Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BC3285

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
28-01-2008
Datum publicatie
01-02-2008
Zaaknummer
AWB 07/1681 en AWB 07/1709
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verlenen van bouwvergunning en vrijstelling ex artikel 19, tweede lid, van de WRO voor het bouwen van twee appartementengebouwen met parkeergarage.

Juiste peilbepaling bij geaccidenteerd terrein. Uit de artikelen 1.1 en 2.5.26 van de gemeentelijke bouwverordening volgt dat ten aanzien van een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst, de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdingang bij voltooiing van de bouw voor de bepaling van het (straat)peil aangehouden dient te worden. Dat een verhoogde toegang wordt aangelegd brengt naar het oordeel van de rechtbank niet met zich dat verweerder het peil op een onjuiste wijze heeft bepaald.

Met betrekking tot welstand merkt de rechtbank op dat voor de welstandscommissie als uitgangspunt vaststond de krachtens het bestemmingsplan vastgelegde bouwmogelijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

Registratienummers: AWB 07/1681 en 07/1709

Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[eiseres 1], te Wageningen, eiseres 1,

vertegenwoordigd door mr. A.J.M. Paanakker,

Stichting Proeftuin Groot Hinkeloord te Wageningen, eiseres 2,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wageningen, verweerder,

alsmede

[belanghebbende], partij ex artikel 8:26 van de Awb,

te Rijssen (verder: vergunninghoudster).

1. Aanduiding bestreden besluiten

Besluiten van verweerder van 20 maart 2007.

2. Procesverloop

Verweerder heeft bij besluit van 13 oktober 2006, verzonden op 17 oktober 2007, met toepassing van een vrijstelling ex artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO), aan vergunninghoudster bouwvergunning verleend voor het bouwen van twee appartementengebouwen met parkeergarage op het terrein Hinkeloord, Generaal Foulkesweg 66A tot en met 66D en 68A tot en met 68G, kadastraal bekend gemeente Wageningen, sectie E, nr. 4338 (ged.).

Bij de in rubriek 1 aangeduide besluiten heeft verweerder de ingediende bezwaren ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen deze besluiten is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Bij schrijven van 18 september 2007 heeft vergunninghoudster zich gesteld als partij in het geding.

De beroepen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 6 december 2007. Namens eiseres 1 is aldaar verschenen [x], bijgestaan door mr. A.J.M. Paanakker, advocaat te Wageningen. Namens eiseres 2 zijn verschenen [Y] (voorzitter) en [Z] (secretaris). Verweerder is verschenen bij gemachtigde mr. D.R. Sonneveldt, advocaat te Arnhem. Namens de partij ex artikel 8:26 van de Awb zijn verschenen mr. drs. N.L.J. Haase en [A].

3. Overwegingen

Het vergunde bouwplan heeft betrekking op de bouw van twee appartementengebouwen, die door middel van een ondergrondse parkeergarage met elkaar verbonden zijn.

Het in geding zijnde perceel is gelegen binnen de grenzen van het bestemmingsplan “Groot Hinkeloord” (hierna: het bestemmingsplan). De gronden hebben ingevolge dit bestemmingsplan de bestemming “Woondoeleinden (uit te werken door B&W)”. Verweerder heeft terzake het uitwerkingsplan “Hinkeloord wonen”(verder: het uitwerkingsplan) vastgesteld. Verweerder heeft aangegeven dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, aangezien ter plaatse een bouwverbod geldt (artikel 4, derde lid, van de planvoorschriften horende bij het bestemmingsplan) totdat het uitwerkingsplan onherroepelijk is. Verweerder heeft voorts aangegeven dat het bouwplan niet in overeenstemming is met de ter plaatse –op grond van het uitwerkingsplan- toegestane goothoogte, bouwhoogte en bebouwde oppervlakte.

Teneinde niettemin bouwvergunning te kunnen verlenen heeft verweerder bij besluit van 13 oktober 2006 vrijstelling verleend ex artikel 19, tweede lid, van de WRO.

Eisers hebben het bestreden besluit –inhoudende handhaving van het besluit van 13 oktober 2006- gemotiveerd bestreden. Op hun stellingen zal de rechtbank in het navolgende, voor zover nodig, ingaan.

Ingevolge artikel 2, onder A, vierde lid, van de planvoorschriften horende bij het bestemmingsplan wordt de goothoogte van een gebouw gemeten vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot dan wel de druiplijn, het boeiboord of een daaraan gelijk te stellen constructiedeel, ondergeschikte bouwdelen als liftkokers en schoorstenen niet meegerekend.

Ingevolge artikel 2, onder A, vierde lid, van de planvoorschriften wordt de (nok)hoogte van gebouwen of bouwwerken gemeten vanaf het hoogste punt van het gebouw of bouwwerk, verticaal tot aan het peil van het bouwwerk, niet meegerekend ondergeschikte bouwdelen zoals schoorstenen, dakvensters, balkonhekken, liftkokers, antennes en andere ondergeschikte (dak)opbouwen. Indien het terrein voor en achter niet even hoog ligt, wordt de hoogte gemeten aan de voorgevel.

