roept. In het algemeen is daarvoor nodig dat sprake is van het ontstaan van, kort gezegd, een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. In dit licht bezien schieten de stellingen van [eiser] tekort. Op zichzelf is aannemelijk dat [eiser], zoals hij heeft gesteld, is geschrokken van de gebeurtenissen en dat hij enige tijd onder spanning en in angst heeft geleefd, maar dat is onvoldoende om van de hiervoor beschreven aantasting in de persoon te spreken. Ook overigens is hiervan niet gebleken. De stelling van [eiser] dat hij in september/oktober 2004 wegens ziekte een maand arbeidsongeschikt is geweest, bevat daarvoor evenmin voldoende concrete aanwijzingen. In dit verband is slechts een oproep van een Arboarts overgelegd, maar ook daaruit blijkt niet van de aard en de ernst van de klachten van [eiser], van medische behandeling of van enige diagnose. Dit gebrek aan concrete aanknopingspunten klemt te meer waar [eiser] zelf - bij dagvaarding en tijdens de comparitie - heeft gesteld dat die maand arbeidsongeschiktheid het gevolg was van het overlijden van [betrokkene] en kort daarna het overlijden van zijn vader. In het licht van de gemotiveerde betwisting door [gedaagde] had het op de weg van [eiser] gelegen concrete feiten en omstandigheden te stellen waaruit had kunnen volgen dat van het eerder genoemde geestelijk letsel sprake was en dat dat (overwegend) was veroorzaakt door de fout van [gedaagde]. Nu hij dit heeft nagelaten moet worden geoordeeld dat hij niet heeft voldaan aan zijn stelplicht. Aan bewijs - dat ingevolge art. 150 Rv door [eiser] geleverd zou moeten worden - wordt daarom niet toegekomen. Het gevorderde smartengeld kan niet worden toegewezen. Hetgeen de partijen hierover overigens nog hebben aangevoerd, hoeft geen (verdere) bespreking meer.

materiële schade

4.10. De kosten van de tweede echtscheidingsprocedure zijn aan te merken als door de toerekenbare tekortkoming van [gedaagde] veroorzaakte schade. De partijen hebben zich bij akte nader uitgelaten over de omvang daarvan. Gebleken is dat aan [eiser] daarvoor een toevoeging was verleend, maar dat zijn advocaat dat abusievelijk niet op het verzoekschrift aan de rechtbank heeft vermeld. Hierdoor is indebetstelling van de deurwaarderskosten en een deel van het griffierecht achterwege gebleven. [eiser] heeft gesteld dat hij de kosten waarvan hij vergoeding vordert (waaronder de deurwaarderskosten en het volledige griffierecht) nu eenmaal heeft gemaakt, zodat [gedaagde] ook deze dient te vergoeden. [gedaagde] daarentegen meent dat aan [eiser] in verband met de toevoeging niet het volledige griffierecht en de deurwaarderskosten in rekening gebracht had mogen worden, dat [eiser] deze bedragen dus onverschuldigd aan zijn advocaat heeft betaald en dat [eiser] daarom in zoverre geen vordering op hem ([gedaagde]) heeft.

4.11. Niet weersproken is dat [eiser] de door hem gevorderde kosten inzake de tweede echtscheidingsprocedure - in totaal EUR 531,05 - daadwerkelijk heeft betaald. Hieraan doet niet af dat, zoals namens [gedaagde] is gesteld, een deel daarvan onverschuldigd door [eiser] aan zijn advocaat is betaald. Voornoemd bedrag is ook in dat geval het vermogensnadeel dat [eiser] ten gevolge van de door [gedaagde] gemaakte fout feitelijk heeft geleden. Juist is dat dit vermogensnadeel groter is geworden doordat de betrokken advocaat niet op het verzoekschrift heeft vermeld dat [eiser] over een toevoeging beschikte. Echter, een toevoeging op de voet van de Wet rechtsbijstand kan aan on- of minvermogenden in het belang van de rechtzoekende en op zijn verzoek worden verleend, maar een rechtzoekende, ook al zou hij daarvoor in aanmerking komen, is niet gehouden van de door die wet geboden mogelijkheden gebruik te maken en een toevoeging aan te vragen (vgl. HR 1 november 1991, NJ 1992, 121). Een rechtzoekende is ook niet gehouden, ook niet met het oog op de belangen van de wederpartij, van een eenmaal verleende toevoeging gebruik te maken (HR 20 februari 1998, NJ 1998, 475). Hieruit wordt afgeleid dat een rechtzoekende ook niet gehouden is van de hem verleende toevoeging volledig gebruik te maken. Voor zover [eiser] dat wél heeft gedaan, levert dat voor [gedaagde] een meevaller op, maar voor zover [eiser] dat niet heeft gedaan kan dat hem niet worden tegengeworpen. Het bedrag van EUR 531,05 zal dan ook worden toegewezen.

