Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BC3090

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
30-01-2008
Datum publicatie
30-01-2008
Zaaknummer
1051113
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Volgens de rechtbank zijn de besluiten en overeenkomsten als gevolg waarvan de invloed van de Bisschop substantieel is beperkt geldig en behoren de goederen van beide stichtingen aan die stichtingen en niet aan de R.-K. Kerk toe.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 4
Burgerlijk Wetboek Boek 2 8
Burgerlijk Wetboek Boek 2 14
Burgerlijk Wetboek Boek 2 15
Burgerlijk Wetboek Boek 2 285
Burgerlijk Wetboek Boek 2 294
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2008/68 met annotatie van mr. J.M. Blanco Fernández
NJF 2008, 314
RO 2008, 25
JRV 2008, 258
JOR 2008/68 met annotatie van mr. J.M. Blanco Fernández
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 105113 / HA ZA 03-1733

Vonnis van 30 januari 2008

in de zaak van

1. [eiser],

in zijn hoedanigheid van

BISSCHOP VAN ’S-HERTOGENBOSCH,

wonende te [woonplaats],

2. de rechtspersoon naar kerkelijk recht

HET BISDOM VAN 'S-HERTOGENBOSCH,

zetelend te 's-Hertogenbosch,

eisers,

procureur mr. F.J. Boom,

advocaat mr. P.H. Louwers te 's-Hertogenbosch,

tegen

1. de stichting

HEILIG LAND STICHTING,

2. de stichting

EERSTE HULP STICHTING DER HEILIG LANDSTICHTING,

3. de stichting

STICHTING BEHEER BIJBELS OPENLUCHTMUSEUM,

alle gevestigd te Nijmegen en kantoorhoudend te Heilig Land-Stichting,

gemeente Groesbeek,

gedaagden,

procureur mr. W.J.G.M. van den Broek,

advocaat mr. ir. J.A.A. Diederen te Nijmegen.

Eisers zullen hierna ook als de Bisschop – al dan niet met de toevoeging: van ’s-Hertogenbosch – en het Bisdom aangeduid worden. Waar het gaat om een persoonlijk optreden van eiser sub 1 zal hij ook als mgr. [eiser sub 1] worden aangeduid. Gedaagden worden tezamen ook als Heilig Land Stichting aangeduid en overigens ook als Heilig Land Stichting, Eerste Hulp Stichting en Stichting Beheer Bijbels Openluchtmuseum.

De Codex Iuris Canonici wordt aangeduid als CIC, het Burgerlijk Wetboek als BW.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek

- de akte overlegging producties van eisers

- de conclusie van dupliek.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

betrokken (rechts)personen

2.1. Op 28 februari 1911 is een vermogen afgezonderd onder de naam Heilig-Land Stichting (zie ook 2.8 hierna).

2.2. In een notariële akte van 25 oktober 1995 wordt een statutenwijziging van de Heilig Land Stichting geconstateerd.

Artikel 1, onder c, van de statuten luidt:

De stichting is een instelling van de Rooms-Katholieke Kerk in de zin van canon 100, paragraaf 1 van de Codex Iuris Canonici en van artikel VII van het Reglement voor het R.-K. Kerkgenootschap in Nederland en bezit als zelfstandig onderdeel volgens het kerkelijk recht rechtspersoonlijkheid, welke ingevolge artikel 2 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek als zodanig is erkend naar Nederlands recht.

Artikel 1 onder 2 luidt:

In deze statuten wordt onder Bisschop verstaan de Bisschop van 's-Hertogenbosch.

De statuten van de Heilig Land Stichting houden vanaf 25 oktober 1995 als doelomschrijving in (art. 2):

De stichting stelt zich ten doel de herinnering aan Jezus Christus levend te houden door op aanschouwelijke en wetenschappelijk verantwoorde wijze de mens in contact te brengen met de boodschap van het Oude en Nieuwe Testament en hem een beeld te geven van de geestelijke en stoffelijke cultuur van de wereld waarin de bijbel is geschreven.

2.3. Artikel 3 van de statuten luidt vanaf die datum:

De stichting wil dit doel verwezenlijken onder andere door:

a. op haar terreinen een Bijbels Openluchtmuseum in te richten;

b. in een museum allerlei voorwerpen te verzamelen, die een herinnering zijn aan het Heilig Land en de Heilige Schrift;

c. te trachten met de haar ten dienste staande mogelijkheden een centrum van bijbelse initiatie en informatie te worden;

d. haar medewerking te verlenen aan bijbelse tijdschriften en bijbelse reizen mogelijk te maken;

e. mogelijkheden te bieden voor aangepaste recreatieve en culturele vorming.

2.4. In het kader van deze procedure relevante bepalingen uit de statuten van de Heilig Land Stichting zijn voorts:

Artikel 4

b. Vacatures in het bestuur worden door dit bestuur zelf aangevuld na voorafgaande goedkeuring van de bisschop.

c. Indien het bestuur in gebreke blijft vacatures te vervullen heeft de bisschop de bevoegdheid zelf bestuursleden te benoemen. Bij onmacht van het bestuur heeft de bisschop de bevoegdheid het bestuur te ontslaan onder opgave van de redenen, die te zijner beoordeling staan.

g. Overigens eindigt het lidmaatschap van het bestuur door:

(…)

3. door ontslag door de bisschop.

Artikel 9

b. Het bestuur is verplicht aan de bisschop voor de eerste mei verslag uit te brengen over alle activiteiten van de stichting.

e. De door de accountant gecontroleerde rekening en verantwoording worden aan de bisschop toegezonden ter kennisneming.

Artikel 10

a. Tot wijziging van de statuten en tot ontbinding van de stichting kan alleen rechtsgeldig besloten worden door het bestuur (…).

b. Van een besluit tot wijziging van statuten of ontbinding van de stichting doet het bestuur onverwijld schriftelijk mededeling aan de bisschop.

Een dergelijk besluit is pas van kracht als de bisschop zich daarmee schriftelijk akkoord verklaart.

Wijzigingen van deze statuten worden in een notariële akte vastgelegd.

Artikel 11

a. In geval van ontbinding van de stichting geschiedt haar liquidatie door twee liquidateuren aangewezen door de bisschop.

b. Indien er na de voldoening van de schulden een batig saldo (…) overblijft, moet dit zoveel mogelijk worden besteed overeenkomstig artikel 2 en 3 van de statuten. Deze besteding heeft de goedkeuring nodig van de bisschop.

2.5. De stichting Eerste Hulp Stichting der Heilig Land Stichting heeft blijkens een op 26 november 1979 verleden notariële hetzelfde doel als Heilig Land Stichting (2.2 hierboven). Daarnaast bevatten haar statuten onder ‘middelen’ de bepaling (art. 3):

a. De stichting wil haar vermogen met accres van renten zoveel mogelijk aan te vullen door bijdragen van belangstellenden, bestemmen in de geest of ter bereiking van het doel van de te Nijmegen gevestigde Heilig Land Stichting.

b. Te dien einde exploiteert de stichting ook het kerkhof op haar terrein.

In de preambule van de stichtingsakte staat onder meer:

De comparanten verklaren (…) dat de stichting een kerkelijke stichting is en een zelfstandig onderdeel is van het R.-K. Kerkgenootschap in Nederland, zulks volgens verklaring van de Bisschop van 's-Hertogenbosch van twee augustus negentienhonderdzevenenveertig nummer 552e (…).

Ook deze stichtingsstatuten bevatten – onder artikel 1 sub c – de bepaling:

De stichting is een instelling van de Rooms-Katholieke Kerk in de zin van canon 100, paragraaf 1 van de Codex Iuris Canonici en van artikel VII van het Reglement voor het R.-K. Kerkgenootschap in Nederland en bezit als zelfstandig onderdeel volgens het kerkelijk recht rechtspersoonlijkheid, welke ingevolge artikel 2 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek als zodanig is erkend naar Nederlands recht.

Ook in deze statuten wordt onder de Bisschop de Bisschop van 's-Hertogenbosch verstaan.

2.6. In het kader van deze procedure relevante bepalingen uit de statuten van Eerste Hulp Stichting der Heilig Land Stichting zijn voorts:

Artikel 4

a. Als bestuur van de stichting fungeert het bestuur van de Heilig Land Stichting.

Artikel 8

b. Het bestuur is verplicht aan de bisschop voor de eerste mei verslag uit te brengen over alle activiteiten van de stichting.

e. De door de accountant gecontroleerde rekening en verantwoording worden aan de bisschop toegezonden ter kennisneming.

Artikel 9

a. Tot wijziging van de statuten en tot ontbinding van de stichting kan alleen rechtsgeldig besloten worden door het bestuur (…).

b. Van een besluit tot wijziging van statuten of ontbinding van de stichting doet het bestuur onverwijld schriftelijk mededeling aan de bisschop.

Een dergelijk besluit is pas van kracht als de bisschop zich daarmee schriftelijk akkoord verklaart.

Artikel 10

a. In geval van ontbinding van de stichting geschiedt haar liquidatie door twee liquidateuren aangewezen door de bisschop.

b. Indien er na de voldoening van de schulden een batig saldo (…) overblijft, moet dit zoveel mogelijk worden besteed overeenkomstig artikel 2 en 3 van de statuten. Deze besteding heeft de goedkeuring nodig van de bisschop.

2.7. Op 6 juni 2002 is opgericht Stichting Beheer Bijbels Openluchtmuseum, die blijkens haar statuten (art. 2) ten doel heeft:

(…) het te Groesbeek gevestigde en haar door de te Nijmegen gevestigde stichting Heilig Land Stichting in beheer toevertrouwde Bijbels Openluchtmuseum te beheren en verder te ontwikkelen en voorts al hetgeen met een en ander rechtstreeks of zijdelings verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn, alles in de ruimste zin des woords.

de ontwikkelingen van 1911 tot 2001

2.8. Op 28 februari 1911 is door een aantal personen, [betrokkene] krachtens lastgeving van [betrokkene] en [betrokkene], [betrokkene], [betrokkene], [betrokkene] en een persoon wiens naam in de overgelegde kopie niet leesbaar is, blijkens de notariële oprichtingsakte

met het oog op de uitgedrukte verlangens van den Goddelijken Zaligmaker bij Zijne verschijning aan de gelukzalige Margaretha Maria Macoque, op aanschouwelijke wijze de herinneringen van Jesus Christus wenschen in het leven te roepen, ten einde op die wijze aan het volk in den meest algemeenen zin des woords Jesus Christus te leeren kennen en het door die kennis te brengen tot liefde,

een geldbedrag afgezonderd ter oprichting van een stichting.