Ingevolge artikel 1, sub 16, van de planvoorschriften wordt onder peil verstaan: het peil overeenkomstig de bouwverordening, dan wel, indien geen peil overeenkomstig de bouwverordening kan worden bepaald, de gemiddelde hoogte van het aansluitende, afgewerkte terrein ter plaatse.

Ten aanzien van het peil.

Vastgesteld wordt dat verweerder, ondanks de in het bestreden besluit terzake geuite twijfel, het peil conform de in artikel 1 van de bestemmingsplanvoorschriften opgenomen definitie heeft bepaald overeenkomstig de bouwverordening. Uit de artikelen 1.1 en 2.5.26 van de gemeentelijke bouwverordening volgt dat ten aanzien van een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst, de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdingang bij voltooiing van de bouw voor de bepaling van het (straat) peil aangehouden dient te worden. In casu is er sprake van twee appartementengebouwen en twee hoofdingangen. Ter zitting is gebleken dat het peil ter hoogte van beide hoofdingangen na voltooiing van de bouw op dezelfde hoogte is gelegen. Verweerder is dan ook terecht uitgegaan van dit peil. Dat deze situatie zich alleen kan voordoen indien bij het appartementencomplex “de Reede” een verhoogde toegang wordt aangelegd brengt naar het oordeel van de rechtbank niet met zich dat verweerder het peil op een onjuiste wijze heeft bepaald. Hierbij is van belang dat ter plaatse van de uitgewerkte bestemming woondoeleinden niet de beperking geldt dat ophoging van de gronden alleen is toegestaan na verlening van een aanlegvergunning.

Voor het oordeel dat verweerder op een juiste wijze het peil heeft vastgesteld vindt de rechtbank steun in de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: de Afdeling) van 5 september 2001 (LJN: AD7652), 19 december 2001 (LJN: AR8262) en 21 maart 2007 (LJN: BA1152).

Met betrekking tot de parkeerkelder stelt de rechtbank vast dat in artikel 2, vierde lid, aanhef en onder c, van het uitwerkingsplan is aangegeven dat binnen het bouwvlak zoals aangegeven op de kaart een ondergrondse parkeerkelder is toegestaan.

In de uitwerkingsregels van artikel 4 van het bestemmingsplan staat onder het tweede lid, sub g: “binnen het bouwvlak mag een ondergrondse parkeerkelder, dat is onder peil, worden gerealiseerd”. Gebleken is dat de parkeerkelder geheel onder peil wordt gerealiseerd. Naar het oordeel van de rechtbank past het bouwplan, mede gelet op hetgeen ten aanzien van de peilbepaling is overwogen, op dit punt binnen het bestemmings- en uitwerkingsplan.

Artikel 19, tweede lid, van de WRO luidt als volgt:

“Burgemeester en wethouders kunnen vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur van de ruimtelijke ordening, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.”

De rechtbank is niet gebleken dat niet aan de formele vereisten voor de hiervoor omschreven bevoegdheid is voldaan.

Gebleken is dat de ruimtelijke onderbouwing, als bedoeld in artikel 19 van de WRO,

-hoofdzakelijk- in het uitwerkingsplan is opgenomen. Voor zover in het bouwplan afgeweken wordt van de voorschriften van dat plan verwijst verweerder naar de motivering in het vrijstellingsbesluit. Hierin is aangegeven dat er geen stedenbouwkundige bezwaren zijn tegen het afwijken van het uitwerkingsplan. Voorts is aangegeven dat, gezien de specifieke kwaliteiten van het gebied Hinkeloord en de bebouwing daarin, een bijzonder gebouwontwerp gewenst is. De uitwerkingsvoorschriften over de goot- en bouwhoogte zijn hierbij te beperkend gebleken.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn -onder verwijzing naar een uitspraak van de Afdeling van 14 mei 2003 (LJN: AF8595)- de aan de ruimtelijke onderbouwing van een project te stellen eisen minder zwaar, naarmate de inbreuk van het bouwplan ten behoeve waarvan vrijstelling wordt verleend op het bestaande planologische regime geringer is.

Geoordeeld wordt dat in casu de inbreuk op de planologische situatie gering is, gelet op de (bebouwings)mogelijkheden die het bestemming- en uitwerkingsplan reeds bieden. In dit verband overweegt de rechtbank dat het als ruimtelijk onderbouwing fungerende uitwerkingsplan ten tijde van de beslissing op bezwaar in werking is getreden en dat dit plan thans –het beroep tegen het goedkeuringsbesluit is op 20 juni 2007 door de Afdeling ongegrond verklaard- onherroepelijk is. Voorts dient te worden opgemerkt dat een overschrijding van de toegestane (nok)hoogte van de gebouwen niet aan de orde is indien deze overschrijding wordt veroorzaakt door ondergeschikte bouwdelen zoals schoorstenen, dakvensters, balkonhekken, liftkokers, antennes en andere ondergeschikte (dak)opbouwen. Dit brengt met zich dat, gelet op het verhandelde ter zitting, de liftopbouw op het appartementengebouw “de Jacht” niet bepalend is voor de (nok)hoogte, maar de dakrand, welke op iets meer dan 12 meter boven peil is gesitueerd. Ook met betrekking tot de dakopbouw op het appartementengebouw “de Reede” is de rechtbank van oordeel dat, hoewel deze dakopbouw zowel als liftdakopbouw als trappenhuis fungeert, deze dient te worden aangemerkt als een ondergeschikt bouwdeel.

