Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BC3925

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
30-01-2008
Datum publicatie
08-02-2008
Zaaknummer
151806
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het gaat hier om een mededeling van een gemeente aan een burger over de te volgen weg die tot een bouwvergunning zou kunnen leiden en die, naar de gemeente weet, voor die burger kosten meebrengt. De mededeling is onjuist omdat deze weg niet tot een bouwvergunning kan leiden, nu de gemeente niet over de daarvoor vereiste “formeel-juridische” bevoegdheid beschikt. Daarmee heeft de gemeente onjuiste mededelingen gedaan over het recht, te weten over het bestaan van haar eigen “formeel-juridische” bevoegdheden. Dat moet als onrechtmatig worden aangemerkt, zeker nu bij uitstek de gemeente op de hoogte zou moeten zijn van en zou dienen te handelen naar haar bevoegdheden of het ontbreken daarvan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2008, 225
O&A 2008, 41
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 151806 / HA ZA 07-207

Vonnis van 30 januari 2008

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur mr. J.A.M.P. Keijser,

advocaat mr. P.P.A. Bodden te Nijmegen,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE ZALTBOMMEL,

gevestigd te Zaltbommel,

gedaagde,

procureur mr. F.J. Boom,

advocaat mr. D. van Tilborg te Breda.

Eiser zal hierna [eiser] genoemd worden. De gemeente Zaltbommel is de rechtsopvolgster van de gemeente [woonplaats]. Beide gemeenten zullen hierna als “de gemeente” worden aangeduid.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 16 mei 2007

- het proces-verbaal van comparitie van 10 oktober 2007.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] is eigenaar van een perceel grond aan de [adres] (ongenummerd) te [woonplaats], kadastraal bekend gemeente [woonplaats], sectie N, nummer 396 (“het perceel”). Op enig moment heeft [eiser] het voornemen opgevat om op het perceel een varkenshouderij te stichten.

2.2. Op 24 oktober 1997 heeft [eiser] bij de gemeente een aanvraag voor een bouwvergunning voor de varkenshouderij ingediend.

2.3. Bij brief van 6 november 1997 hebben Burgemeester en Wethouders van de gemeente (“B&W”) aan [eiser] geschreven:

“Het desbetreffende perceel is in het bestemmingsplan “Buitengebied” bestemd als “agrarisch gebied”. Bebouwing zoals de door u beoogde varkensschuur, is slechts mogelijk wanneer via een uitwerking van dat bestemmingsplan een zogenaamd “agrarisch bouwperceel” wordt opgenomen.

Voorwaarde om over te gaan tot zo’n planuitwerking, is dat het de vestiging van een volwaardig agrarisch bedrijf betreft. Dit wordt beoordeeld door de afdeling Landelijk Gebied van de provinciale dienst Ruimte, Economie en Welzijn. Aan die beoordeling zijn advieskosten ad. fl. 800,-- verbonden, die voor uw rekening komen.

In verband hiermee hebben wij de in 2-voud bijgevoegde verklaring opgesteld.

Na ontvangst van één door u getekend exemplaar en het verschuldigde bedrag van fl. 800,-- zullen wij het verzoek om advies aan de provincie doen uitgaan. (...)”

2.4. Op 17 november 1997 hebben de gemeente en [eiser] een overeenkomst gesloten, die luidt:

“1. Ten behoeve van het opnemen van een agrarisch bouwperceel aan de [adres] te [woonplaats], (...) in verband met de bouw aldaar van een varkensschuur door verzoeker en de daartoe noodzakelijke aanpassing van het bestemmingsplan “Buitengebied” is het vereist om een advies te vragen van de Provincie Gelderland, afdeling Landelijk Gebied;

2. verzoeker zal – alvorens het advies genoemd onder 1. wordt aangevraagd – de kosten van het uitbrengen van dit advies ten bedrage van fl. 800,-- voldoen door overschrijving hiervan op rekening van de gemeente [woonplaats] (...);

3. de beslissing welke vanwege het bevoegd bestuursorgaan voortvloeit uit het onder 1. genoemde advies, zal geen aanleiding geven tot het instellen van enigerlei vordering tot schadeloosstelling en zal voor de gemeente [woonplaats] geen verplichting inhouden tot terugbetaling van de kosten genoemd onder 2.”

2.5. Bij brief van 20 januari 1998 hebben B&W aan [eiser] geschreven:

“Naar aanleiding van uw aanvraag om bouwvergunning d.d. 24 oktober 1997 voor het oprichten van een agrarische bedrijfsruimte op een perceel aan de [adres] te [woonplaats], bij ons bekend onder dossiernr. 97.1229, delen wij u het volgende mede.

Zoals u bekend is, is het voor uw bouwplan noodzakelijk dat op het desbetreffende perceel een zogenaamd agrarisch bouwperceel wordt opgenomen. Dit is mogelijk via een wijziging van het bestemmingsplan “Buitengebied” met toepassing van artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Voorwaarde om tot die wijziging te besluiten is onder meer dat het de vestiging van een volwaardig agrarisch bedrijf betreft. Hierover worden wij geadviseerd door de dienst Landelijk Gebied van de provincie Gelderland. Dit advies is momenteel nog niet uitgebracht, zodat nog geen beslissing kan worden genomen over wijziging van het bestemmingsplan en/of het honoreren van uw aanvraag om bouwvergunning.

Bovendien is voor het op te richten bedrijf eveneens een vergunning ingevolge de Wet milieubeheer vereist. De procedure daartoe verkeert op dit moment nog in de vooroverlegfase, zodat nog niet bekend is of de milieuvergunning al dan niet kan worden verleend.

In verband hiermee hebben wij moeten besluiten om de beslissing op uw bouwaanvraag aan te houden.

Ons aanhoudingsbesluit d.d. 20 januari 1998, nr. 97.1229-4 treft u hierbij aan.”

2.6. Nadat de provincie op 7 april 1998, 6 november 1998, 5 juli 1999 en 26 april 2000 op evenzovele verzoeken negatief had geadviseerd, heeft ir. J.H. de Haan, hoofd onderafdeling beleidsontwikkeling van de afdeling Landelijk Gebied van de Provincie Gelderland, bij brief van 20 maart 2001 aan B&W geschreven:

“(...) Geconstateerd moet worden dat na herhaald over de zaak te hebben geadviseerd de bedrijfsopzet steeds weer is aangepast en daarmee telkenmale is verbeterd. De kredietwaardigheid, evenals de realiteitswaarde van het plan is sterk verbeterd. Dit is met name toe te schrijven aan de inbreng van kapitaal, kennis en ervaring door derden.