Het doel van deze stichting was overeenkomstig de hierboven weergegeven bedoeling van de oprichters. Concreet hield het in dat een aantal plaatsen van het Heilige Land zou worden nagebouwd en een museum zou worden opgericht waardoor een herinnering aan het Heilig Land, de Heilige Schrift en de Heilige Geheimen zou worden gevormd. Daarnaast beoogde de stichting het uitgeven van een tijdschrift en het bevorderen van pelgrimstochten naar het Heilige Land. De stichting kreeg de naam Heilig Land Stichting.

2.9. De voorzitter van deze stichting werd blijkens de stichtingsakte benoemd door de bisschop van ‘s-Hertogenbosch. Het bestuur van de stichting was blijkens de akte gehouden onmiddellijk na het opmaken van de stichtingsakte deze bisschop te vragen een adviseur van de stichting te benoemen. Deze zou een raadgevende stem hebben in het bestuur.

2.10. Het terrein waarop de stichting haar activiteiten ging uitoefenen, kreeg eveneens de naam Heilig Land Stichting. De onroerende zaken zijn ten behoeve van de stichting door particulieren bijeengebracht. Op het aldus ontstane terrein zijn onder meer gevestigd een museum – destijds als het devotiepark aangeduid – een begraafplaats, de Cenakelkerk en Casa Nova.

Aanvankelijk lag op de geloofsverkondiging en -beleving de nadruk, rond 1930 werd educatie belangrijk. Deze richtte zich in den brede op de betekenis van de bijbel binnen de christelijke kerken. Rondleidingen werden verzorgd door paters Montfortanen.

Toen de bezoekersaantallen na 1950 ernstig terugliepen bezon men zich op mogelijkheden om de activiteiten op de Heilig Land Stichting nieuw leven in te blazen. Onder meer is daartoe in 1967 een comité voor goede diensten door de toenmalige bisschop van ‘s-Hertogenbosch, mgr. [ ], opgericht. De activiteiten van dit comité, dat werd voorgezeten door pater [ ], de vicaris van de bisschop, richtten zich op de omvorming van het devotiepark tot een cultuurhistorisch museum dat als benaming Bijbels Openluchtmuseum kreeg. Daarin werd zowel aan het christendom als aan het jodendom aandacht gegeven. Rondleidingen vonden niet langer uitsluitend door paters Montfortanen plaats. Tussen de Cenakelkerk en Casa Nova enerzijds en het Bijbels Openluchtmuseum anderzijds ontstond een scheiding.

2.11. Ook in deze nieuwe opzet bleek exploitatie in de jaren negentig niet meer lonend en in de bestuursvergadering van Heilig Land Stichting op 12 januari 1993 werd besloten dat de educatieve en maatschappelijke taak van het museum zich niet alleen tot het christendom en jodendom diende te beperken, maar zich ook tot de derde grote monotheïstische godsdienst, de islam, diende uit te strekken. Aan de bisschop van ‘s-Hertogenbosch en de Nederlandse Bisschoppenconferentie werd door de stichting de nota ‘Bijbels Openluchtmuseum, gedachten voor een nieuw museumbeleid’ toegezonden. Het museum hield nadien enkele grote exposities, ‘In het spoor van Abraham, de geschiedenis van de drie heilige boeken’, ‘Eeuwig leven, de voorstelling van het hiernamaals in de grote godsdiensten’ en ‘De verbeelding van God, in jodendom, christendom en islam.’

2.12. Het bestuur van Heilig Land Stichting en de directie van het Bijbels Openluchtmuseum formuleerden op 10 januari 1997 een ‘mission statement’ waarin visie en doel van het museum voor de komende jaren werd vastgelegd.

Hierop volgde in 1998 de eveneens door het bestuur van Heilig Land Stichting en de directie van het Bijbels Openluchtmuseum opgestelde nota ‘Geloof in de Toekomst’.

Deze nota bevatte het beleidsplan 1999-2004 voor het Bijbels Openluchtmuseum. Dit betrof renovatie, vernieuwing en kwaliteitsverbetering, onder meer – dit wordt in de nota benadrukt – gericht op het voortbestaan van het museum dat geen structurele subsidie ontving en op zoek was naar een dekking voor de jaarlijkse exploitatielasten.

De identiteit van Heilig Land Stichting en Bijbels Openluchtmuseum werd in de nota samengevat als van een dienstverlenende, educatieve instelling met een katholieke oorsprong en oecumenische betrokkenheid, gericht op het verschaffen van informatie rond de Bijbel en de daarmee verbonden godsdiensten, jodendom, christendom en islam. De nota ‘Geloof in de Toekomst’ is met de bisschop van ‘s-Hertogenbosch besproken op 8 april 1999 en op 28 oktober 1999 nadat hij aan alle Nederlandse bisschoppen en het secretariaat van het Rooms-Katholiek Kerkgenootschap was toegezonden.

2.13. In 2000 is door het Ministerie van OCW een exploitatiebijdrage voor vier jaar toegekend aan het Bijbels Openluchtmuseum. Het museum, dat in 2000 officieel als museum geregistreerd was, diende voor het ministerie als pilot project en moest in 2002 in een rapport uiteenzetten hoe het omging met de multiculturele samenleving.

Vervolgens kwam binnen bestuur en directie van Heilig Land Stichting en Bijbels Openluchtmuseum aan de orde dat een winstgevende exploitatie van het museum eisen stelde die niet aan de overige onderdelen van de oorspronkelijke Heilig Land Stichting gesteld behoefden te worden. Daarbij speelde een rol dat men niet het hele vermogen van de oorspronkelijke Heilig Land Stichting risicodragend kapitaal wilde laten zijn in de museumexploitatie.

2.14. In 2001 is de nota ‘Geloof in Uitvoering’ opgesteld. De titel verwijst onder meer naar de uitvoering van de acties die voorgenomen waren in de nota ‘Geloof in de Toekomst’. In de nota Geloof in Uitvoering worden subsidiegevers genoemd. Dit zijn voor incidentele bijdragen onder meer de Provincie Gelderland, de Mondriaan Stichting en het Prins Bernhard Cultuurfonds en voor exploitatiemiddelen op langere termijn het Ministerie van OCenW, de Stichting Levi Lassen en de Gemeente Groesbeek. In de nota zijn, vet en cursief gedrukt, enkele statements opgenomen:

Het Bijbels Openluchtmuseum wil het ontstaan, de achtergronden en de tradities van de met de Bijbel verbonden religies (jodendom, christendom en islam) zodanig in beeld brengen dat de bezoekers het ervaren als een aanvulling op hun kennis en een aanzet tot bezinning. Het wil daartoe zijn educatieve en recreatieve mogelijkheden versterken zodat bezoekers het gevoel krijgen dat ze als gasten ronddwalen in een wereld die meer dan 2000 jaar achter ons ligt, maar waarmee ze door banden van traditie en cultuur verbonden zijn.

Door middel van impliciete en expliciete educatie wil het Bijbels Openluchtmuseum bijdragen aan een mentaliteitsverandering binnen de multiculturele samenleving. Daarbij kunnen nieuwsgierigheid naar dat wat we (nog) niet kennen en het leren omgaan met de aspecten waarin we van elkaar verschillen de plaats innemen van een houding die is gebaseerd op angst of vooroordelen.

Het Bijbels Openluchtmuseum biedt unieke mogelijkheden op het terrein van de multiculturele educatie. Het museum is een eind op weg. Maar hulp en steun voor de uitvoering van de plannen blijven noodzakelijk.

2.15. Op 21 mei 2001 vond een bespreking plaats tu[ ], voorzitter van Heilig Land Stichting, [ ], algemeen directeur van het Bijbels Openluchtmuseum, [ ], secretaris-generaal van de Bisschoppenconferentie, ir. I[ ], penningmeester Economencollege, en mr.[ ], juridisch beleidsmedewerker SRKK. Drs. [ ] heeft in deze bespreking, blijkens het daarvan door mr. [ ] opgemaakte verslag, aangegeven dat de financiële positie van het Bijbels Openluchtmuseum op langere termijn onzeker was en dat hij educatie – op de gebieden van de joodse, arabische, islamitische en romeins-christelijke buurculturen in het Midden Oosten en gericht op oecumenisch Nederland – als sleutelwoord voor de toekomst zag. In de bespreking is vervolgens aan de orde geweest welke privaatrechtelijke vorm het Bijbels Openluchtmuseum, gezien als een katholieke, kerkelijke rechtspersoon, het best kon krijgen, en welke subsidiemogelijkheden, mede afhankelijk van de rechtsvorm, er zouden zijn. Het verslag eindigt met de afspraken:

1. Het bestuur van het Bijbels Openluchtmuseum zal zich over het karakter van de rechtspersoonlijkheid beraden, daarover een besluit nemen en zijn wensen kenbaar maken.

2. Het bestuur zal het Financieel Jaarverslag 2000 en een financiële onderbouwing en tijdsplanning van de gewenste investeringen aan mr. [ ] toezenden.

3. Secretaris-generaal [ ] zal zich inspannen om een ontmoeting tussen het bestuur van het Bijbels Openluchtmuseum en de Bisschoppenconferentie tot stand te brengen.

ontwikkelingen rond het werkbezoek van de Bisschop van 's-Hertogenbosch op 11 januari 2002

2.16. Op 16 augustus 2001 vond een bespreking plaats tussen de hierboven genoemde heren [ ] en [ ] alsmede mevrouw [ ], financieel manager van het Bijbels Openluchtmuseum, met vertegenwoordigers van het Bisdom ’s-Hertogenbosch, te weten eiser mgr. [eiser sub 1] en di[ ], directeur-econoom van het Bisdom. In aansluiting op deze bespreking – waarvan een verslag zich bij de stukken bevindt – heeft diaken [ ] op 27 augustus 2001 aan het bestuur van de Heilig Land Stichting geschreven:

In het gesprek dat kortgeleden is gevoerd (…) hebt u onze bisschop (…) een tweeledig verzoek gedaan.

Op het eerste element in dat verzoek is al tijdens het gesprek geantwoord.