Bovendien stelt de rechtbank vast dat het bestemmingsplan, gelet op artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de planvoorschriften, een algemene vrijstellingsbevoegdheid bevat, op grond waarvan een afwijking tot 10% kan worden toegestaan met betrekking tot de gestelde maten, afmetingen en percentages in het bestemmingsplan en dat het merendeel van de overschrijdingen in kwestie met toepassing van deze binnenplanse vrijstelling vergund kan worden.

Gelet op het vorenstaande bestaat geen grond voor het oordeel dat de ruimtelijke onderbouwing niet voldoet aan de eisen die daaraan in dit geval dienen te worden gesteld.

Vervolgens dient de rechtbank nog te beoordelen of verweerder in het kader van een beoordeling van een verzoek om vrijstelling alle bij het betreffende bouwplan betrokken belangen heeft afgewogen. De rechtbank dient zich hierbij te beperken tot de vraag of sprake is van een zodanige onevenwichtigheid van de afweging van de betrokken belangen, dat moet worden geoordeeld dat het bestuursorgaan niet in redelijkheid tot de verlening van de gevraagde vrijstelling heeft kunnen komen.

Gebleken is dat verweerder bij de weerlegging van de zienswijzen en in bezwaar uitvoerig is ingegaan op de in geding zijnde belangen. Vervolgens heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de door eisers aangevoerde belangen niet met zich brengen dat de vrijstelling in redelijkheid niet verleend kan worden.

De rechtbank overweegt dienaangaande, dat bij de beslissing om al dan niet vrijstelling te verlenen van de voorschriften van het bestemmingsplan in beginsel alle daarbij betrokken belangen (van omwonenden) in aanmerking moeten worden genomen. Het gewicht dat aan de belangen moet worden toegekend kan van geval tot geval verschillen. In dit verband komt mede betekenis toe aan de aard van de afwijking van de voorschriften die door de vrijstelling mogelijk wordt gemaakt. Het gewraakte nadelige gevolg van het bouwplan hebben eisers te aanvaarden, voor zover komt vast te staan, dat op grond van het bestemmingsplan ook zonder verlening van vrijstelling een bouwplan zou kunnen worden gerealiseerd met dezelfde voor eisers nadelige gevolgen. In dat geval is immers niet zozeer sprake van een bezwaar tegen de vrijstelling, doch tegen de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan zonder vrijstelling, die evenwel niet ter discussie kunnen staan en worden eisers in zoverre door de verlening van de vrijstelling niet benadeeld.

Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van de voorschriften van het uitwerkingsplan nagenoeg het gehele bouwplan zonder verlening van vrijstelling vergunbaar.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet is gebleken dat verweerder, mede gelet op het vorenstaande, bij het verlenen van vrijstelling blijk heeft gegeven van een onevenwichtige belangenafweging.

Ten aanzien van de redelijke eisen van welstand.

Verweerder heeft zijn welstandsoordeel gebaseerd op het advies van de welstandscommissie van 27 februari 2006. Gebleken is dat eisers in bezwaar (en in beroep) gemotiveerd hebben bestreden dat het bouwplan voldoet aan de redelijke eisen van welstand. In dat verband hebben eisers aangegeven dat de welstandsnota niet in acht is genomen en dat aan het gebied het hoogste welstandsniveau is toegekend. In concreto wordt betwijfeld of de welstandscriteria ten aanzien van het aspect “ligging” zijn meegenomen in de beoordeling.

Naar vaste jurisprudentie van de Afdeling mag verweerder, hoewel hij niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Het overnemen van een welstandsadvies behoeft in de regel geen nadere toelichting, tenzij de aanvrager of een derde-belanghebbende een tegenadvies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie. Dit is slechts anders indien het advies van de welstandscommissie naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat verweerder dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen.

De rechtbank stelt vast dat uit de stukken naar voren komt dat het bouwplan in vergaderingen van de welstandscommissie vele malen aan de orde is geweest en dat de welstandscommissie het bouwplan heeft getoetst aan de welstandsnota. Dat het welstandsadvies op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen is de rechtbank niet gebleken. Eisers hebben in de bezwaarprocedure geen deskundig tegenadvies in het geding gebracht. Verweerder mocht dan ook uitgaan van het positieve welstandsadvies. De rechtbank merkt in dit verband nog op dat voor de welstandscommissie als uitgangspunt vaststond de krachtens het bestemmingsplan vastgelegde bouwmogelijkheid in het Arboretum.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen van eisers tegen het bestreden besluit geen doel treffen. De beroepen dienen dan ook ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus gegeven door mr. W.F. Bijloo, voorzitter, mrs. B.N. Crol en S.W. van Osch-Leysma, rechters, en door de voorzitter in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2008 in tegenwoordigheid van mr. J.W.M. Litjens, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 28 januari 2008