Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BC3290

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
28-01-2008
Datum publicatie
01-02-2008
Zaaknummer
AWB 07/2326
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verlenen van bouwvergunning en vrijstelling ex artikel 19, tweede lid, van de WRO voor het bouwen van een multifunctioneel centrum. Bij uitspraak van 31 oktober 2007 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State het beroep van eiser tegen (de goedkeuring van) het bestemmingsplan ongegrond verklaard. De rechtbank stelt vast dat de afwijkingen van het bouwplan ten opzichte van de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt zeer beperkt zijn en dat het daarom niet aannemelijk is dat als gevolg van de realisering van het bouwplan een toename van de verkeersintensiteit, de geluidbelasting en afname van de luchtkwaliteit te verwachten valt. Ook wat betreft de overige aspecten waarover de Afdeling heeft beslist, voor zover die door eiser in deze procedure aan de orde zijn gesteld, moet worden geoordeeld dat de rechtbank geen aanleiding ziet voor een ander oordeel dan de Afdeling, wanneer een en ander wordt bezien in het kader van de vrijstellingsprocedure van artikel 19, tweede lid, van de WRO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

Registratienummer: AWB07/2326

Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[A], eiser, wonende te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem, verweerder,

alsmede

Stichting Vivare, partij ex artikel 8:26 van de Awb, te Arnhem (verder: vergunninghoudster).

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 2 mei 2007.

2. Procesverloop

Bij besluit van 28 december 2006 heeft verweerder, met toepassing van een vrijstelling ex artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO), aan vergunninghoudster bouwvergunning verleend voor het bouwen van een multifunctioneel centrum op de hoek St. Gangulphusplein, Huissensestraat, Lobeliastraat en Middelgraafpad te Arnhem.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Bij schrijven van 20 september 2007 heeft vergunninghoudster zich gesteld als partij in het geding.

Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 6 december 2007. Eiser is aldaar in persoon verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M.C.J. Kasteel en [B]. Namens vergunninghoudster zijn verschenen [X] en [Y].

3. Overwegingen

Het vergunde bouwplan heeft betrekking op de bouw van een multifunctioneel centrum, bestaande uit woningen, een apotheek, een kapper, een huisartsenpraktijk, een ontmoetingsruimte en overige zorggerelateerde functies.

De in geding zijnde percelen zijn gelegen binnen de grenzen van het op 2 november 2006 in werking getreden bestemmingsplan “Malburgen-Midden” (hierna: het bestemmingsplan). De gronden hebben ingevolge dit bestemmingsplan de bestemmingen “Woondoeleinden”, “Centrumdoeleinden-F” en “Centrumdoeleinden- F (nader uit te werken)”. Verweerder heeft aangegeven dat het bouwplan niet in overeenstemming met het bestemmingsplan is, aangezien de hoekoplossingen dusdanig zijn uitgevoerd dat ter plaatse hiervan de bouwzone en de maximaal toegelaten bouwhoogten worden overschreden. Voorts is medegedeeld dat er nog geen uitwerkingsplan ex artikel 2.8, tweede lid, van de bij het bestemmingsplan horende planvoorschriften in werking is getreden. Teneinde niettemin bouwvergunning te kunnen verlenen heeft verweerder vrijstelling verleend ex artikel 19, tweede lid, van de WRO.

Eiser heeft het bestreden besluit gemotiveerd bestreden. Op zijn stellingen zal de rechtbank in het navolgende, voor zover nodig, verder ingaan.

Artikel 19, tweede lid, van de WRO luidt als volgt:

“Burgemeester en wethouders kunnen vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur van de ruimtelijke ordening, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.”

De rechtbank is niet gebleken dat niet aan de formele vereisten voor de hiervoor omschreven bevoegdheid is voldaan.

Thans dient te de rechtbank nog te bezien of de verleende vrijstelling is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en ook overigens in stand kan blijven.

Gebleken is dat de ruimtelijke onderbouwing, als bedoeld in artikel 19 van de WRO, in de notitie “Woonzorgcentrum Middelgraafpad Arnhem”, laatstelijk gewijzigd op 18 juli 2006, is opgenomen.

In deze ruimtelijke onderbouwing is aangegeven dat het betwiste gebouw past binnen de stedenbouwkundige opzet van het gebied en slechts op ondergeschikte punten niet past binnen het toekomstige bestemmingsplan. Niet gebleken is dat het project in strijd is met het provinciaal, regionaal, dan wel gemeentelijk beleid. Ook anderszins is in de ruimtelijke onderbouwing ingegaan op de ruimtelijke effecten van het project op de omgeving.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn -onder verwijzing naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 mei 2003 (LJN: AF8595)- de aan de ruimtelijke onderbouwing van een project te stellen eisen minder zwaar, naarmate de inbreuk van het bouwplan ten behoeve waarvan vrijstelling wordt verleend op het bestaande planologische regime geringer is. In dit verband overweegt de rechtbank dat het in de ruimtelijk onderbouwing nog als “toekomstig”gekenschetste bestemmingsplan ten tijde van de beslissing op bezwaar inmiddels in werking is getreden doordat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bij uitspraak van