Monseigneur [eiser sub 1] heeft toen immers aangegeven dat hij de binding van de Heilig Land Stichting aan de Bisschop van 's-Hertogenbosch niet wenst los te laten voor een binding aan de bisschoppenconferentie van Nederland. Derhalve moet u er van uitgaan dat de historische band van de Heilig Land Stichting met de R.K.-Kerk gerealiseerd zal blijven worden via een statutaire band met de Bisschop van 's-Hertogenbosch.

Tevens heeft u de bisschop gevraagd naar zijn bereidheid tot een statutaire wijziging waarbij de status van de Heilig Land Stichting van een kerkelijke instelling veranderd zou worden in die van een burgerlijke stichting, al dan niet met katholieke signatuur (…).

Namens monseigneur [eiser sub 1] deel ik u mee dat onze bisschop zich niet vrij voelt om ten aanzien van de Heilig Land Stichting nu de status van kerkelijk instelling op te geven, dit tevens na consultatie van de leden van zijn staf. Het heeft op het moment dan ook voor u geen zin om een ander scenario uit te gaan werken.

2.17. In het najaar van 2001 weigert de Bisschop van 's-Hertogenbosch een voorgenomen benoeming van een bestuurder bij Heilig Land Stichting goed te keuren.

2.18. Na een werkbezoek van mgr. [eiser sub 1] aan de Heilig Land Stichting op 11 januari 2002 schrijft hij op 25 februari 2002 aan het bestuur van het Bijbels Openluchtmuseum:

(…). Ik houd onverkort vast aan de huidige status van de Heilig Land Stichting. Voor mij is er geen voldoende relevant argument – en zeker niet van (kerk)juridische aard – om de statuten te wijzigen in de door u gewenste richting. Overigens moet mij hierbij ook van het hart dat het begrip “Rooms-Katholiek erfgoed” ten aanzien van de Heilig Land Stichting door u veel te eng gedefinieerd wordt.

Voor de toekomst van de Heilig Land Stichting is voor mij wezenlijk, dat de oorspronkelijke en in de statuten opgenomen doelstelling niet alleen gerespecteerd wordt, maar dat daaraan tevens uitvoering wordt gegeven, onder leiding van de directie en aangestuurd door het bestuur. Op dit punt is er bij mij inmiddels echter sprake van een zeer ernstige verontrusting. Door de inhoud van het gesprek dat ik enige tijd geleden ten kantore van het bisdom voerde met uw voorzitter en directie rezen bij mij al zekere bedenkingen, welke bij het bezoek aan het museum alleen nog maar zijn versterkt (…).

Tekenend vond ik wel de uitspraak van uw voorzitter dat de doelstelling van het museum vanuit het perspectief van de nota “Geloof in de Toekomst” bezien moet worden, terwijl het voor zichzelf spreekt dat deze nota juist gelezen en geïnterpreteerd moet worden in het licht van de statutaire doelstelling (…).

Het eigene dat wij als Katholieke Kerk met de andere christenen in te brengen hebben binnen de dialoog met de wereldgodsdiensten is nu juist de Persoon van Jezus, de Christus. Het is eerlijk om in de dialoog met de andere godsdiensten Hem helder in het licht te stellen. Dit is juist de opdracht van de Heilig Land Stichting. In de recente kerkgeschiedenis zijn veel kerkelijke instellingen, die stammen uit de periode van de verzuiling, losgemaakt van de Kerk. Bij de Heilig Land Stichting is een dergelijke loskoppeling niet verantwoord. Haar opdracht raakt het hart van de Kerk. Het is mijn opdracht, als bisschop, om hierover te waken.

De Bisschop uit een aantal bedenkingen over wat hij tijdens het werkbezoek heeft waargenomen en vervolgt dan:

De bedenkingen zijn bij mij zodanig, dat ik er zeker van moet zijn dat u als bestuur nog volledig achter de statutaire doelstelling staat, aan de behartiging waarvan u uw positie ontleent, en dat derhalve de gestaltegeving van het museum en de uitvoering c.q. uitwerking van de nota “Geloof in de Toekomst” vanaf heden zal geschieden overeenkomstig de statutaire doelstelling zoals ik deze versta. Concreet betekent dit dat ik nu van u vraag:

1. dat u de ombouw van met name de Via Orientalis per direct laat stopzetten tot consent mijnerzijds (…);

2. dat de doelstelling van de Heilig Land Stichting wordt hernomen in de zin zoals ik die als bisschop versta;

3. dat alle projecten, waaronder die met een catechetisch karakter en die welke de museale inrichting betreffen, aan mij worden voorgelegd ter toetsing vooraf.

Uiterlijk op 12 maart aanstaande wens ik van u hierop schriftelijk een bevestigend antwoord te hebben ontvangen.

2.19. De voorzitter van het bestuur van Heilig Land Stichting, [ ], antwoordt de bisschop op 6 maart 2002 op briefpapier van het Bijbels Openluchtmuseum, Heilig Land Stichting:

Monseigneur,

De in Uw brief d.d. 25 februari 2002 verwoorde stellingname vraagt van Bestuur en Directie van onze Stichting diepgaande studie, consult en beraad.

De termijn die U ons biedt, is echter te kort om een weloverwogen reactie te formuleren.

Gezien de ernst van Uw brief gaan we ervan uit dat U ons voor de beantwoording daarvan nadere bedenktijd zult laten.

2.20. Mgr. [eiser sub 1] antwoordt op 15 maart 2002 met een brief waarin onder meer het volgende meegedeeld wordt.

Tot mijn teleurstelling heb ik geen bevestigend antwoord ontvangen (…).

Weliswaar heeft uw voorzitter mij (…) verzocht om een langere termijn voor antwoord doch (…) heb ik daartoe niet de vrijheid. Hierbij weegt voor mij ook zwaar dat deze reactie in geen enkel opzicht inging op het verzoek om de statutaire doelstelling te onderschrijven en te hernemen.

Derhalve zie ik mij genoodzaakt om gebruik te maken van mijn statutaire en kerkrechtelijke bevoegdheid als bisschop om u en uw medebestuursleden van de Heilig Land Stichting en de Eerste Hulpstichting met ingang van heden te ontslaan (…).

Aangezien u daardoor niet meer in staat bent om voordrachten te verrichten voor bestuursleden, ben ik op grond van artikel 4 onder c van de statuten heden overgegaan tot de benoeming van enige nieuwe bestuursleden (…).

2.21. Mgr. [eiser sub 1] deelt bij brief van dezelfde datum aan de directies van de beide stichtingen mee tot bestuurders te hebben benoemd [ ], diaken, mr. drs. [ ] en dr. [ ].

2.22. Als voorzitter van de twee stichtingsbesturen schrijft [ ] op 18 maart 2002 aan mgr. [eiser sub 1]:

- Aangezien de bestaande statuten geen basis bieden voor het benoemen van nieuwe bestuursleden,

- aangezien de wijze waarop U de zittende bestuursleden hebt ontslagen niet strookt met relevante bepalingen van het Burgerlijk Wetboek,

- aangezien de normale bedrijfsvoering, mede voor de zekerheid van het personeel, dient door te gaan, onder bestuurlijke verantwoordelijkheid,

- aangezien wij tijd nodig hebben, om de civielrechtelijke en canonieke vragen die uw brieven oproepen, te (doen) bestuderen,

- achten wij ons nog het rechtmatige en met bestuursverantwoordelijkheid belaste bestuur.

2.23. Het bestuur van de stichtingen verzoekt bij brief van de heren [ ] en [ ] van 19 maart 2002 de Bisschop van 's-Hertogenbosch op grond van canon 1731, 1 CIC zijn brieven van 25 februari en 15 maart 2002, waarin hij het bestuur ontslaat, te herroepen.

2.24. Op 25 maart 2002 vindt een bespreking plaats tussen mgr. [eiser sub 1], vicaris [ ], diaken [ ] en de heren [ ] en [ ] namens het Bisdom en mevrouw [ ], pater [ ] en de heren [ ], [ ], [ ] en [ ] namens Heilig Land Stichting.

2.25. Op de bijeenkomst van 25 maart 2002 is de volgende tekst voor een persbericht opgesteld.

Beraad tussen de bisschop van ’s-Hertogenbosch en het bestuur van het Bijbels Openluchtmuseum heeft geleid tot de volgende conclusies:

1. De bisschop schort het aan de leden van het bestuur verleende ontslag op.

2. Tijdens de opschorting zullen de bisschop en het bestuur zich beraden.

3. Tijdens de opschorting zal het bestuur, behalve voor onderhoud aan gebouwen en inventaris, geen nieuwe verplichtingen aangaan.

4. In de tussentijd wordt er wederzijdse persstilte betracht.

2.26. Uit het van deze bijeenkomst – door de heer [ ] – gemaakte verslag komt onder meer het volgende naar voren.

Mgr. [eiser sub 1] merkt op:

De Heilig Land Stichting is een kerkelijke instelling waarover de bisschop de hoogste leiding heeft. Dat geeft hem de zorg voor de interpretatie en uitvoering van de statuten.

De heer [ ] merkt op:

Het ontslag aan het bestuur van de Heilig Land Stichting is gegeven vanwege een verschil in interpretatie van de doelstelling van de statuten enerzijds en de intentie van het bestuur om de Heilig Land Stichting om te zetten in een burgerlijke stichting anderzijds. Vraag is waaruit de afwijking ten opzichte van de statuten bestaat.

De Bisschop antwoordt op de zojuist geciteerde opmerking van de heer [ ]:

De statuten bepalen dat Jezus Christus in het museum present gesteld moet worden. Nu is ook gekozen voor het Jodendom en de Islam. (De bisschop) kan daar begrip voor hebben, maar niet als de drie godsdiensten op deze wijze naast elkaar staan: het museum is dermate verschoten van kleur dat Jezus Christus niet meer centraal staat, doch hij het gevoel heeft dat het Jodendom en de Islam meer in het centrum staan.

Nadat de heer [ ] heeft gezegd:

Begrijpt niet waarom pas nu hierover gesproken wordt. Al vanaf 1970 is de Heilig Land Stichting middels het Bijbels Openluchtmuseum museaal en educatief bezig om een bredere basis te creëren na een bijna faillissement en zijn verkondiging en educatie uit elkaar gehaald. De huidige lijn, opnieuw een overlevingsstrategie, is in 1993 gestart. Alle beleidsnota’s hieromtrent zijn het bisdom toegezonden zonder dat hierop van de bisschop of de bisschoppenconferentie een negatieve reactie is ontvangen (…). Het besluit van de bisschop nu heeft onverantwoorde consequenties.

geeft mgr. [eiser sub 1] aan dat hij

begrijpt dat zijn beslissing pijn doet, doch hij voelt zich gedwongen zijn verantwoordelijkheid te nemen. De weg die de Heilig Land Stichting ingeslagen heeft is niet volgens de statuten zoals hij deze ziet.