Alhoewel de wijze waarop het plan zich in de tijd heeft ontwikkeld mij tegenstaat, kan ik nu (uiteindelijk) concluderen dat sprake is van een voldragen (papieren) plan. (...)

Gelet op het vorenstaande adviseer ik u medewerking te verlenen aan het toekennen van een agrarisch bouwperceel voor het oprichten van een vleesvarkensstal aan de [adres] te [woonplaats].”

2.7. Bij brief van 6 juli 2001 hebben B&W aan de heer A.C. Bragt van Accon Accountants & Adviseurs (de adviseur van [eiser], hierna: Accon) bericht:

“Met betrekking tot uw vraag wanneer voor het op te richten varkensbedrijf de bestemmingsplan-procedure op grond van artikel 11 WRO wordt opgestart, kunnen wij u berichten dat na de zomer-periode een extern bureau opdracht gegeven zal worden om onder andere voor het bedrijf van uw cliënt, een bestemmingsplan op te stellen. Na opdrachtverlening aan het externe bureau zullen wij uw cliënt nader informeren over de procedure en het tijdspad dat gevolgd moet worden.”

2.8. Op 31 januari 2002 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de gemeente en [eiser] en diens adviseur. De gemeente heeft daarbij te kennen gegeven dat er beletselen van juridische aard waren gerezen met betrekking tot de artikel 11 WRO-procedure. De gemeente was er door het ministerie van VROM op gewezen dat het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland in zijn besluit van 12 juli 1996 goedkeuring had onthouden aan het gedeelte van het bestemmingsplan waarin, via een uitwerkingsbevoegdheid, de mogelijkheid was opgenomen om binnen het agrarisch gebied zogenaamde agrarische bouwblokken aan te wijzen. De regionaal inspecteur VROM regio Oost heeft in een brief van 1 februari 2002 aan B&W zijn standpunt als volgt omschreven:

“(...) Ik constateer dat GS van Gelderland aan enkele onderdelen van het onderhavige bestemmingsplan goedkeuring hebben onthouden in hun besluit van 12 juli 1996. Die onthouding betrof onder meer de passages in artikel 6 over de bouwpercelen van 1,5 ha. Ik constateer ook dat de onthouding op dit onderdeel niet bestreden is door de toenmalige gemeente [woonplaats] bij de Raad van State en ik constateer dat de gemeente Zaltbommel (of de gemeente [woonplaats]) ook geen nieuw besluit heeft genomen over de omvang van de agrarische bouwpercelen. Het voorgaande betekent dat de gemeente op dit moment niet de bevoegdheid heeft om via artikel 11 WRO mee te werken aan de vestiging van een agrarisch bedrijf in het gebied waarvoor het bestemmingsplan buitengebied van de voormalige gemeente [woonplaats] geldt. Als u toch daaraan zou mee willen werken, kan dat alleen door een partieel bestemmingsplan te maken waarin u het GS-besluit van 12 juli 1996 verwerkt of door gebruik te maken van de procedure ex art. 19 WRO.

Ik concludeer dat u naar mijn mening op dit moment niet de bevoegdheid hebt om via artikel 11 WRO mee te werken aan de vestiging van het agrarisch bedrijf aan de [adres]. (...)”

2.9. De gemeente heeft bij brief van 27 oktober 2003 aan Accon haar standpunt terzake medegedeeld:

“(...)

Beslissing.

Wij hebben in principe besloten om de aanvraag om bouwvergunning voor een varkensschuur aan de [adres] te [woonplaats] te weigeren. Gelet op de bijzondere situatie hebben wij daarnaast besloten om een reëel deel van de advieskosten, die de heer [eiser] ter zake vanaf 2 april 2001 heeft gemaakt, voor onze rekening te nemen. Alvorens wij een definitief besluit nemen over de betreffende aanvraag om bouwvergunning, stellen wij u in de gelegenheid uw zienswijze op ons principestandpunt kenbaar te maken. Deze beslissing zullen wij hieronder toelichten.

Historie.

(...)

Voorbereidingsbesluit.

Op 13 september 2001 en 12 september 2002 heeft de gemeenteraad besloten op basis van artikel 21 WRO een voorbereidingsbesluit te nemen voor een gebied dat betrekking heeft op de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Het onderhavige perceel is gelegen binnen het gebied van deze voorbereidingsbesluiten.

De voornoemde besluiten zijn destijds genomen om:

- te voorkomen dat in dit gebied nieuwvestiging van glastuinbouw ontstaat;

- te voorkomen dat nieuwe niet-grondgebonden agrarische bedrijven ontstaan;

- barrières in het vigerende bestemmingsplan “Buitengebied, integrale herziening” die herontwikkeling c.q. verbetering van de omgeving van Waterlinie m.b.t. de cultuurhistorie en de natuurwaarden in de weg staan, weg te nemen.

De gemeenteraad heeft de voorbereidingsbesluiten overigens op verzoek van het ministerie van VROM genomen.

Aangezien artikel 11 WRO ten behoeve van het opnemen van een nieuw agrarisch bouwperceel binnen het gebied van het voorbereidingsbesluit niet toegepast kan worden (zoals hierna is beschreven) en voorts het ministerie van VROM gronden in dit gebied – waarop glastuinbouw zou kunnen worden gerealiseerd – heeft aangekocht, is besloten om geen nieuw voorbereidingsbesluit te nemen. Te meer daar op korte termijn een bestemmingsplan voor dit gebied in procedure wordt gebracht.

Onthouding goedkeuring wijzigingsbevoegdheid ex artikel 11 WRO.

In 2001 heeft een inwoner van de gemeente Zaltbommel een verzoek ingediend om – op basis van het bestemmingsplan “[woonplaats], integrale herziening” door toepassing van artikel 11 WRO – een agrarisch bouwperceel op te nemen.

Ons college heeft besloten geen medewerking te verlenen aan dit verzoek.

Op 14 januari 2002 is ons besluit om geen medewerking te verlenen in de bezwaar- en beroepschriftencommissie van onze gemeente behandeld. In het daaruit volgende advies van de voormelde commissie, is zij tot de conclusie gekomen dat Gedeputeerde Staten in hun besluit van 11 juli 1996 aan artikel 6 , lid 6, sub a van het bestemmingsplan “[woonplaats], integrale herziening” goedkeuring hebben onthouden.

Dit artikel heeft betrekking op de bevoegdheid om door middel van artikel 11 WRO een wijzigingsplan ten behoeve van de opname van een nieuw agrarisch bouwperceel op te stellen. Eén en ander betekent dat ons college de wijzigingsbevoegdheid ex artikel 11 WRO ten behoeve van de opname van nieuwe agrarische bouwpercelen formeel-juridisch niet kan toepassen.