4.12. Zijn vordering ter zake van de eigen bijdrage ad EUR 60,00 in verband met de toevoeging voor de onderhavige aansprakelijkheidsprocedure heeft [eiser] gehandhaafd voor zover deze niet is verdisconteerd in de proceskostenveroordeling. Hiermee refereert [eiser] zich, kennelijk, aan het oordeel van de rechtbank over het verweer van [gedaagde] dat deze eigen bijdrage als onderdeel van de proceskosten niet toewijsbaar is. De eigen bijdrage kan niet anders worden gezien dan als het deel van de kosten van de procedure dat op grond van de Wet op de rechtsbijstand voor rekening van [eiser] blijft. Dit deel van de vordering is dan ook niet toewijsbaar.

4.13. [eiser] heeft opgave gedaan van de data waarop hij zijn advocaat heeft bezocht voor overleg, ter onderbouwing van de gevorderde reiskosten ad EUR 214,15 (161 km vice versa x 19 eurocent per kilometer = EUR 30,59 x zeven bezoeken). Kobossen heeft opgemerkt dat de laatste twee bezoeken gelet op de data (1 februari 2005 en 3 juli 2007) in elk geval niet te maken (kunnen) hebben gehad met de tweede echtscheidingsprocedure, zodat de kosten van die laatste twee bezoeken niet voor vergoeding in aanmerking komen. Dit verweer slaagt. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is niet aannemelijk dat deze laatste twee gesprekken verband hielden met de één respectievelijk drie jaar eerder gevoerde (tweede) echtscheidingsprocedure. Het verdere verweer tegen de gevorderde reiskosten - voor zover al gehandhaafd door [gedaagde] - faalt. In de gegeven omstandigheden, waaronder de complexiteit (voor een leek als [eiser]) van de ontstane situatie en zijn geringe beheersing van de Nederlandse taal, was het niet onredelijk vijf besprekingen ten kantore van de advocaat te houden. Van de gevorderde reiskosten komt een bedrag van EUR 152,95 voor vergoeding in aanmerking.

wettelijke rente

4.14. Op grond van het voorgaande zal in totaal een bedrag van EUR 684,00 aan materiële schadevergoeding worden toegewezen. [eiser] heeft ook de wettelijke rente daarover gevorderd vanaf het moment van opeisbaar worden van de schade. Voor de ingangsdatum van wettelijke rente is echter bepalend het moment waarop [gedaagde] met betaling van het verschuldigde in verzuim is geraakt. Dat is uit de stellingen van [eiser] niet af te leiden, zodat voor de ingangsdatum van de wettelijke rente de dag van dagvaarding zal worden genomen.

uitvoerbaarheid bij voorraad/zekerheidstelling

4.15. Nu geen smartengeld zal worden toegewezen en de toewijsbare materiële schadevergoeding een relatief gering bedrag betreft, is er geen aanleiding het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren of [eiser] zekerheid te laten stellen, zoals door [gedaagde] (voorwaardelijk) was gevorderd.

proceskostenveroordeling

4.16. Beide partijen zijn over en weer in het ongelijk gesteld. Hoewel het overgrote deel van de vordering van [eiser] is afgewezen, is er niettemin aanleiding [gedaagde] in de kosten van de procedure te veroordelen. Op het - inhoudelijk gezien - belangrijkste onderdeel van de zaak, de aansprakelijkheid, is hij immers in het ongelijk gesteld. Ook is er geen aanleiding de kosten van de akte voor rekening van [eiser] te laten komen, zoals [gedaagde] wenst. De nadere onderbouwing van de schade was nodig in verband met het daartegen gevoerde verweer. Wel zal het salaris procureur worden berekend op basis van het toe te wijzen bedrag. Op grond van dit alles worden de proceskosten aan de zijde van [eiser] begroot op:

- dagvaarding EUR 70,85

- betaald vast recht 75,00

- in debet gesteld vast recht 225,00

- salaris procureur 960,00 (2,5 punten × tarief EUR 384,00)

Totaal EUR 1.330,85.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van EUR 684,00 (zeshonderdvierentachtig euro), vermeerderd met de wettelijke rente over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van volledige betaling,

5.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op EUR 1.330,85, te voldoen aan de griffier door overmaking op rekeningnummer 19.23.25.752 ten name van Arrondissement 533 Arnhem onder vermelding van "proceskostenveroordeling" en het zaak- en rolnummer,

5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.E. Lagarde en in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2008.