Diaken [ ] merkt op:

De Heilig Land Stichting is een publieke kerkrechtelijke rechtspersoon waarvoor de bisschop verantwoordelijk is. De brief van 25 februari j.l. stelde vanuit die verantwoordelijkheid een drietal vragen. De reactie daarop, een zeer beknopt verzoek om uitstel, onder meer om de juridische aspecten te bekijken, heeft bij het bisdom geleid tot verontrusting, want de trein is reeds rijdende. Het uitblijven van een bevredigend antwoord op de gestelde vragen was dus aanleiding voor het ontslag.

De heer [ ] reageert hier op:

De trein rijdt reeds vanaf 1993. De drie vragen zijn van dien aard dat het onmogelijk was deze vóór 12 maart te beantwoorden. Er zijn immers reeds verplichtingen (bijv. t.a.v. de Via Orientalis) aangegaan. Daarom is gevraagd om uitstel om tijd te hebben tot consultatie alvorens (…) te kunnen antwoorden. Juridisch beraad komt pas aan de orde na de ontslagbrieven van 18 maart.

Diaken [ ] bevestigt dit laatste.

Het bestuur van het Bijbels Openluchtmuseum geeft in een reactie op dit verslag (per brief van 26 april 2002) aan dat het omzetten in een burgerlijke stichting niet in de ontslagbrief is genoemd, maar pas later in een persbericht via de website van Katholiek Nederland naar buiten is gebracht.

2.27. Bij brief van 23 april 2002 deelt de Bisschop van 's-Hertogenbosch aan het bestuur van het Bijbels Openluchtmuseum mee

dat – overigens met behoud van (zijn) inhoudelijke standpunten – het (…) decreet d.d. 15 maart 2002 is ingetrokken, in het licht van de gemaakte afspraken en in afwachting van het verloop van het beraad en de besprekingen.

de nieuwe Stichting Beheer Bijbels Openluchtmuseum

2.28. De heer [ ] schrijft op 29 april 2002 namens Heilig Land Stichting en het Bijbels Openluchtmuseum aan de Bisschop van 's-Hertogenbosch het volgende.

Op 26 april hebben pate[ ], onze directeur en ik verslag uitgebracht aan ons bestuur over het verkennend bezoek van vicaris [ ] en diaken [ ] aan ons museum op 25 dezer. In aansluiting hierop moge het volgende dienen.

1. Zoals uw adviseurs u zullen hebben gerapporteerd, zijn wij bereid – met behoud van de essentie van het huidige museumconcept – uw wensen zo goed mogelijk in te passen in de opzet en ontwikkeling van het museum. Daartoe is het natuurlijk onontbeerlijk dat wij spoedig van u vernemen welke die wensen in concretis zijn, met betrekking tot de Via Orientalis en eventueel andere componenten van het museum (…).

2. In uw brief van 25 april hebt u ons medegedeeld dat u het decreet tot ontslag van (de leden van) het bestuur hebt ingetrokken. Daartoe hebt u besloten “in het licht van de gemaakte afspraken en in afwachting van het verloop van het beraad en de besprekingen”. Deze toevoeging is niet geformuleerd als een voorwaarde in juridische zin en wij moeten aannemen dat zij als zodanig ook niet bedoeld is. U hebt uw brief van 23 april, houdende mededeling van de intrekking van het ontslagdecreet, immers geschreven in antwoord op onze brief aan u d.d. 22 april waarin wij u lieten weten beroep te zullen aantekenen bij de Curie in Rome tegen het ontslag, tenzij u ons binnen enkele dagen zou berichten positief te beschikken op ons verzoek om herroeping van het ontslag (…).

3. Gelet op het feit dat de op 25 maart gemaakte afspraken gelden “tijdens de opschorting van het ontslag” zijn deze thans niet verbindend meer. Niettemin wil ons bestuur zich vooralsnog conform deze afspraken blijven gedragen, uit respect en bewogen door de wens het gerezen conflict in vrede op te lossen.

4. De huidige situatie van stand-still en onzekerheid omtrent de toekomst kan echter niet lang meer duren. Met de dynamiek, eigen aan de bedrijfsvoering van een museum, is een maandenlange bevriezing niet verenigbaar. Daar komt bij dat de rijksoverheid en het provinciebestuur, wier omvangrijke subsidies – reeds verstrekt en in het vooruitzicht gesteld – het museum in leven houden, er met toenemende klem op aandringen dat het museum zijn ontwikkelingsactiviteiten hervat. Dat moet dan gebeuren binnen een juridische structuur die aan de subsidiënten zekerheid biedt. De publiciteit (uwerzijds geëntameerd) over het eerder in dit jaar gerezen conflict heeft de subsidiënten ernstig verontrust. Bijgevolg is het urgent geworden dat het beheer van het museum wordt toevertrouwd aan een stichting naar burgerlijk recht.

5. Op 21 mei zullen uw adviseurs weer naar ons museum komen. Hopelijk kunnen we dan samen de puntjes op de i zetten. Niet later dan 1 juni aanstaande moet het museum in een genormaliseerde situatie weer voluit kunnen functioneren.

2.29. De Bisschop van 's-Hertogenbosch schrijft het bestuur van Heilig Land Stichting op 17 mei 2002:

Vanuit mijn verantwoordelijkheid als bisschop blijf ik vasthouden aan de statuten en de daarin vermelde doelstelling, maar wil ik (…) de interpretatieverschillen nu niet aanscherpen, om geen onoverbrugbare tegenstellingen te laten ontstaan.

Dat betekent dat ik er van uitga dat u uw bestuurstaken voortzet (…).

Een burgerlijke beheersstichting noemt u als een middel in het kader van uw financieringsvraagstukken (omwille van het verkrijgen van subsidies). Als zodanig kan een dergelijke stichting voor mij acceptabel zijn, mits deze zodanig wordt ingericht dat mijn huidige positie en zeggenschap ten opzichte van het geheel van Heilig Land Stichting, waaronder ook Eerste Hulpstichting is begrepen, en museum volledig gehandhaafd blijft. U zou de heer [ ] (...) kunnen vragen om hiervoor een voorzet te maken.

2.30. De heer [ ] schrijft de Bisschop van 's-Hertogenbosch op 7 juni 2002 namens Heilig Land Stichting, Stichting Eerste Hulp en Stichting Beheer Bijbels Openluchtmuseum.

(…) Welke bezwaren van canoniekrechtelijke en civielrechtelijke aard ook tegen dat decreet (van 15 maart 2002, de rechtbank) konden worden ingebracht, sinds 23 april staat het buiten twijfel dat het bestuur van de Heilig Land Stichting en dat van de Eerste Hulp Stichting volledig bevoegd zijn hun taken ten behoeve van deze stichtingen te vervullen.

Niettemin – zo heb ik u op 29 april geschreven – wilden wij ons vooralsnog blijven gedragen conform de eertijds met u gemaakte afspraken (…). Daaraan heb ik echter toegevoegd (…) (zie punten 4 en 5 van de onder 2.28 geciteerde brief van 29 april 2002, de rechtbank).

De tijd is nu gekomen om het museum weer vlot te trekken. Daartoe werd op 6 juni 2002, met instemming van het bestuur van de Heilig Land Stichting, een stichting opgericht naar Nederlands burgerlijk recht (hierna ter bekorting “civiele stichting” te noemen) waarin bij wege van huur en verhuur het museum in beheer wordt gegeven. In het bestuur van deze beheerstichting hebben plaatsgenomen pater F. [ ], de heren J. Lu[ ] en [ ] (secretaris-penningmeester) en ondergetekende als voorzitter.

Deze herstructurering is noodzakelijk – zoals onzerzijds meermalen aan u en uw adviseurs is uiteengezet – om de subsidiëring door het Rijk en de Provincie veilig te stellen. Deze subsidiëring zou worden beëindigd (en zelfs zouden reeds verstrekte subsidies kunnen worden teruggevorderd), indien het museum het gedurende het afgelopen decennium ontwikkelde concept, neergelegd in de beleidsnota “Geloof in de toekomst” en vervolgens in uitvoering genomen, nu of in de voorzienbare toekomst zou prijsgeven. Tegen de verwezenlijking van dit concept – het christendom visualiseren naast het jodendom en de islam, drieluik van de monotheïstische godsdiensten die alle zijn ontstaan in het Midden-Oosten en elkaar ontmoeten in de aartsvader Abraham – hebt u (in uw brief van 25 februari) ernstige bedenkingen gemaakt. Zo ernstig bleken deze bedenkingen dat ze vertaald werden in enkele ultimatief aan het bestuur gestelde eisen en dat de niet-directe inwilliging daarvan u vervolgens ertoe gebracht heeft het bestuur te ontslaan. Deze gang van zaken heeft de subsidiënten ernstig verontrust. Aangezien zonder hun (aanzienlijke) steun het museum spoedig ten onder zou gaan, is het van vitaal belang het vertrouwen bij de betreffende subsidiënten te herstellen. Vandaar de oprichting van een civiele stichting die zich ten doel stelt “het in Groesbeek gevestigde en haar door de te Nijmegen gevestigde stichting Heilig Land Stichting in beheer toevertrouwde Bijbels Openluchtmuseum te beheren en verder te ontwikkelen en voorts al hetgeen met een en ander rechtstreeks of zijdelings verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn” (zie ook 2.7 hierboven, de rechtbank), op basis van de beleidsnota “Geloof in de toekomst” en van de daaraan tot op heden gegeven uitvoering. Op deze wijze willen wij tevens de continuïteit van het museum en de consistentie van het beleid garanderen. Vandaar ook dat de bevoegdheden van de bisschop van ’s-Hertogenbosch, neergelegd in de statuten van de Heilig Land Stichting, niet zijn opgenomen in de statuten van de civiele stichting.