Overigens blijkt uit de motivering van het besluit van Gedeputeerde Staten, dat goedkeuring is onthouden vanwege het feit dat een agrarisch bouwperceel van 1,5 hectare opgenomen zou mogen worden, terwijl (in den lande) een bouwperceel van 1 hectare gebruikelijk is. In de geest van de motivering van het besluit heeft de gemeente in de loop der tijd een aantal wijzigingsplannen op- en vastgesteld voor een agrarisch bouwperceel van 1 hectare. Deze plannen zijn door Gedeputeerde Staten goedgekeurd.

Zoals duidelijk mag zijn, hadden wij de wijzigingsbevoegdheid, als bedoeld in artikel 6, lid 6, sub a van het bestemmingsplan “[woonplaats], integrale herziening”, in het verleden echter niet mogen toepassen. Derhalve heeft ons college besloten om dit ook niet meer te doen. (...)

Volledigheidshalve merken wij op dat de aanvraag om bouwvergunning weliswaar al in 1997 is ingediend, maar dat pas door middel van het advies van de provincie van 30 maart 2001 (het vijfde advies) gebleken is, dat er sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf. Afgezien van het feit dat de wijzigingsbevoegdheid voor het opnemen van nieuwe agrarische bouwpercelen binnen het bestemmingsplan “Buitengebied, integrale herziening” formeel-juridisch nooit toegepast had mogen worden, ontstond op dat moment als het ware pas de juridische basis om aan de aanvraag medewerking te verlenen. Het geldende bestemmingsplan bepaalt ten aanzien van het opnemen van agrarische bouwpercelen immers dat zonder volwaardigheid sowieso geen medewerking kan verleend worden aan de opname van een nieuw agrarisch bouwperceel.

Artikel 19 WRO.

Op basis van artikel 46, lid 3 van de Woningwet dienen wij de aanvraag om bouwvergunning tevens aan te merken als een verzoek om vrijstelling van het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO).

Aangezien uw aanvraag om bouwvergunning is ingekomen op 24 oktober 1997, dienen wij de aanvraag aan te merken als een verzoek om vrijstelling ex artikel 19 WRO, zoals dat voor april 2000 gold. Eén van de formele vereisten voor de toepassing van artikel 19

WRO (oud) is, dat voor het onderhavige perceel een voorbereidingsbesluit geldt, danwel een ontwerpbestemmingsplan ter inzage is gelegd. Zoals eerder deze brief reeds is aangegeven, is het onderhavige perceel thans niet gelegen binnen een voorbereidingsbesluit.

Hoewel op termijn een ontwerpbestemmingpslan ter inzage wordt gelegd, waarin het betreffende perceel is gelegen, is het niet mogelijk om met behulp van dit ontwerpplan een procedure ex artikel 19 WRO (oud) te volgen. Het bestemmingsplan zal – mede gelet op de inhoud van de hieronder beschreven documenten – nieuwe niet-grondgebonden agrarische bedrijven niet toestaan.

Het is niet mogelijk te anticiperen op een ontwerpbestemmingpslan dat nou juist niet- grondgebonden agrarische activiteiten, zoals de gewenste varkenshouderij, wil tegengaan. Indien wij als gemeente al zouden besluiten in casu een procedure ex artikel 19 WRO te volgen, mogen wij er vanuit gaan dat de provincie de benodigde ‘verklaring van geen bezwaar’ niet zal verlenen. Eén en ander wegens strijd met een goede ruimtelijke ordening. Te meer daar nu juist het ministerie van VROM heeft aangedrongen om de waarden binnen het gebied van de Nieuwe Hollandse Waterlinie te beschermen. (...)

Vertrouwensbeginsel.

Bij brief van 6 juli 2001 hebben wij uw voorganger, mr. A.C. Bragt kenbaar gemaakt, dat wij na de zomerperiode een extern bureau opdracht zouden geven om onder andere voor het bedrijf van de heer [eiser], een bestemmingsplan (wijzigingsplan) op te stellen.

Het vertrouwensbeginsel verlangt, dat bestuursorganen gewekt vertrouwen niet mogen beschamen. Wie op goede gronden meende te mogen vertrouwen, dat een bestuursorgaan een bepaald beleid zou voeren en/of een bepaald besluit zou nemen, wordt door het vertrouwensbeginsel beschermd. Dit geldt te meer als de verwachtingen zijn gewekt door een ter zake bevoegd orgaan. Nu kunnen zich na het doen van een bepaalde uitspraak feiten of omstandigheden voordoen, waardoor een op zich gerechtvaardigd vertrouwen niet kan en mag worden gehonoreerd; er is sprake van één of meerdere zogenaamde contra- indicaties. Dergelijke contra-indicaties zijn blijkens constante jurisprudentie, onder meer:

- tegenover de betrokken belangen van anderen staan belangen van anderen, die even legitiem kunnen zijn;

- een andere of gewijzigde opvatting over wat onder algemeen belang kan worden verstaan;

- gewijzigde omstandigheden sinds de gewekte verwachtingen;

gewijzigd beleid sinds de gewekte verwachtingen;

- onterecht gewekt vertrouwen, zoals een onjuiste uitleg van algemeen verbindende voorschriften.

Hoewel de heer [eiser] in beginsel op basis van het vertrouwensbeginsel mocht vertrouwen op een bepaalde handelswijze van ons college ten aanzien van het (laten) opstellen (en in procedure brengen) van een wijzigingsplan, kunnen zich na het doen van een bepaalde toezegging, omstandigheden voordoen, waardoor een op zichzelf gerechtvaardigd vertrouwen niet kan worden gehonoreerd. Hiervan is blijkens vaste jurisprudentie van de Raad van State sprake als een vertrouwen achteraf onterecht is gewekt door een onjuiste uitleg van een algemeen voorschrift.

Wij hebben op basis van de motivering van het goedkeuringsbesluit van gedeputeerde staten inzake het bestemmingsplan “Buitengebied, integrale herziening” geredeneerd, dat binnen de bestemming “Agrarisch gebied” een agrarisch bouwperceel van 1 hectare opgenomen kan worden. Deze redenering is echter onjuist en juridisch niet houdbaar. Door overeenkomstig onze brief van 6 juli 2001 toch een wijzigingsplan op te stellen en dat vervolgens in procedure te brengen, zal gehandeld worden in strijd met een algemeen verbindend voorschrift. Het niet in strijd handelen met een algemeen verbindend voorschrift moet naar onze mening – gelet op het algemene gemeentelijke belang – zwaarder wegen dan het concrete, individuele belang van uw cliënt ter zake.

