Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BC3310

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
21-01-2008
Datum publicatie
01-02-2008
Zaaknummer
AWB 07/2874 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ambtenaar pleegt ernstig plichtsverzuim door misbruik te maken van het tijdregistratiesysteem. Geslaagd beroep op gelijkheidsbeginsel. Straf van onvoorwaardelijk ontslag is onevenredig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

Registratienummer: AWB 07/2874 AW

Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[A], eiser,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. S. van Steenwijk,

en

de Staatssecretaris van Financiën, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 1 juni 2007.

2. Procesverloop

In een besluit van 19 september 2006 heeft verweerder eiser per 21 september 2006 op grond van artikel 81, eerste lid, aanhef en onder l, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) de straf van ontslag wegens zeer ernstig plichtsverzuim opgelegd.

In het onder 1 genoemde besluit heeft verweerder het ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 19 september 2006 gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld op de zitting van de rechtbank van 6 december 2007. Eiser is daar verschenen, bijgestaan door mr. N. Strikwerda, advocaat in Utrecht. Verweerder is daar vertegenwoordigd door mr. B.E. Lamberti, [X] en [Y], werkzaam bij het Ministerie van Financiën.

3. Overwegingen

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde op de zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser is in 1981 bij de Belastingdienst aangesteld. In eerste instantie bij de Belastingdienst/Ondernemingen Amsterdam en na 1 juli 2000 bij de Belastingdienst/Ondernemingen Amersfoort in de functie van veldtoetser, groepsfunctie E.

Bij de Belastingdienst wordt het SAP-tijdwerkregistratiesysteem gehanteerd. In dit urenverantwoordingsysteem moeten de medewerkers aan de hand van dossiernummers hun gewerkte tijd verantwoorden. Voorts wordt een individuele jaarplanning gemaakt, welke voor eiser in 2005 inhield dat 80 uren in dat jaar aan indirect bestede uren, zoals personeelsontwikkeling en werkoverleg mochten worden afgeboekt. De overige gewerkte uren moeten worden afgeboekt op het dossiernummer van de zaak waaraan de tijd is besteed.

Bij gelegenheid van het invoeren van een nieuw registratiebestand dat de in behandeling zijnde dossiers koppelt aan het SAP-systeem, werd in januari 2006 ontdekt dat eiser tijd had verantwoord aan de hand van een fictief dossiernummer.

Eisers leidinggevende heeft vervolgens hem in de gelegenheid gesteld schriftelijk zijn SAP-registratie over de periode van 2 januari 2006 tot en met 20 januari 2006 uiteen te zetten. Ook heeft eisers leidinggevende in verschillende gesprekken om opheldering gevraagd.

Onder meer uit de brief van eiser van 3 maart 2006 komt naar voren dat eiser in de periode van 19 januari 2005 tot en met 18 januari 2006 582 uur heeft afgeboekt op het fictieve dossiernummer 5400001. Eiser kon hiervan 465 uur niet verantwoorden. Hij wijt zijn gedrag aan privéproblemen.

Verweerder heeft vervolgens een disciplinair onderzoek ingesteld en eiser op 6 maart 2006 op grond van artikel 77, eerste lid, van het ARAR de toegang tot het werk ontzegd.

Na afronding van het onderzoek heeft verweerder eiser in een brief van 15 maart 2006 meegedeeld dat hij het vermoeden heeft dat eiser ernstig plichtsverzuim heeft gepleegd door in de periode van 19 januari 2005 tot en met 18 januari 2006 structureel gebruik te maken van een fictief dossiernummer en hiermee zijn leidinggevende onjuist heeft geïnformeerd.

Eiser heeft hierop erkend dat hij heeft gefraudeerd met de registratie in SAP en aangegeven dat dit voort komt uit psychische privéproblemen.

Vervolgens heeft verweerder in een brief van 19 mei 2006 meegedeeld dat hij het voornemen heeft eiser op grond van artikel 80, eerste en tweede lid, en artikel 81, eerste lid, aanhef en onder l, van het ARAR de disciplinaire straf van ontslag op te leggen wegens ernstig plichtsverzuim.

In een tweede brief van 19 mei 2006 heeft verweerder eiser per 21 mei 2006 in het belang van het onderzoek op grond van artikel 91 van het ARAR geschorst en op grond van artikel 92, eerste lid, van die wet bepaald dat tijdens de eerste zes weken van de schorsing een derde deel en daarna de gehele bezoldiging wordt ingehouden.

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de schorsing en het inhouden van zijn bezoldiging.

Eiser heeft vervolgens in een brief van 12 juni 2006 zijn zienswijze op de brieven van 19 mei 2006 uiteengezet. Op 13 juli 2006 heeft eiser deze zienswijze mondeling toegelicht.

Verweerder heeft in het onder 2 genoemde besluit van 19 september 2006 eiser de straf van ontslag opgelegd.

Ook tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.

Verweerder heeft in een besluit van 23 februari 2007 het bezwaar tegen de schorsing en de inhouding van de bezoldiging ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen dit besluit geen beroep ingesteld.

Verweerder heeft in het bestreden besluit het bezwaar tegen het strafontslag ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat verweerder meent dat eiser een zeer ernstig plichtsverzuim heeft gepleegd door met gebruik van een fictief dossiernummer structureel en veelvuldig tijd af te boeken in het SAP-tijdwerkregistratiesysteem en zich uren heeft toegeëigend die hij niet heeft gewerkt. Het gaat hierbij om een lange periode, waarin verweerder structureel financieel is benadeeld. Voorts is sprake van schending van vertrouwen, waarbij meespeelt dat eiser veelvuldig buiten het blikveld van verweerder werkt.