Wij allen, direct betrokkenen en belangstellenden, moeten beseffen om welke reële opties het hierbij gaat. De werkelijke keuze is niet tussen enerzijds het voortbestaan van het Bijbels Openluchtmuseum volgens het in de laatste jaren ontwikkelde en door de subsidiërende instellingen waardevol bevonden museumconcept en anderzijds een museum dat zich richt op een exclusieve presentatie van het Evangelie van Jezus Christus. Het laatste bleek, en is, museaal niet te realiseren. Al in de jaren zeventig van de vorige eeuw was het museum in deplorabel verval geraakt; het bisdom heeft vrijwel nooit enige financiële steun aangereikt; Rijk en Provincie dachten er niet over dat in de plaats van het bisdom wel te gaan doen. Nee, de enige reële keuze is die tussen een Bijbels Openluchtmuseum als thans in ontwikkeling danwel totale teloorgang (…).

Wij verklaren hierbij uitdrukkelijk dat wij er prijs op stellen het beraad met u en uw adviseurs voort te zetten. Voorstellen of wensen uwerzijds zullen wij ernstig nemen en, mits zij harmoniëren met het museumconcept, naar vermogen ten uitvoer brengen.

Ter invulling van uw wens bestuurlijk betrokken te zijn, stellen wij u voor op korte termijn van gedachten te wisselen over de aanpassingen van de statuten van Heilig Land Stichting en Eerste Hulpstichting Heilig Land Stichting conform de Algemene Bepalingen uit 1995, waarin ruimte is voor twee, op uw voordracht te benoemen bestuursleden (…).

Het spreekt vanzelf dat ook na de herstructurering de gebruikelijke financiering van het museum moet voortgaan. Om dat te verzekeren hebben wij als Eerste Hulpstichting-bestuur een overeenkomst gesloten met de stichting tot beheer van het museum.

2.31. Bij deze brief doet de heer [ ] een voorstel voor een gezamenlijk uit te brengen persbericht:

Het bestuur van de Stichting Heilig Land Stichting heeft besloten het beheer van het Bijbels Openluchtmuseum toe te vertrouwen aan een daartoe in het leven geroepen stichting naar Nederlands burgerlijk recht. Deze zal het museum verder ontwikkelen als een museum van de drie monotheistische godsdiensten christendom, jodendom en islam, die in het Midden-Oosten zijn ontstaan en elkaar in de aartsvader Abraham ontmoeten. Het bestuur van de Heilig Land Stichting zal met het bisdom nader overleg plegen op welke wijze de door het bisdom gewenste betrokkenheid vorm en inhoud gegeven kan worden.

2.32. De samenwerkingsovereenkomst waarvan in [ ]s brief sprake is, is gesloten tussen Eerste Hulp Stichting der Heilig Land Stichting en Stichting Beheer Bijbels Openluchtmuseum. Tegelijkertijd is een overeenkomst tot verhuur van de exploitatie van het Bijbels Openluchtmuseum tot stand gekomen tussen Heilig Land Stichting en Eerste Hulp Stichting als verhuurder en Stichting Beheer Bijbels Openluchtmuseum als huurder. Onder 2.33 zal de inhoud van de samenwerkingsovereenkomst aan de orde komen, onder 2.34 die van de huurovereenkomst.

2.33. De samenwerkingsovereenkomst houdt onder meer in dat Stichting Beheer Bijbels Openluchtmuseum en Eerste Hulp Stichting voor vijfendertig jaar overeenkomen

- dat Stichting Beheer Bijbels Openluchtmuseum aan Eerste Hulp Stichting kantoor en kantoorfaciliteiten ter beschikking stelt zoals zij dat aan Heilig Land Stichting deed,

- dat Eerste Hulp Stichting Stichting Beheer Bijbels Openluchtmuseum voor het verlenen van administratieve ondersteuning € 22.500,00 (geïndexeerd) per jaar betaalt,

- dat Stichting Beheer Bijbels Openluchtmuseum aan Eerste Hulp Stichting de gronden verhuurt die laatstgenoemde in gebruik heeft in het kader van de exploitatie van de begraafplaats,

- dat Eerste Hulp Stichting aan Stichting Beheer Bijbels Openluchtmuseum verhuurt de gronden die Stichting Beheer Bijbels Openluchtmuseum in gebruik heeft in het kader van de exploitatie van het Bijbels Openluchtmuseum,

- dat Eerste Hulp Stichting per saldo – verrekening van de huurprijzen – € 36.750,00 (geïndexeerd) per jaar aan Stichting Beheer Bijbels Openluchtmuseum verschuldigd is,

- dat Eerste Hulp Stichting de financiële ondersteuning die zij aan de exploitatie van het Bijbels Openluchtmuseum gaf, blijft voortzetten,

- dat de hoogte van de jaarlijkse financiële bijdrage van Eerste Hulp Stichting aan Stichting Beheer Bijbels Openluchtmuseum bedraagt het exploitatietekort zoals dat uit de jaarrekening van Stichting Beheer Bijbels Openluchtmuseum blijkt.

Heilig Land Stichting ondertekent de overeenkomst naast Stichting Beheer Bijbels Openluchtmuseum en Eerste Hulp Stichting ten teken van haar instemming met de financiële verplichtingen die laatstgenoemde op zich neemt tegenover Stichting Beheer Bijbels Openluchtmuseum.

2.34. De overeenkomst tot verhuur van de exploitatie van het Bijbels Openluchtmuseum is tussen Heilig Land Stichting en Eerste Hulp Stichting als verhuurder en Stichting Beheer Bijbels Openluchtmuseum aangegaan voor vijf jaar, met een optie tot verlenging met zes huurperiodes van steeds vijf jaar.

Verhuurd werd hierbij – voor € 55.000,00 per jaar – de onderneming van huurder, bestaande uit de exploitatie van het Bijbels Openluchtmuseum. De omvang en de samenstellende delen van deze onderneming worden in artikel 3 van de overeenkomst omschreven, het zijn samengevat onroerende zaken, de activa en passiva zoals omschreven in de jaarrekening 2001 van de verhuurder (met uitzondering van een schuld op lange termijn van f. 1.000.000,00), de werknemers en de handelsnaam Bijbels Openluchtmuseum.

2.35. Op 12 juni 2002 reageert de Bisschop van 's-Hertogenbosch:

Helaas moet worden geconstateerd dat nu het moment gekomen is om u erop te wijzen dat ik me alle rechten voorbehoud.

In dit verband zij er ook op gewezen dat ik nog tot een jaar na dato de mogelijkheid heb om een procedure te starten die er op gericht zou zijn om de door u genomen stappen te vernietigen.

Als voorheen kunt u zich niet vrij achten bindende afspraken met derden te maken (…).

Eerder ben ik (…) bereid geweest om het ontslag te herzien. Ik doe nu een klemmend beroep op u om eenzelfde bereidheid te tonen, de genomen stappen zelf terug te draaien, en weer aan de overlegtafel terug te komen.

Als de uitgangssituaties weer zijn, zoals ze waren, kan het overleg (…) kansrijk worden voortgezet.

2.36. De heer [ ] antwoordt dat het Bijbels Openluchtmuseum en Heilig Land Stichting bereid blijven tot overleg, maar niet onder de door de Bisschop gestelde voorwaarde. Hij betreurt het dat het overleg tussen partijen wederom via de pers tot een conflict dreigt te escaleren.

de aanloop tot deze procedure

2.37. Op 5 juli 2002 schrijft de advocaat van de Bisschop van 's-Hertogenbosch aan het bestuur van Heilig Land Stichting en aan Stichting Beheer Bijbels Openluchtmuseum. De brief aan het bestuur van Heilig Land Stichting luidt onder meer als volgt.

1. (…)

- Uw handelen miskent en frustreert de doelstelling van de stichting waarvan u het bestuur vormt. In de statuten van de door u geïnstigeerde nieuwe stichting is slechts het enkele beheer van het museum als statutair doel geformuleerd. Door desondanks het volledige beheer van het museum middels een verhuur/exploitatieovereenkomst over te dragen aan de nieuwe stichting bent u getreden buiten de grenzen van de statuten van de Heilig Land Stichting, waarin immers de signatuur van het museum is bepaald.

- Uw handelen is voorts onrechtmatig en strijdig met hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd, aangezien het kennelijk is ingegeven door het oogmerk, de bisschop te beroven van de hem toekomende invloed binnen de Heilig Land Stichting.

- (…). Van het u geschonken vertrouwen is door uw bestuur misbruik gemaakt. Bovendien was uw handelen in flagrante strijd met de letter en geest van de afspraak om hangende het overleg geen nieuwe verplichtingen aan te gaan.

De huidige toestand is voor de bisschop onaanvaardbaar. De door u als orgaan van de Heilig Land Stichting genomen besluiten zijn vernietigbaar. Hetzelfde geldt voor de rechtshandeling bestaande uit de verhuur van de “onderneming” aan de nieuw opgerichte, civiele stichting, aangezien aan de nieuwe stichting het gebrek dat aan het besluit kleefde bekend was of behoorde te zijn.

2.

(…). Het (handelen van uw bestuur, de rechtbank) is tevens in rechtstreekse strijd met de uitdrukkelijk meegedeelde visie van de bisschop dat de oprichting van een civiele stichting zonder meer niet wenselijk is (…).

3.

(…). Ik verzoek u, mij (…) te doen toekomen de besluiten en toezeggingen inzake subsidies aan de Heilig Land Stichting, met de bijbehorende subsidievoorwaarden.

2.38. Aan Stichting Beheer Bijbels Openluchtmuseum schrijft de advocaat van mgr. [eiser sub 1] op 5 juli 2002 onder meer dat de oprichting van deze stichting een vernietigbare rechtshandeling is omdat zij was gericht op het doel de bisschop te ontdoen van zijn invloed binnen Heilig Land Stichting/het Bijbels Openluchtmuseum, en dat op dezelfde grond het besluit en de rechtshandeling van de overeenkomst van huur/verhuur waarbij het beheer van het museum aan de stichting is verhuurd, vernietigbaar zijn.