Te meer daar de planologische uitgangspunten voor het onderhavige gebied sinds onze brief van 6 juli 2001 gewijzigd zijn (zie onder het kopje artikel 19 WRO). Nogmaals wordt opgemerkt, dat de provincie hierdoor een eventueel wijzigingsplan niet zou goedkeuren.

Het vertrouwensbeginsel kan er niet toe strekken, dat het bestuursorgaan aan gewekte verwachtingen dient tegemoet te komen, als dat zou meebrengen, dat de overheid aan het te behartigen algemeen belang in een verhouding tot de belangen van de burger onevenredige schade zou toebrengen. Door alsnog medewerking te verlenen aan de aanvraag van uw cliënt, zou naar onze mening juist wel sprake zijn van een onevenredige schade aan het algemeen belang. Hierbij hebben wij overigens in aanmerking genomen, dat uw cliënt geen ingrijpende investeringen heeft gedaan, die hij achterwege zou hebben gelaten zonder de gedane uitspraak, zoals verwoord in onze brief van 6 juli 2001.

Advieskosten.

Overigens zijn wij in principe bereid om een reëel deel van de advieskosten, die de heer [eiser] ter zake vanaf 2 april 2001 heeft gemaakt, voor onze rekening te nemen. Op die dag hebben wij immers voor het eerst een positief advies van de provincie ontvangen over de volwaardigheid van het varkensbedrijf. Vanaf dat moment werd in beginsel aan de voorwaarden voldaan, die normaliter gelden voor het volgen van een planologische procedure ten behoeve van het realiseren van een varkenshouderij en ontstond als het ware de benodigde juridische basis. Graag ontvangen wij een volledig en gespecificeerd overzicht van de advieskosten, die de heer [eiser] na 2 april 2001 t/m de dag na de verzending van deze brief ter zake heeft moeten maken.

Op basis van dit overzicht zullen wij ter zake een definitieve beslissing nemen.

Overleg.

(...)

Status beslissing.

Gelet op het voorgaande, zijn wij voornemens om de aanvraag om bouwvergunning van uw cliënt te weigeren. Alvorens wij een definitief besluit omtrent de aanvraag om bouwvergunning nemen, stellen wij u in de gelegenheid om binnen vier weken uw zienswijze te geven op dit voornemen. Daarnaast stellen wij u in de gelegenheid om binnen de voornoemde termijn uw aanvraag om bouwvergunning in te trekken, waardoor de door ons te berekenen leges aanzienlijk lager uitvallen dan in het geval dat uw aanvraag formeel geweigerd wordt. (...)”

2.10. Bij besluit van 27 februari 2004 hebben B&W de bouwvergunning geweigerd. De tekst van dit besluit is nagenoeg gelijk aan die van de brief van 27 oktober 2003. Tegen het besluit van 27 februari 2004 heeft [eiser] bezwaar gemaakt, dat bij besluit van 23 juni 2004 ongegrond is verklaard. Hiertegen heeft [eiser] beroep ingesteld. Dit beroep is bij uitspraak van de Rechtbank Arnhem, Sector bestuursrecht, van 12 januari 2005 ongegrond verklaard. Op het daartegen door [eiser] gerichte hoger beroep heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State bij uitspraak van 11 januari 2006 overwogen:

“2.1. Het hoger beroep is uitsluitend gericht tegen de overweging van de rechtbank dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat het college een ruimere financiële compensatie had moeten aanbieden dan het heeft gedaan.

2.1.1. Niet in geschil is dat het college bij besluit van 27 februari 2004 de bouwvergunning terecht heeft geweigerd omdat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, geen toepassing kon worden gegeven aan de in het bestemmingsplan opgenomen wijzigingbevoegdheid, omdat daaraan bij de vaststelling van het plan goedkeuring is onthouden, en geen vrijstelling als bedoeld in artikel 19, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening kon worden verleend omdat aan de formele vereisten voor toepassing van die bevoegdheid niet was voldaan.

2.1.2. In de overwegingen van het besluit van 27 februari 2004 heeft het college aan appellant medegedeeld in principe bereid te zijn een reëel deel van de advieskosten die appellant heeft gemaakt in de periode tussen 2 april 2001 en 28 oktober 2003 aan appellant te vergoeden. Anders dan de rechtbank heeft aangenomen vormt deze mededeling geen onderdeel van de overwegingen die hebben geleid tot de weigering van de bouwvergunning. (...)

2.1.3. De mededeling van het college omtrent de schadevergoeding kan voorts op zichzelf bezien niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Aan de mededeling ligt geen verzoek om schadevergoeding ten grondslag. Ook het college heeft, blijkens het verhandelde ter zitting alsook gelet op de bewoordingen van de mededeling, daarmee niet beoogd een definitief besluit omtrent de schadevergoeding te nemen. Gelet op het bepaalde in artikel 7:1, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 8:1, eerste lid, van de Awb kon tegen deze mededeling dan ook geen bezwaar worden gemaakt noch beroep worden ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft dit miskend.

2.2. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, voor zover daarbij in stand is gelaten het gedeelte van de beslissing op bezwaar van 23 juni 2004 waarbij is beslist op de bezwaren van appellant met betrekking tot de schadevergoeding. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het door appellant bij de rechtbank ingestelde beroep alsnog gegrond verklaren, de beslissing op bezwaar van 23 juni 2004 vernietigen, voor zover daarbij op de bezwaren van appellant met betrekking tot de schadevergoeding is beslist en het door appellant ingediende bezwaarschrift van 29 april 2004 alsnog niet-ontvankelijk verklaren, voor zover het is gericht tegen de in het besluit van 27 februari 2004 vervatte mededeling van het college met betrekking tot de schadevergoeding.”

3. Het geschil

3.1. [eiser] heeft – samengevat - een verklaring voor recht gevorderd dat de onjuiste informatie een onrechtmatige daad van de gemeente Zaltbommel oplevert ten opzichte van [eiser] en een veroordeling tot betaling van € 84.526,68 aan schadevergoeding met rente. Hij heeft aan zijn vordering kort gezegd het volgende ten grondslag gelegd. Vanaf medio 1997 tot 31 januari 2002 heeft de gemeente hem onjuiste informatie verstrekt met betrekking tot de mogelijkheid een agrarisch bedrijf te stichten op het perceel, te weten dat dit mogelijk was via toepassing van de binnenplanse wijzigingsbevoegdheid en dat in het geval van [eiser] toepassing zou worden gegeven aan deze wijzigingsbevoegdheid. Deze onjuiste inlichtingen zijn tegenover hem onrechtmatig. De gemeente heeft erkend dat zij een fout heeft gemaakt, zo stelt [eiser]. [eiser] is van mening dat de gemeente alle advieskosten die hij in het gehele traject heeft gemaakt, aan hem dient te vergoeden. Die schade bedraagt in totaal € 84.526,68.