31 oktober 2007, zaaknummer; 200607771/1 het tegen dit plan door eiser ingestelde beroep ongegrond heeft verklaard. De Afdeling, voornoemd, heeft in deze uitspraak uitvoerig overwogen met betrekking tot de situering, afmetingen, bouwhoogte en milieuaspecten van het bestemmingsplan dat aan dit project ten grondslag ligt. Voorts is overwogen dat het bestemmingsplan niet in strijd is met het Besluit luchtkwaliteit 2005 en niet tot ernstige geluidhinder zal leiden. Evenmin ziet de Afdeling grond voor het oordeel dat de gebruikte verkeersintensiteiten onjuist zijn ingeschat.

De inhoud van deze uitspraak is eiser bekend.

De rechtbank stelt vast dat de afwijkingen van het bouwplan ten opzichte van de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt zeer beperkt zijn en dat het daarom niet aannemelijk is dat als gevolg van de realisering van het bouwplan een toename van de verkeersintensiteit, de geluidbelasting en afname van de luchtkwaliteit te verwachten valt. Ook wat betreft de overige aspecten waarover de Afdeling heeft beslist, voor zover die door eiser in deze procedure aan de orde zijn gesteld, moet worden geoordeeld dat de rechtbank geen aanleiding ziet voor een ander oordeel dan de Afdeling, wanneer een en ander wordt bezien in het kader van de vrijstellingsprocedure van artikel 19, tweede lid, van de WRO.

Tegen deze achtergrond bezien mocht verweerder zich bij het verlenen van de vrijstelling verlaten op de onderzoeksresultaten op het gebied van de verkeersintensiteit en de luchtkwaliteit, zoals gerelateerd in het rapport van Goudappel Coffeng van 2 juni 2006.

Er was dan ook geen aanleiding voor het laten verrichten van een nieuw onderzoek in het kader van de onderhavige procedure.

In hetgeen eiser bij brief van 23 november 2007 ten aanzien van de luchtkwaliteit heeft aangevoerd ziet de rechtbank ten slotte, mede gelet op het feit dat eiser daaraan een eigen interpretatie van de in geding gebrachte stukken ten grondslag heeft gelegd welke niet gestaafd wordt door een terzake deskundige, onvoldoende aanleiding om te oordelen dat verweerder het rapport van Goudappel Coffeng van 2 juni 2006 toch niet aan het bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen. Daarbij is tevens in aanmerking genomen dat verweerder de door eiser in geding gebrachte stukken niet bij de beoordeling in bezwaar heeft kunnen betrekken en dat deze stukken relatief kort voor de zitting in het geding zijn gebracht.

In verband hiermee en gelet op hetgeen voorts in de ruimtelijke onderbouwing is opgenomen, bestaat geen grond om aan te nemen dat de ruimtelijke onderbouwing niet voldoet aan de eisen die daaraan in dit geval dienen te worden gesteld.

De rechtbank merkt voorts op dat het gestelde door eiser ten aanzien van het bestaan van alternatieven geen aanleiding geeft voor het oordeel dat de vrijstelling en bouwvergunning niet verleend had kunnen worden. Verweerder dient te beslissen omtrent het plan zoals dit is ingediend. Indien dit plan op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen –en alleen maar ten aanzien van aspecten van het bouwplan waarvoor een vrijstelling is vereist- , indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Niet is gebleken dat een zodanige situatie zich hier voordoet.

Vervolgens dient de rechtbank nog te beoordelen of verweerder in het kader van een beoordeling van een verzoek om vrijstelling alle bij het betreffende bouwplan betrokken belangen heeft afgewogen. De rechtbank dient zich hierbij te beperken tot de vraag of sprake is van een zodanige onevenwichtigheid van de afweging van de betrokken belangen, dat moet worden geoordeeld dat het bestuursorgaan niet in redelijkheid tot de verlening van de gevraagde vrijstelling heeft kunnen komen.

Gebleken is dat verweerder bij de weerlegging van de zienswijzen en in bezwaar uitvoerig is ingegaan op de in geding zijnde belangen. Vervolgens heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de door eiser aangevoerde belangen niet met zich brengen dat de vrijstelling in redelijkheid niet verleend kan worden.

De rechtbank kan zich verenigen met de door verweerder in bezwaar gegeven motivering en is van oordeel dat niet is gebleken dat verweerder bij het verlenen van de vrijstelling blijk heeft gegeven van een onevenwichtige belangenafweging.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen van eiser tegen het bestreden besluit geen doel treffen. Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. B.N. Crol, voorzitter, mrs. W.F. Bijloo en S.W. van Osch-Leysma, rechters, en door de voorzitter in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2008 in tegenwoordigheid van mr. J.W.M. Litjens, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 28 januari 2008