2.39. In zijn reactie d.d. 24 augustus 2002 schrijft de heer [ ] namens de besturen van Heilig Land Stichting en Eerste Hulp Stichting onder meer dat de stichtingen het niet eens zijn met het in de brief van 5 juli 2002 gestelde en dat de overheden die subsidies hebben toegezegd en uitgekeerd

daarbij niet de eis (hebben) gesteld dat het museum onder beheer zou komen van een rechtspersoon naar burgerlijk recht. Zij wensten en wensen niets meer en niets minder dan een kordate en voortvarende realisatie van de ingediende plannen en daarop rekenden zij ook. Totdat de bisschop van ’s-Hertogenbosch intervenieerde met zijn (…) brief van 25 februari (…) en het daarop volgende ontslag (…). Deze bruuske interventie vergruizelde het vertrouwen bij de subsidiënten in de tenuitvoerlegging van het beleid (…). Plotseling werd het duidelijk dat de Heilig Land Stichting een kerkelijk rechtspersoon is beheerst door canoniek recht, een recipiënte van subsidie wier toezeggingen aan de subsidiënten te allen tijde kunnen worden doorkruist door ingrepen door het kerkelijk gezag. Daarmee is het museum, enerzijds in de macht van kerkelijk gezag, maar anderzijds voor zijn voortbestaan aangewezen op onthutste subsidiënten (Rijk en provincie), in de gevarenzone terecht gekomen. Ons besluit tot herstructurering is derhalve genomen om het museum veilig te stellen.

3. De vordering

3.1. Eisers stellen, samengevat, het volgende. Heilig Land Stichting en Eerste Hulp Stichting der Heilig Land Stichting zijn stichtingen met een publiek kerkelijke rechtspersoonlijkheid, instellingen van de R.-K. Kerk. Dit volgt uit hun statuten en hun wordingsgeschiedenis. Dientengevolge heeft de Bisschop van 's-Hertogenbosch een ruime mate van zeggenschap binnen deze stichtingen en een formele positie die op kerkelijk recht en op de statuten van de stichtingen is gebaseerd.

3.2. Tot de taken en bevoegdheden van een bisschop behoren krachtens kerkelijk recht, de CIC:

- toezicht uitoefenen op de integriteit van geloof en zeden en waken dat geen misbruiken sluipen in de kerkelijke discipline (canon 305, par. 1),

- visiteren van de stichting (canon 305, par. 1),

- bevestigen, aanstellen of benoemen van bestuurders (canon 317, par. 1),

- aanwijzen van een commissaris die bij bijzondere omstandigheden waar ernstige redenen dit eisen, in naam van de bisschop de instelling tijdelijk bestuurt (canon 318, par. 1),

- ontslaan van bestuurders (canon 318, par. 2),

- uitoefenen van de hogere leiding over het beheer van de goederen (canon 319, par. 1).

3.3. Het belang van beide eisers wordt als volgt onderscheiden.

De Bisschop van 's-Hertogenbosch komt op grond van de aard van de stichtingen substantiële invloed toe binnen Heilig Land Stichting en Eerste Hulp Stichting.

Het Bisdom is belanghebbende omdat de goederen van Heilig Land Stichting gerekend moeten worden tot de kerkelijke goederen en in wezen aan de kerkelijke invloed worden onttrokken door de hierna te noemen, door eisers aangevochten besluiten en overeenkomsten.

3.4. Gedaagden hebben beoogd, zo wordt in de dagvaarding gesteld, de Bisschop uit te rangeren en de banden met de R.-K. Kerk, zoals die blijken uit de doelomschrijving van Heilig Land Stichting – die wordt geregeerd door haar statuten en kerkelijk recht – af te schudden door

- te besluiten Stichting Beheer Bijbels Openluchtmuseum op te richten en tot deze oprichting over te gaan,

- te besluiten tot het aangaan van de verhuur-/exploitatieovereenkomst en deze te sluiten,

- te besluiten tot het aangaan van de samenwerkingsovereenkomst en deze te sluiten.

Tegenover de Bisschop van 's-Hertogenbosch zijn deze handelingen, te zien als een samenstel van rechtshandelingen, in strijd met de redelijkheid en billijkheid die volgens art. 2:8 BW de relaties binnen een rechtspersoon beheersen.

Het samenstel van rechtshandelingen is dan ook vernietigbaar op grond van art. 15 lid 1 sub b BW. Dit geldt ook voor de oprichting van Stichting Beheer Bijbels Openluchtmuseum, omdat deze niet los kan worden gezien van de opzet om de door Heilig Land Stichting gedreven onderneming uit de invloed van de Bisschop en de statutaire doelstelling van Heilig Land Stichting te brengen.

3.5. Het resultaat van het sluiten van de overeenkomsten met Stichting Beheer Bijbels Openluchtmuseum, in het bijzonder de verhuur-/exploitatieovereenkomst, die voor vijfendertig jaar is aangegaan, brengt mee dat van de beide andere stichtingen niet veel meer dan een lege dop overblijft. Het besluit tot het sluiten van deze overeenkomsten komt zozeer nabij aan een besluit tot ontbinding, althans tot statutenwijziging waarvoor op grond van de statuten de instemming van de Bisschop van 's-Hertogenbosch nodig is, dat ook dit in strijd is met de tegenover de Bisschop in acht te nemen eisen van redelijkheid en billijkheid. Daarbij is er bij het nemen van deze besluiten sprake geweest van misbruik van bevoegdheid.

3.6. Van handelen in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid is volgens eisers temeer sprake omdat in de periode dat de aangevochten rechtshandelingen werden verricht, overleg gaande was met mgr. [eiser sub 1].

3.7. Ten overvloede, aldus stellen eisers, beroepen zij zich op nietigheid van de drie aangevochten besluiten wegens strijd met de statuten.

3.8. Nu in alle drie betrokken stichtingen dezelfde bestuurders zaten en Stichting Beheer Bijbels Openluchtmuseum dus op de hoogte was van de situatie binnen de andere stichtingen, de daar geldende doelstellingen en hun verhouding tot de Bisschop, treft de nietigverklaring of vernietiging van de bestuursbesluiten ook de ter uitvoering daarvan gesloten overeenkomsten.

3.9. Eisers verwerpen het betoog van de stichtingen dat zij moesten handelen zoals zij gedaan hebben omdat zij, gelet op de exploitatiemoeilijkheden bij het Bijbels Openluchtmuseum niet anders konden. De statuten van Heilig Land Stichting en Eerste Hulp Stichting, stellen eisers, leggen een kerkelijk karakter op deze stichtingen en geven haar een katechetische opdracht. Dan mag commercieel succes niet prevaleren in de keuzes van het bestuur. Daarbij komt dat niet gebleken is dat subsidiënten in relevante mate zouden afhaken als het bestuur andere keuzes maakte. ‘En zelfs’, vervolgt de dagvaarding, ‘al zou op dat gebied wél een veer gelaten moeten worden, dan rechtvaardigt ook dat nog niet een loslaten van de statutaire doelstelling.’

3.10. Naast de rechtspersonenrechtelijke problematiek gronden eisers de vorderingen op onrechtmatig handelen van de stichtingen. Deze hebben inbreuk gemaakt op de rechten van eisers en/of zich gedragen in strijd met wat in het maatschappelijk verkeer betaamt. Dit leidt tot schadeplichtigheid, bestaande in het ongedaan maken van de gewraakte rechtshandelingen.

3.11. Op grond van het voorgaande vorderen eisers

- de besluiten en rechtshandelingen genoemd onder 26 a tot en met c van de dagvaarding (oprichting van de nieuwe Stichting Beheer Bijbels Openluchtmuseum en het bestuursbesluit daartoe, het aangaan van de verhuur/exploitatie-overeenkomst en het bestuursbesluit daartoe, het aangaan van de samenwerkingsovereenkomst en het bestuursbesluit daartoe) te vernietigen danwel nietig te verklaren,

althans

- de bestuursbesluiten tot het aangaan van de verhuur/exploitatie-overeenkomst en/of de samenwerkingsovereenkomst en/of de op die besluiten gebaseerde overeenkomsten te vernietigen,

althans

- voor recht te verklaren dat deze besluiten en rechtshandelingen jegens eisers onrechtmatig zijn, met veroordeling van ieder der gedaagden om op straffe van een dwangsom mee te werken aan het ongedaan maken van de gewraakte besluiten en rechtshandelingen, te weten de oprichting van de nieuwe Stichting BOM en het bestuursbesluit daartoe, het aangaan van de verhuur/exploitatie-overeenkomst en het bestuursbesluit daartoe, het aangaan van de samenwerkingsovereenkomst en het bestuursbesluit daartoe,

een en ander met veroordeling van gedaagden in de proceskosten.

4. Het verweer

4.1. De gedaagden stellen allereerst naar aanleiding van de brief van mgr. [eiser sub 1] van 25 februari 2002 dat er geen wettelijke, kerkelijke of statutaire basis is op grond waarvan de Bisschop van 's-Hertogenbosch bevoegdheden als door hem voorgestaan, zou kunnen uitoefenen. De Bisschop heeft geen bevoegdheid om zich inhoudelijk met het beleid van het museum te bemoeien. Dit was de taak van het bestuur van Heilig Land Stichting. Voorts heeft de Bisschop geen ongeclausuleerde ontslagbevoegdheid ten aanzien van de bestuursleden en alleen een benoemingsbevoegdheid in de door de statuten genoemde situaties.

4.2. Heilig Land Stichting en Eerste Hulp Stichting der Heilig Land Stichting beschouwen zichzelf – voor wat betreft de mate van zeggenschap en de formele positie van de Bisschop van 's-Hertogenbosch – als private kerkelijke rechtspersonen. Daaronder verstaan zij een kerkelijke rechtspersoon die is opgericht door gelovigen, in tegenstelling tot de door of vanuit de R.-K. Kerk opgerichte publieke kerkelijke rechtspersoon. De private kerkelijke rechtspersoon bestuurt zichzelf volgens zijn eigen statuten en is autonoom ten opzichte van het kerkelijk gezag. De aan deze rechtspersoon toebehorende goederen zijn geen kerkelijke goederen en het beheer erover valt onder de eigen statuten en niet onder de verantwoordelijkheid van de R.-K. Kerk (canon 1257, paragraaf 2 CIC).

4.3. Het onder 4.2 bedoelde standpunt leidt gedaagden tot de conclusie dat het Bisdom niet ontvankelijk verklaard moet worden in zijn vordering.

Zij stellen dat de feitelijke situatie ook aansluit bij die conclusie. Het vermogen van Heilig Land Stichting en Eerste Hulp Stichting is immers, zo betogen zij, niet voornamelijk uit kerkelijke middelen gevormd, maar bijeengebracht door particulieren. Het bestaat vanaf het begin vooral uit de onroerende zaken. Het exploitatiesaldo bestaat onder meer uit entreegelden, giften, legaten en subsidiegelden. De R.-K. Kerk draagt financieel niet aan de stichtingen bij en heeft dat ook nooit gedaan.