3.2. De gemeente heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Zij heeft betwist dat zij onrechtmatig heeft gehandeld, betwist dat zij onrechtmatig handelen zou hebben erkend en zij heeft de schade betwist. Op het verweer van de gemeente zal hierna voorzover nodig nader worden ingegaan.

4. De beoordeling

Onrechtmatig handelen

4.1. Vooropgesteld moet worden dat [eiser] niet heeft gevorderd dat de gemeente hem de gederfde winst of de vertragingsschade vergoedt die hij lijdt doordat hij (nog) geen varkenshouderij heeft kunnen realiseren. [eiser] heeft vergoeding gevorderd van de (advies)kosten die hij voor het realiseren van die varkensstal heeft moeten maken en stelt, althans zo begrijpt de rechtbank hem, dat de gemeente hem een procedure heeft ingestuurd en het vertrouwen heeft gewekt dat die tot verwezenlijking van zijn doel zou (kunnen) leiden, terwijl die procedure in feite tot niets kon leiden en ook tot niets heeft geleid. Daardoor heeft de gemeente hem nodeloos kosten laten maken.

4.2. [eiser] wordt niet gevolgd in zijn stelling dat de gemeente hem ten onrechte (en dus onrechtmatig) heeft medegedeeld dat in zijn geval toepassing zou worden gegeven aan de binnenplanse wijzigingsbevoegdheid. Een dergelijke mededeling is niet vervat in de brieven van 6 november 1997 en 20 januari 1998, terwijl zij ook niet volgt uit hetgeen [eiser] bij dagvaarding over zijn gesprekken medio 1997 met de ambtenaar [betrokkene] heeft gesteld (te weten dat deze hem toen heeft gezegd dat B&W in vergelijkbare gevallen gebruik hadden gemaakt van hun binnenplanse wijzigingsbevoegdheid en dat zij dit in het geval van [eiser] – naar alle waarschijnlijkheid – ook zouden doen).

4.3. [eiser] wordt wel gevolgd in zijn stelling dat de mededelingen van de gemeente dat een binnenplanse wijziging mógelijk is en de aangewezen weg is, jegens hem onrechtmatig zijn geweest. Het gaat hier om een mededeling van een gemeente aan een burger over de te volgen weg die tot een bouwvergunning zou kunnen leiden en die, naar de gemeente weet, voor die burger kosten meebrengt. De mededeling is onjuist omdat deze weg niet tot een bouwvergunning kan leiden, nu de gemeente niet over de daarvoor vereiste “formeel-juridische” (in de woorden van de gemeente) bevoegdheid beschikt. Daarmee heeft de gemeente onjuiste mededelingen gedaan over het recht, te weten over het bestaan van haar eigen “formeel-juridische” bevoegdheden. Dat moet als onrechtmatig worden aangemerkt, zeker nu bij uitstek de gemeente op de hoogte zou moeten zijn van en zou dienen te handelen naar haar bevoegdheden of het ontbreken daarvan.

4.4. De gemeente heeft betoogd dat ondernemers niet zonder meer mogen afgaan op de van de zijde van de gemeente verstrekte informatie omdat zij er bekend mee moeten zijn dat voor bepaalde activiteiten vergunningen zijn vereist, dat vergunningbesluiten openstaan voor bezwaar en beroep en dat er in de relevante regelgeving wijzigingen kunnen optreden en dat zij zich terzake dus goed dienen te laten voorlichten. Voorzover de gemeente hieraan de conclusie verbindt dat zij niet onrechtmatig heeft gehandeld, wordt dit verworpen. De onderzoeksplicht van [eiser] strekte in dit geval niet zo ver dat hij had te verifiëren of de gemeente wel over de gemeentelijke bevoegdheid beschikte die zij zelf stelde te hebben. Bovendien strookt dit betoog, dat eerst bij conclusie van antwoord is gevoerd, niet met de erkenning in de brief van 27 oktober 2003 dat [eiser] op de mededelingen van de gemeente mocht vertrouwen.

4.5. Het beroep op de formele rechtskracht van het besluit van 27 februari 2004 wordt eveneens verworpen. De mededeling van de gemeente dat een bouwvergunning slechts mogelijk zou zijn indien het perceel via een artikel 11 WRO-procedure de bestemming agrarisch bouwblok zou krijgen is onafhankelijk van de inhoud van de beschikking van 27 februari 2004 onrechtmatig. In het licht van het feit dat [eiser] de beschikking van 27 februari 2004 in ieder geval qua inhoud en resultaat als juist erkent, valt niet in te zien welke bestuursrechtelijke rechtsgang [eiser] had moeten volgen om de onrechtmatigheid van die mededeling te doen vaststellen. De gemeente heeft daarover ook niets gesteld. Het verwijt van [eiser] ziet er niet zozeer op dat de gemeente de bouwvergunning heeft geweigerd, maar daarop dat zij [eiser] een weg heeft doen inslaan die, naar zij wist of had moeten weten, niet tot het door hem beoogde resultaat kon leiden. Dát verwijt valt aan de gemeente zelfstandig te maken. Of die mededeling al dan niet moet worden gekwalificeerd als een voorbereidingshandeling in de zin van artikel 6:3 Awb is in dat verband niet doorslaggevend.

4.6. De gemeente heeft bovendien bij haar brief van 27 oktober 2003, herhaald in het besluit van 27 februari 2004, te kennen gegeven dat zij ten onrechte aan [eiser] had medegedeeld dat het college beschikte over de wijzigingsbevoegdheid van artikel 11 WRO. Zij heeft daarbij ook te kennen gegeven dat [eiser] op die mededeling gerechtvaardigd heeft mogen vertrouwen, maar dat dit vertrouwen niet tot een andersluidend besluit (namelijk verlening van de bouwvergunning) kon leiden. Tenslotte heeft de gemeente de principebereidheid uitgesproken een reëel deel van de advieskosten vanaf 2 april 2001 aan [eiser] te vergoeden. Uit deze uitlatingen van de gemeente mocht [eiser] afleiden dat de gemeente de onrechtmatigheid van de mededeling dat een artikel 11 WRO-procedure kon worden gevolgd erkende, zodat het voeren van een administratiefrechtelijke rechtsgang ter vaststelling daarvan niet meer aan de orde was en het dus in de rede zou liggen een uitzondering op de formele rechtskracht, zo daarvan al sprake zou zijn, aan te nemen.