Eiser kan zich hiermee niet verenigen en heeft zich op het standpunt gesteld dat hij een groot deel van de uren waar het nu nog om gaat wel productief is geweest, maar door zijn psychisch onwel bevinden, onder meer leidend tot ongeïnteresseerdheid en inactiviteit, niet meer kan herleiden over deze lange tijd terug wat hij precies heeft gedaan. Voorts wijst hij op twee vergelijkbare gevallen waarin geen disciplinaire straf is gevolgd. Naar zijn oordeel is hij mede gelet op zijn lange staat van dienst veel te zwaar gestraft. Verweerder had een nader psychisch onderzoek niet achterwege kunnen laten.

De rechtbank moet beoordelen of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

Op grond van artikel 80, eerste lid, van het ARAR kan de ambtenaar, die zich aan plichtsverzuim schuldig maakt, disciplinair worden gestraft. Op grond van het tweede lid van dit artikel omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets wat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen. Op grond van artikel 81, eerste lid, aanhef en onder l, van het ARAR kan de disciplinaire straf van ontslag worden opgelegd.

Uit de talrijke verklaringen die eiser in het kader van het onderzoek heeft afgelegd, waaronder die van 3 maart 2006, is duidelijk geworden dat eiser in de periode van 19 januari 2005 tot en met 18 januari 2006 582 uren heeft afgeboekt op een fictief dossiernummer. Over 465 uur heeft eiser geen uitsluitsel kunnen bieden. Hiermee staat voor de rechtbank voldoende vast dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig misbruik van het tijdregistratiesysteem. Verweerder heeft terecht vastgesteld dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim en was daarom bevoegd eiser disciplinair te straffen.

Vervolgens dient eisers verweer dat hij ten tijde van het plegen van het plichtsverzuim niet toerekenbaar handelde te worden beoordeeld.

De rechtbank overweegt dat uit de brief van drs. J. Venus, eisers psychotherapeut, van 31 maart 2006 weliswaar blijkt dat eiser lijdt aan een dysthyme stoornis en privéproblemen heeft, maar dat hieruit niet kan worden afgeleid dat het plichtsverzuim, inhoudende het niet goed wegschrijven van uren, eiser niet kan worden aangerekend. Eiser heeft immers wel een urenadministratie bijgehouden, waarmee hij blijk heeft gegeven zich bewust te zijn van de verplichting daartoe. Hij heeft een en ander echter onvoldoende zorgvuldig gedaan. De rechtbank deelt het standpunt van verweerder dat dienaangaande geen nader onderzoek hoefde plaats te vinden.

De vraag die vervolgens beantwoord moet worden is of de opgelegde straf niet onevenredig is aan de aard en omvang van het plichtsverzuim.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

De rechtbank deelt het oordeel van verweerder dat het hier gaat om een ernstig plichtsverzuim en dat gelet op het groot aantal onjuist weggeschreven uren het vertrouwen in eiser in ernstige mate is geschonden. Hier staat echter tegenover de lange staat van dienst van eiser, waarbij de rechtbank niet is gebleken dat voor het jaar 2005 sprake is geweest van disfunctioneren. Voorts is er sprake van het overtreden van regels die primair op de interne organisatie betrekking hebben. Naar het oordeel van de rechtbank is de integriteit van het ambtenarenkorps tegenover de buitenwacht hier niet in het geding. Volgens eiser was het binnen zijn eenheid niet ongebruikelijk een fictief dossiernummer voor niet aan een dossier te koppelen uren te gebruiken. Verweerder stelt in het bestreden besluit, dat bij navraag bij de eenheid waar eiser werkte niet is gebleken van een gebruik van het SAP-systeem zoals door eiser is gedaan. Aan de rechtbank is in de procedure in beroep genoegzaam gebleken, dat er sprake was van een tweetal collega’s, die op dezelfde wijze als eiser uren op een fictief dossiernummer hebben geboekt. Verweerder heeft toegelicht dat het in deze gevallen om minder uren handelde en dat achteraf de uren door betrokkenen voldoende zijn verantwoord. Aangezien dit vervolgens is in het geheel niet tot een disciplinaire straf heeft geleid, acht de rechtbank, hierbij in aanmerking nemende dat onvoorwaardelijk ontslag de zwaarste disciplinaire straf is die kan worden opgelegd, het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd en de thans opgelegde straf onevenredig met het gepleegde verzuim. Verweerder had in het kader van het bepalen van de zwaarte van de op te leggen straf de persoonlijkheid van eiser in ogenschouw dienen te nemen, alsmede diens lange dienstverband en mogelijke verbetermogelijkheden.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit geen stand kan houden wegens strijd met het in artikel 3:4, tweede lid, en artikel 7:12, eerste lid, van de Awb bepaalde. Het bestreden besluit zal worden vernietigd en verweerder dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

De rechtbank acht termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb, welke proceskosten zijn begroot op € 644,- zijnde kosten voor verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ten bedrage van € 644,- te betalen door de Staat der Nederlanden;

bepaalt dat de Staat der Nederlanden het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van

€ 143,- aan hem vergoedt.

Aldus gegeven door mr. S.W. van Osch-Leysma, voorzitter, mr. B.N. Crol en mr. W.F. Bijloo, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Holtrop, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2008.

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op:31 januari 2008