4.4. Gedaagden stellen voorts dat de decreten waarin aan de beide stichtingen kerkrechtelijke rechtspersoonlijkheid is verleend, in de archieven van de R.-K. Kerk ontbreken, zodat ingevolge canoniek recht van kerkrechtelijke rechtspersoonlijkheid geen sprake is.

4.5. Uit de Algemene Bepalingen voor Kerkelijke Rechtspersonen en Katholieke Burgerlijke Rechtspersonen in de R.-K. Kerkprovincie in Nederland, die door de Nederlandse Bisschoppenconferentie zijn opgesteld en gelden vanaf januari 1995, volgt, zo stellen gedaagden, eveneens dat er sprake is van een private kerkrechtelijke rechtspersoon. Hiertoe wijzen zij op de volgende artikelen, te lezen in samenhang met de statuten zoals die in 1995 geredigeerd zijn (zie 2.2 e.v. hierboven).

Artikel 10 lid 4

Private kerkelijke rechtspersonen zijn rechtspersonen die door katholieken zijn begonnen en waaraan door het bevoegd kerkelijk gezag bij decreet kerkelijke rechtspersoonlijkheid verleend wordt (canon 116, par. 2).

Artikel 11 lid 1

De doelstelling van kerkelijke rechtspersonen beantwoordt in alle gevallen aan het criterium: “uitoefening van de R.-K. godsdienst. Kerkelijke rechtspersonen stellen zich tot doel het bevorderen van de publieke eredienst of de christelijke leer, het verrichten of bevorderen van werken van vroomheid, apostolaat en caritas en het bezielen van de tijdelijke orde met de christelijke geest (canon 114, par. 2; 298, par. 1).

Artikel 12

In de statuten van een kerkelijke rechtspersoon wordt bepaald dat de geldende Algemene Bepalingen van toepassing zijn.

In de doelstelling erkent de kerkelijke rechtspersoon dat hij zijn taak zal uitoefenen in overeenstemming met de leer van de R.-K. Kerk en geïnspireerd vanuit de katholieke gemeenschap (…).

Onder B, Publieke kerkelijke rechtspersonen, is in de Algemene Bepalingen onder meer bepaald dat de statuten moeten inhouden dat rekening en verantwoording ter goedkeuring aan het kerkelijk gezag voorgelegd wordt en dat voor daden die het gewoon beheer te buiten gaan – onder meer vaststelling, wijziging en overschrijding van de begroting, het aannemen van erfstellingen en legaten, het verkrijgen, vervreemden, belasten of verpachten van onroerende zaken, het verstrekken en aangaan van geldleningen en het aanleggen, uitbreiden of sluiten van begraafplaatsen –, toestemming van het bevoegd kerkelijk gezag nodig is. Deze eisen gelden voor private kerkelijke rechtspersonen niet. Onder C, Private kerkelijke rechtspersonen, staat onder meer:

Artikel 24

2. In de statuten van een private autonome stichting wordt aan het bevoegd kerkelijk gezag het recht toegekend tot goedkeuring van de benoeming en het ontslag van een of meer bestuurdersleden.

Artikel 25

In de statuten van een private kerkelijke rechtspersoon wordt bepaald, dat de begroting en de rekening en verantwoording jaarlijks aan het bevoegde kerkelijk gezag ter kennisneming worden voorgelegd (cf. canon 323 en 325).

Artikel 26

In de statuten van een private kerkelijke rechtspersoon wordt bepaald, dat het bevoegde kerkelijke gezag toegang heeft tot de boeken en bescheiden van de rechtspersoon om na te kunnen gaan of de goederen van de rechtspersoon voor de doelstellingen van de rechtspersoon worden aangewend (canon 325, par. 1).

Artikel 27

Wijziging van de statuten van een private kerkelijke rechtspersoon, alsmede opheffing van een private kerkelijke rechtspersoon behoeven de schriftelijke goedkeuring van de Bisschoppenconferentie of de Bisschop (…).

4.6. Onjuist is volgens gedaagden de stelling van eisers dat tot de taken en bevoegdheden van de Bisschop ten aanzien van Heilig Land Stichting en Eerste Hulp Stichting krachtens kerkelijk recht, de CIC, behoren het toezicht op de integriteit van geloof en zeden en waken dat er geen misbruiken sluipen in de kerkelijke discipline, visiteren van de stichting, bevestigen, aanstellen of benoemen van bestuurders, aanwijzen van een commissaris die bij bijzondere omstandigheden waar ernstige redenen dit eisen, in naam van de bisschop de instelling tijdelijk bestuurt, ontslaan van bestuurders en het uitoefenen van de hogere leiding over het beheer van de goederen. Deze bevoegdheden komen de bisschop slechts toe ten aanzien van de verenigingen – corporaties – van christengelovigen voor zover deze verenigingen publieke kerkelijke rechtspersonen zijn.

De bisschop komen wel de algemene bevoegdheden toe tot het uitoefenen van waken tegen misbruiken van de kerkelijke discipline (canon 392, p. 2 CIC) en het visiteren van de stichting (canon 297, par. 1 CIC).

4.7. Als orgaan van Heilig Land Stichting, wat de Bisschop van 's-Hertogenbosch ingevolge haar statuten is, dient ook hij zich overeenkomstig de regel van art. 2:8 BW te gedragen. Het besluit tot ontslag van het bestuur – dat alle besluiten in verband met de museumexploitatie doorbrak – was onredelijk en daarom vernietigbaar op grond van art. 2:15 sub b BW.

4.8. De beleidsnota ‘Geloof in de Toekomst’, waarop het beleid ten aanzien van het Bijbels Openluchtmuseum en uiteindelijk de herstructurering zijn gebaseerd, had inhoudelijk het consent van de Bisschop van 's-Hertogenbosch. Op grond van die beleidsnota en het daarop gestoelde beleid zijn noodzakelijke subsidies aangevraagd, verleend en toegezegd. Heilig Land Stichting en de subsidiënten committeerden zich hiermee tegenover elkaar. Het terugdraaien van het beleid naar de beperkte doelstelling van 1911 was daarmee onmogelijk geworden, zo stellen gedaagden.

4.9. De Bisschop van 's-Hertogenbosch heeft ervoor gekozen het conflict tussen hem en het bestuur wereldkundig te maken en daarmee Heilig Land Stichting en Eerste Hulp Stichting benadeeld. Met name bij de subsidiënten van de stichtingen wekte dit grote onrust. Hierbij wijzen de gedaagden op:

- een brief van 21 maart 2002 van de burgemeester van Groesbeek aan de Bisschop van 's-Hertogenbosch, waarin de burgemeester aangeeft dat de door de Bisschop voorgestane koerswijziging zou kunnen leiden tot het stopzetten van de gemeentelijke subsidie,

- een brief van het Ministerie van OCW aan het Bijbels Openluchtmuseum van 2 april 2002 waarin wordt gevraagd of de koerswijziging die kennelijk plaatsvindt, effect heeft op de uitvoering van de activiteiten waarvoor de subsidie is bestemd,

- een antwoord van Gedeputeerde Staten van Gelderland d.d. 3 april 2002 op vragen van statenleden over de positie van de subsidie in verband met de onzekerheid over de uitvoering van projecten conform het beleidsplan ‘Geloof in de Toekomst’,

- een brief van de Raad voor Cultuur aan de Staatssecretaris van OCW d.d. 8 april 2002, waarin de Raad zijn zorg uitspreekt over het ontslag van het bestuur door de Bisschop van 's-Hertogenbosch en benadrukt ‘dat zijn positieve advies over de subsidieaanvraag is gebaseerd op het vigerende beleidsplan van het Bijbels Openluchtmuseum’,

- een brief van 8 mei 2002 waarin de Stichting Levi Lassen aan het Bijbels Openluchtmuseum te kennen geeft de laatste tranche van haar subsidie alleen te zullen verstrekken als in het museum op basis van de beleidsnota ‘Geloof in de Toekomst’ wordt gewerkt.

Uit deze stukken blijkt – in de eerste drie wordt dit expliciet vermeldt – dat de opstellers verontrust zijn door de berichten die over het conflict rond Heilig Land Stichting naar buiten zijn gekomen.

4.10. De gedaagden benadrukken dat bij de oprichting van Stichting Beheer Bijbels Openluchtmuseum de keuze slechts bestond tussen het waarborgen van de continuïteit van het museum en de consistentie van het beleid door het oprichten van de stichting aan de ene kant en aan de andere kant het sluiten van het museum. De belangen die hierbij een rol spelen zijn

- de belangen van de werknemers werkzaam in de onderneming,

- de belangen van de vrijwilligers die zich, vaak al jarenlang, voor het Bijbels Openluchtmuseum inzetten,

- het belang van het museum om bij te dragen aan de verdraagzaamheid in de multiculturele samenleving,

- het daarmee samenhangende belang om begrip en respect tussent de aanhangers van de drie monotheïstische religies te bevorderen,

- het belang om verplichtingen tegenover derden, met name de subsidiënten, na te komen,

- het belang van educatie aan schoolkinderen,

- de solvabiliteit van de onderneming.

Gedaagden betogen samengevat dat de gewraakte bestuursbesluiten en de daarop gebaseerde overeenkomsten voldoen aan de daaraan te stellen eisen en dat van een grond voor vernietiging ex art. 2:15 lid 4 sub b BW geen sprake is. Zij stellen voorts dat eisers geen rechtens te respecteren belang hebben bij de gevorderde vernietiging.

4.11. Gedaagden bestrijden het standpunt van de Bisschop van 's-Hertogenbosch dat Heilig Land Stichting en Eerste Hulp Stichting hun doel zouden overschrijden door in het museum behalve aan het christendom en de herinnering aan Jezus Christus ook – op een aan het christendom gelijkwaardige wijze – aan het jodendom en de islam aandacht te besteden. De Bisschop stelt volgens hen de eerste zinsnede van de statutaire doelomschrijving te zeer en ten onrechte centraal. De vraag of de stichtingen buiten hun doel treden is weliswaar als zodanig niet aan de orde, maar speelt op de achtergrond mee in het oordeel van de Bisschop van 's-Hertogenbosch over het bestuursoptreden. Sinds de jaren zestig is het Bijbels Openluchtmuseum, zo voegen de gedaagden hieraan toe, niet meer verkondigend, maar stelt het zich tot taak op aanschouwelijke en wetenschappelijk verantwoorde wijze de mens in contact te brengen met de bijbel en hem een beeld te geven van de geestelijke en stoffelijke cultuur van de wereld waarin die is geschreven.