4.7. De gemeente heeft nog aangevoerd dat zij op grond van lid 3 van de overeenkomst van 17 november 1997 niet gehouden is tot schadevergoeding. Lid 3 van de bedoelde overeenkomst bepaalt: “de beslissing welke vanwege het bevoegd orgaan voortvloeit uit het onder 1. genoemde advies, zal geen aanleiding geven tot het instellen van enigerlei vordering tot schadeloosstelling en zal voor de gemeente [woonplaats] geen verplichting inhouden tot terugbetaling van de kosten genoemd onder 2.”

Bij beantwoording van de vraag of de door [eiser] ingestelde vordering wordt bestreken door de in lid 3 van deze overeenkomst vervatte exoneratie, komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepaling mogen toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (HR 13 maart 1981, NJ 1981,635). Bij de totstandkoming van deze overeenkomst gingen beide partijen ervan uit dat voor realisering van de bouwplannen van [eiser] een binnenplanse wijziging nodig was, waarvoor een advies van de provincie vereist was. De overeenkomst mocht door [eiser] aldus worden begrepen dat de gemeente zich daarin exonereerde voor het geval de provincie negatief zou adviseren en daardoor geen bouwvergunning zou kunnen worden verleend. Deze situatie is echter niet aan de orde. Het feit dat geen bouwvergunning is verleend is niet zozeer het gevolg van de adviezen van de provincie, doch van het feit dat de gemeente niet over de bevoegdheid tot wijziging van het bestemmingsplan ingevolge artikel 11 WRO beschikte. Daarop ziet deze overeenkomst niet. Dit verweer wordt dus verworpen.

4.8. De conclusie van het voorgaande is dat de gemeente in beginsel de schade dient te vergoeden die [eiser] door de onrechtmatige inlichtingen heeft geleden.

4.9. Partijen discussiëren verder over de vraag wanneer de gemeente voor het eerst aan [eiser] heeft medegedeeld dat een binnenplanse wijziging van het bestemmingsplan nodig was. De gemeente heeft erkend dat zij in de hierboven (rechtsoverwegingen 2.3 en 2.5.) geciteerde correspondentie de gewraakte mededelingen heeft gedaan. [eiser] heeft daarnaast bij dagvaarding gesteld dat de ambtenaar [betrokkene] medio 1997 aan hem heeft medegedeeld dat, kort gezegd, een artikel 11 WRO-procedure zou dienen te worden gevolgd. Bij conclusie van antwoord heeft de gemeente op dit punt aangevoerd dat de gemeente voor het eerst in haar brief van 6 november 1997 heeft aangegeven dat voor het bouwplan van [eiser] een agrarisch bouwblok is vereist en daarnaast betoogd dat het haar onwaarschijnlijk voorkomt dat [betrokkene] aan [eiser] zou hebben aangegeven dat het college in dit geval gebruik zou maken van de hem toekomende uitwerkingsbevoegdheid. Ter comparitie heeft [eiser] hierover verklaard dat hij in 1997, voor de aanvraag van de bouwvergunning, wel vier of vijf keer op het stadhuis is geweest en gesproken heeft met [betrokkene] en ook met de burgermeester zelf en dat zij hem telkens hebben gezegd dat hij kon bouwen op de [adres] als hij positief advies zou hebben. De vertegenwoordiger van de gemeente heeft daarover verklaard dat hij niet weet hoe dat is gegaan en dat [betrokkene] nog wel bij de gemeente werkt maar dat hij hem daar niet naar heeft gevraagd. Dat [eiser] medio 1997 met [betrokkene] heeft gesproken, heeft de gemeente dus noch bij conclusie van antwoord noch ter comparitie betwist. De gemeente heeft de stelling van [eiser], dat [betrokkene] hem al medio 1997 had gezegd dat in andere gevallen gebruik was gemaakt van de binnenplanse wijzigingsbevoegheid en dat dat in zijn geval ook zou kunnen, daarmee onvoldoende betwist. De gemeente heeft weliswaar gesteld dat het haar onwaarschijnlijk voorkomt dat [betrokkene] aan [eiser] zou hebben gezegd dat het college in zijn geval gebruik zou maken van zijn wijzigingsbevoegdheid, maar daar gaat het hier niet om. Het gaat om de vraag of [eiser] van [betrokkene] heeft vernomen dat dit mogelijk was. Dat het overleg tussen [betrokkene] en [eiser] mogelijk zou kunnen worden gekwalificeerd als vooroverleg doet aan de onrechtmatigheid van die mededeling niet af.

4.10. Er zal dus vanuit worden gegaan dat [eiser] medio 1997 van de kant van de gemeente heeft vernomen dat voor het realiseren van de varkensstal een wijziging op grond van artikel 11 WRO diende plaats te vinden, zodat de onrechtmatige daad van de gemeente medio 1997 een aanvang heeft genomen.

4.11. Het voorgaande betekent echter niet zonder meer dat de gemeente álle (advies)kosten die [eiser] in het gehele traject heeft gemaakt, aan hem dient te vergoeden.

4.12. De gemeente heeft ter comparitie aangevoerd dat als al in het begin, dus in 1997, duidelijk was geweest dat de artikel 11 WRO-procedure niet de aangewezen weg was, [eiser] dan de artikel 19 WRO-procedure had gevolgd. Daarmee heeft zij kennelijk willen betogen dat [eiser] dan óók kosten had gemaakt, zodat de thans gemaakte kosten niet het gevolg zijn van haar onrechtmatige mededelingen. [eiser] heeft daarop ter comparitie geantwoord dat de provincie ook destijds (in 1997) aan een artikel 19 WRO-procedure geen medewerking zou hebben verleend. Wat er ook zij van deze discussie: ook als men ervan uitgaat dat [eiser] in 1997 bij een juiste voorstelling van zaken zou hebben getracht zijn doel te bereiken door middel van een artikel 19 WRO-procedure of anderszins, en dat hij daarvoor ook kosten zou hebben gemaakt, dan nog stuit de vordering daarop niet af. Het enkele feit dat een op onrechtmatige wijze toegebracht nadeel eveneens op een andere wijze toegebracht had kunnen worden, die niet onrechtmatig geweest zou zijn, brengt immers nog niet mee dat dit nadeel niet meer kan gelden als te zijn veroorzaakt door de onrechtmatige gedraging die zich in werkelijkheid heeft voorgedaan (zie HR 28 juni 1985, NJ 1986, 356).

4.13. De gemeente heeft eveneens ter comparitie aangevoerd dat niet vast staat dat, als zij wél over de binnenplanse wijzigingsbevoegdheid had beschikt, de provincie aan die wijziging haar goedkeuring had gegeven. Ook dit verweer wordt verworpen. Het oorzakelijk verband tussen het onrechtmatig handelen van de gemeente en de schade wordt niet verbroken doordat zich naderhand feiten hebben voorgedaan die eveneens tot een zodanige schade zouden hebben geleid, indien de gemeente haar mededelingen wel gestand had kunnen doen. Daarbij is zonder belang of bij een zodanige gestanddoening de gang van zaken terzake van de uiteindelijk geweigerde bouwvergunning tot eenzelfde uitkomst zou hebben geleid als nu het geval geweest is (zie HR 23 juni 1989, NJ 1990, 441).

4.14. Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot het volgende. De kosten die [eiser] heeft gemaakt vanaf het begin van het traject tot 31 januari 2002, het moment waarop de gemeente hem heeft medegedeeld dat er belemmeringen van juridische aard waren, komen in beginsel als gevolg van de onrechtmatige daad voor rekening van de gemeente, behoudens voorzover deze niet meer aan de gemeente dienen te worden toegerekend in de zin van artikel 6:98 BW of voorzover toepassing dient te worden gegeven aan artikel 6:101 BW.

4.15. Anders dan de gemeente heeft aangevoerd, dienen de kosten voor het aanvragen van de bouwvergunning, oprichtingsvergunning in het kader van de Wet milieubeheer en uitbreidingsvergunning in het kader van de Wet milieubeheer aan haar te worden toegerekend in de zin van artikel 6:98 BW. Het moge zo zijn dat [eiser] ervoor heeft gekozen in een relatief vroeg stadium een bouw- en milieuvergunning aan te vragen, terwijl anderen dat pas doen als de binnenplanse wijziging rond is, dat noopt nog niet tot de conclusie dat de keuze van [eiser] die vergunningen al in oktober 1997 respectievelijk 1998/1999 aan te vragen, in een te ver verwijderd verband staat met het handelen van de gemeente. Integendeel, uit bijvoorbeeld de brief van de provincie aan de gemeente van 7 april 1998, houdende het eerste negatieve advies terzake van het bedrijfsplan van [eiser], blijkt dat de provincie van oordeel is dat het bouwplan mist aan concreetheid, “behoudens de aanvragen om milieu- en bouwvergunningen”. Die aanvragen hebben dus in positieve zin bijgedragen aan de uiteindelijke totstandkoming van het positieve advies van de provincie. Zie ook het advies van de provincie van 5 juli 1999, waarin zij overweegt “dat de mogelijkheid tot volledige vergunningverlening wel van groot belang is voor het mede bepalen van de realiteit en haalbaarheid van het verzoek”. [eiser] heeft dus in redelijkheid kunnen besluiten die vergunningen al in die periode aan te vragen. De kosten voor het aanvragen van die vergunningen zijn vergeefs gemaakt. Voor de gemeente was ook voorzienbaar dat [eiser] dergelijke kosten zou maken. Deze kosten staan dan ook in voldoende direct verband met de onrechtmatige daad van de gemeente om als gevolg daarvan aan de gemeente te kunnen worden toegerekend. Het enkele feit dat [eiser] de bouwvergunning ook in een later stadium had kunnen aanvragen, is om dezelfde redenen evenmin een omstandigheid die aan [eiser] kan worden toegerekend in de zin van artikel 6:101 BW.

4.16. De gemeente heeft voorts aangevoerd dat [eiser] vier maal een onvoldragen plan aan de provincie heeft voorgelegd en dat deze wijze van handelen voor zijn eigen rekening dient te komen. Hij is zelf verantwoordelijk voor zijn bedrijfsplan, zo heeft de gemeente gesteld onder verwijzing naar de artikelen 6:98 BW en 6:101 BW. Indien een bedrijfsplan gebreken vertoont dient dat voor risico van de ondernemer te blijven.

4.17. Uit de door de gemeente in het geding gebrachte adviezen van de provincie volgt inderdaad dat de provincie telkenmale negatief heeft geadviseerd omdat zij van oordeel was dat het bedrijfsplan van [eiser] nog onvoldragen was.

In het advies van 7 april 1998 is de provincie van mening dat nog niet wordt beschikt over voldoende opleiding en/of ervaring met betrekking tot het houden van vleesvarkens, wijst zij erop dat er nog geen gesprekken over de financiering hebben plaatsgevonden en dat er nog geen bedrijfsplan is, dat nog onzeker is of de gevraagde vergunningen zullen worden verleend en dat er al met al sprake is van een onvoldragen plan. Daarbij merkt de provincie nog op dat beide ondernemers (eiser en zijn zoon D.A. [eiser]) nog geheel niet zijn ingespeeld op de toekomstige bedrijfssituatie en dat geen sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf (het heeft een arbeidsbehoefte van 0,8 volwaardige arbeidskracht).

In het advies van 6 november 1998 heeft de provincie andermaal negatief geadviseerd omdat nog immer geen sprake was van een volwaardig bedrijf met een bedrijfsomvang van minimaal één volwaardige arbeidskracht. Verder wees zij erop dat geen bewijsstukken waren overgelegd waaruit onder andere blijkt dat de commanditaire vennootschap is opgericht en/of een akkoordverklaring van een kredietverlener.

In het advies van 5 juli 1999 is de provincie tot de conclusie gekomen dat nu wel sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf maar dat het bouwplan nog steeds voldoende realiteitswaarde miste, waarbij zij overwoog dat het haar nog steeds ontbrak aan bewijsstukken van de commanditaire vennootschap en een akkoordverklaring van een kredietverlener.

In het advies van 26 april 2000 was de provincie nog steeds van mening dat het plan onvoldoende realiteitswaarde had, ondanks het onherroepelijk zijn van de milieuvergunning en de instemming met de financiering door de Rabobank. De provincie wees er daarbij met name op dat nog niet duidelijk was welke rechtsvorm zou worden gekozen, dat er nog geen varkensrechten waren aangekocht en dat zij niet overtuigd was van de kennis en ervaring van [eiser] en zijn zoon.

Nadat [eiser] aan zijn bedrijf een vennoot met ervaring in de varkenshouderij had toegevoegd, adviseerde de provincie uiteindelijk op 20 maart 2001 in positieve zin.

4.18. De rechtbank ziet niet waarom hieruit zou volgen dat op grond van artikel 6:98 BW en 6:101 BW in het geheel geen vergoeding voor de kosten van het opstellen van het bedrijfsplan verschuldigd zou zijn. Voor het voor rekening van [eiser] laten van kosten bestaat aanleiding voorzover deze in een te ver verwijderd verband staan met het onrechtmatig handelen van de gemeente (6:98 BW) of voor zover zij mede een gevolg zijn van een omstandigheid die aan [eiser] kan worden toegerekend (6:101 BW). Dat [eiser] voor het bedrijfsplan kosten zou maken was voor de gemeente alleszins voorzienbaar toen zij hem mededeelde dat voor een binnenplanse wijziging vereist was dat de provincie goedkeuring aan zijn bedrijfsplan zou verlenen. De gemeente heeft weliswaar gesteld dat de “salamitechniek” waarmee het bedrijfsplan tot stand is gekomen heeft geleid tot vertraging, maar dat wil op zichzelf nog niet zeggen dat de daarmee gepaard gaande kosten ook buitenproportioneel zijn geweest. Over de hoogte van die kosten heeft de gemeente niets gesteld; de gemeente heeft zich beperkt tot de stelling dat álle kosten voor rekening van [eiser] dienen te blijven. Daarin wordt de gemeente niet gevolgd. Er zou wellicht aanleiding kunnen bestaan een deel van die kosten voor rekening van [eiser] te laten indien zijn “salamigewijze” aanpak van het bedrijfsplan tot buitenproportionele kosten heeft geleid, maar nu de gemeente niet heeft geconcretiseerd waar naar haar inzicht de overbodige kosten zijn gemaakt, wordt dit verweer verworpen. Daarbij wordt opgemerkt dat uit de adviezen van de provincie blijkt dat zij op vrij gedetailleerde wijze erop heeft toegezien dat sprake was van een voldragen bedrijfsplan. Gezien de eisen die de provincie kennelijk aan het bedrijfsplan stelde, ligt voor de hand dat [eiser] daarvoor sowieso (ook indien hij direct over een voldragen bedrijfsplan had beschikt) substantiële kosten had moeten maken. Het beroep op artikel 6:98 en 6:101 BW wordt dus verworpen.

4.19. De kosten die [eiser] tussen 2 april 2001 en 31 januari 2002 heeft gemaakt dienen als gevolg van de onrechtmatige daad aan de gemeente te worden toegerekend. De gemeente heeft terecht aangevoerd dat op 31 januari 2002 haar onrechtmatige daad heeft beëindigd, in die zin dat zij op die datum aan [eiser] heeft medegedeeld dat een artikel 11 WRO-procedure niet mogelijk was. Dat wil overigens niet per se zeggen dat niets van de kosten die daarna zijn gevallen als gevolg van de onrechtmatige daad aan de gemeente kunnen worden toegerekend. [eiser] zal wel nader hebben toe te lichten waarom de nadien gevallen kosten niet voor zijn eigen rekening dienen te blijven.

4.20. De gemeente heeft terecht aangevoerd dat de kosten die [eiser] heeft moeten maken in het kader van de bewaar- en beroepprocedure tegen het besluit van 27 februari 2004 onder de regeling van artikel 7:15 Awb en 8:73 Awb vallen. Die kosten zijn niet toewijsbaar.

Facturen Accon

4.21. Op grond van het hiervoor overwogene komen de facturen van Accon tot en met die van 21 april 2002 voor toewijzing in aanmerking, aangenomen dat deze facturen zien op werkzaamheden in verband met het bouwplan op het perceel. De factuur van 21 april 2002 ziet immers op de periode tot en met 31 maart 2002. Nu de gemeente op 31 januari 2002 aan [eiser] heeft medegedeeld dat er juridische belemmeringen waren gerezen, moeten de werkzaamheden tot en met deze factuur in redelijkheid nog als het gevolg van de onrechtmatige daad van de gemeente worden beschouwd. Van [eiser] wordt wel verwacht dat hij nader specificeert op welke werkzaamheden deze facturen zien, nu dat uit de facturen zelf niet voldoende blijkt. Met name dient [eiser] aan te geven of Accon ook andere, niet aan het bouwplan gerelateerde, werkzaamheden voor hem verrichtte.

4.22. Voor wat betreft de (door de gemeente genummerde) facturen 14 tot en met 24 en de factuur van Hendrix zal [eiser] eveneens dienen aan te geven waarop zij zien, en waarom zij nog als gevolg van de onrechtmatige daad aan de gemeente zouden dienen te worden toegerekend. Daarbij zal [eiser] ook hebben te specificeren of en zo ja, tot welk bedrag, de facturen zien op werkzaamheden in het kader van de bezwaar- en beroepprocedure. Tevens dient [eiser] aan te geven in hoeverre die werkzaamheden zien op de in 2004 aangevraagde revisievergunning.

4.23. Een aantal facturen van Accon zijn gericht aan [eiser] Montage B.V. Ter comparitie heeft [eiser] hierover verklaard dat die zijn geadministreerd in de boekhouding van het bedrijf van zijn zoon als een lening aan [eiser]. [eiser] zal dit standpunt nader met (bewijs)stukken dienen te onderbouwen, zoals bijvoorbeeld betalingsbewijzen ten aanzien van aflossingen of rentevergoedingen ten aanzien van die gestelde leningen.

Facturen [betrokkene 2]

4.24. De aanvraag bouwvergunning is ingediend op 24 oktober 1997. Gezien de datum van facturering is zonder nadere toelichting, ondanks de omschrijving op de facturen, niet duidelijk dat de facturen van [betrokkene 2] met nummers 002857, 003887, 003891 en 003962, zien op die bouwaanvraag en de later (in 1998/1999) verkregen milieuvergunningen. Daarover heeft [eiser] ter comparitie verklaard dat sprake was van een betalingsregeling. [eiser] zal die toelichting nader mogen onderbouwen. Hij zal daarbij dienen aan te geven waar die facturen op zien en in hoeverre die facturen zien op de in 2004 aangevraagde revisievergunning.

Factuur [betrokkene 3]

4.25. De factuur van [betrokkene 3] is niet aan [eiser] gericht, maar aan [betrokkene 2]. [eiser] zal nader moeten onderbouwen hoe deze factuur voor zijn rekening is gekomen, waarbij hij zal dienen in te gaan op de vraag of deze niet in de rekeningen van [betrokkene 2] aan [eiser] begrepen zit.

4.26. De zaak zal naar de rol worden verwezen voor akte aan de zijde van [eiser], waarbij hij zich over de hierboven genoemde punten zal kunnen uitlaten. De gemeente zal daarop bij akte mogen reageren. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5. De beslissing

De rechtbank

3.2. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 27 februari 2008 voor het nemen van een akte door [eiser] over hetgeen is vermeld onder de rechtsoverwegingen 4.21 en verder,

3.3. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.E.B. ter Heide en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2008.