5. De beoordeling

kerkelijke rechtspersonen

5.1. Allereerst dient de vraag te worden beantwoord of Heilig Land Stichting en Eerste Hulp Stichting der Heilig Land Stichting beschouwd moeten worden als kerkelijke rechtspersonen. Deze vraag zal door de rechtbank bevestigend beantwoord worden (5.2). Daarop komen de vragen aan de orde of er sprake is van een publieke of een private kerkelijk rechtspersoon (5.4 e.v.) en wat het antwoord op deze vraag betekent voor de toepassing van regels op handelingen van deze rechtspersoon en zijn organen (5.12 e.v.), toegespitst op de bestuurshandelingen waarom het in deze zaak gaat. De concrete onderdelen van de vordering komen in 5.17 e.v. aan de orde.

5.2. Dat Heilig Land Stichting en Eerste Hulp Stichting der Heilig Land Stichting

kerkelijke rechtspersonen zijn, staat vast omdat hun statuten dit vermelden (2.2 en 2.5), R.-K. kerkelijk, noch Nederlands burgerlijk recht er zich tegen verzetten en het tussen partijen in confesso is.

5.3. De vraag of de decreten waarbij de oprichtingen van de stichtingen en haar statutenwijzigingen werden goedgekeurd, zodat zij kerkelijk rechtspersoon werden, in de archieven ontbreken (zie 4.4) kan naar het oordeel van de rechtbank blijven rusten omdat de relevante notariële aktes van het bestaan van de toestemming gewag maken en ook partijen, zoals blijkt uit alle stukken, steeds van instemming van de bisschop zijn uitgegaan.

publieke of private kerkelijke rechtspersonen

5.4. In de dagvaarding is kennelijk uitgegaan van een publiek karakter van beide kerkelijke rechtspersonen, gelet op het ver gaande gezag dat aan de Bisschop wordt toegekend in de dagvaarding. Nadat de kwestie bij antwoord uitvoerig was belicht – gedaagden gaan van een privaat karakter uit – zijn eisers uitvoeriger op deze vraag ingegaan. De conclusie dat de rechtspersonen een publiek karakter hebben, gronden eisers op twee uitgangspunten. Het ene is dat de bedoeling van de oprichters van Heilig Land Stichting geloofsverkondiging was. Het tweede uitgangspunt is dat de oprichting van Heilig Land Stichting plaatsvond door het kerkelijk gezag. De rechtbank zal allereerst dit laatste uitgangspunt behandelen (5.5-5.9) en onder 5.10 nog afzonderlijk op het doel van de beide stichtingen ingaan.

5.5. Uitgangspunt van eisers is dat de oprichting van Heilig Land Stichting in 1911 door het kerkelijk gezag plaatsvond. Eisers lijken zich te dezen te beroepen op de woorden “De stichting is een instelling van de Rooms-Katholieke Kerk in de zin van canon 100 (…) en van artikel VII van het Reglement voor het R.-K. Kerkgenootschap in Nederland en bezit als zelfstandig onderdeel volgens het kerkelijk recht rechtspersoonlijkheid, welke ingevolge artikel 2 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek als zodanig is erkend naar Nederlands recht” in artikel 1 van de statuten der Heilig Land Stichting en op de woorden “De comparanten verklaren (…) dat de stichting een kerkelijke stichting is en een zelfstandig onderdeel is van het R.-K. Kerkgenootschap in Nederland (…)” in de preambule van de statuten van Eerste Hulp Stichting. Deze woorden scheppen echter geen recht omdat zowel de CIC als het BW uitgaan van een materiële afbakening van de verschillende soorten rechtspersonen; hun aard is doorslaggevend – behoudens wettelijke uitzonderingen – en niet de benamingen die oprichters geven.

5.6. Eisers beroepen zich mede op een door hen overgelegde notitie van drs. [ ]t (lic.iur.can.), pr. Ook daarin echter wordt als kenmerk van de publieke kerkelijke rechtspersoon (prod. 29, blz. 3, nr 6) uitdrukkelijk gesteld: “Publieke rechtspersonen zijn gehelen van personen of zaken, die door de bevoegde kerkelijke overheid opgericht worden om binnen de voor hen te voren vastgestelde grenzen namens de Kerk, volgens de voorschriften van het recht, de hun eigen, met het ook op het openbaar welzijn toevertrouwde taak te vervullen; de overige rechtspersonen zijn privaat (can. 116, par. 1 CIC/1983).”

5.7. De conclusies van eisers zijn, in navolging van de notitie van drs. [ ], tweeërlei. Gevolg van de publieke rechtspersoonlijkheid is dat de desbetreffende rechtspersoon namens de R.-K. Kerk handelt (genoemde notitie, onder 7, p.3) en ook dat de Heilig Land Stichting en Eerste Hulp Stichting der Heilig Land Stichting publieke kerkelijke rechtspersonen zijn.

5.8. Deze dubbele conclusie wordt echter niet gedragen door het betoog van drs. [ ] en vindt geen steun in het kerkelijk recht. Voor de beslissing of de rechtspersoon die niet uitdrukkelijk als zodanig is opgericht, een private of een publieke kerkelijk rechtspersoon is, is het antwoord op de vraag wie haar hebben opgericht, doorslaggevend (canon 116 par. 1 CIC, art. 10 lid 4 Algemene Bepalingen). Dit geldt in ieder geval voor oude rechtspersonen zoals de Heilig Land Stichting, maar canon 116, par. 1 CIC beperkt dit materiële criterium niet daartoe, zodat het ook voor later opgerichte rechtspersonen doorslaggevend geacht moet worden. De voor de hand liggende reden daarvan ligt in het gevolg van de publieke rechtspersoonlijkheid, het optreden namens de R.-K. Kerk. Een dergelijke bevoegdheid kan niet zonder meer aan een door particulieren, zelfs niet met consent van de bisschop opgerichte rechtspersoon worden gegeven.

5.9. De rechtbank onderschrijft het standpunt dat het hier gaat om twee publieke kerkelijke rechtspersonen dus niet. De oprichting van Heilig Land Stichting heeft door een aantal particuliere personen met goedkeuring van het kerkelijk gezag, de Bisschop van 's-Hertogenbosch, plaatsgevonden. Dat geldt ook voor de oprichting van Eerste Hulp Stichting,die uit Heilig Land Stichting is voortgekomen.

Uit de stukken blijkt bovendien overduidelijk dat noch de Bisschop van 's-Hertogenbosch – de huidige, eiser, en zijn voorgangers – noch de besturen van de stichtingen ooit de stichtingen als zelfstandige onderdelen van het R.-K. kerkgenootschap met een religieus karakter – dat zich de gemeenschappelijke geloofsbeleving ten doel stelt – in de zin van art. 2:2 lid 2 BW heeft gezien. Dat de onder 5.5 geciteerde passages in de notariële aktes zijn opgenomen – naar het oordeel van de rechtbank is dat overigens ten onrechte gedaan – doet daaraan niet af.

5.10. De doelomschrijving van Heilig Land Stichting – de herinnering aan Jezus Christus levend te houden door op aanschouwelijke en wetenschappelijk verantwoorde wijze de mens in contact te brengen met de boodschap van het Oude en Nieuwe Testament en hem een beeld te geven van de geestelijke en stoffelijke cultuur van de wereld waarin de bijbel is geschreven – mag door beide partijen als een vorm van geloofsverkondiging worden geduid, het is niet de gemeenschappelijke geloofsbeleving op zichzelf die het doel vormt. Daarvan getuigt de concrete uitwerking ervan in het “op aanschouwelijke en wetenschappelijk verantwoorde wijze de mens in contact te brengen met de boodschap van het Oude en Nieuwe Testament en hem een beeld te geven van de geestelijke en stoffelijke cultuur van de wereld waarin de bijbel is geschreven.”

5.11. De conclusie van de rechtbank is dat de beide stichtingen private kerkelijke stichtingen zijn. Dat leidt tot de volgende vraag:

wat het zijn van private kerkelijk rechtspersoon betekent voor de toepassing van regels op handelingen van deze rechtspersoon en zijn organen

5.12. De stichtingen zijn opgericht als stichtingen naar Nederlands recht. Zij kunnen dus, ondanks hun karakter van kerkelijke rechtspersoon, niet los daarvan gezien worden.

5.13. Ten tijde van de oprichting van Heilig Land Stichting, in 1911, bestond de Wet op Stichtingen 1956 nog niet. Het afgezonderde doelvermogen, waarvan letterlijk sprake was (zie 2.8 hierboven), werd door algemene regels en de eigen statuten beheerst. Nadat de Wet op Stichtingen 1956 vervangen was door het in 1976 ingevoerde Boek 2 BW zijn de statuten van Heilig Land Stichting gewijzigd. De stichting, die niet viel onder de oude, krachtens de Overgangswet Nieuw BW erkende organisaties, bestaat vanaf 1995 zonder twijfel als privaatrechtelijke stichting, de situatie waarvan ook de Algemene Bepalingen van de Bisschoppenconferentie uitgaan. Deze stichting is niet een kerkgenootschap of een zelfstandig onderdeel daarvan zoals bedoeld in art. 2:2 BW, voor welke rechtspersonen geldt dat zij geregeerd worden door hun eigen statuut, voor zover dit niet in strijd is met de wet, en dat slechts een beperkt aantal bepalingen van het wettelijk rechtspersonenrecht op hen van toepassing is. Dit geldt ook voor Eerste Hulp Stichting, die pas in 1979 is opgericht, dus onder vigeur van het inmiddels ingevoerde Boek 2 BW. Hieruit volgt dat de beide stichtingen gewone privaatrechtelijke stichting zijn in de zin van art. 2:285 BW. Op haar is het wettelijk rechtspersonenrecht onverkort van toepassing. De vraag of naast deze wettelijke regels en haar statuten nog andere regels van toepassing zijn, wordt in beginsel beantwoord door haar statuten. Die stellen immers het recht voor de rechtspersoon voor zover dat niet door de wet gesteld is.

5.14. Een van de vragen die in deze procedure voorliggen, is of de toepasselijkheid van twee, grotendeels dwingende rechtsstelsels – Nederlands burgerlijk en canoniek – niet botst. Voor de beide private kerkelijke rechtspersonen gelden achtereenvolgens het dwingende recht van het BW, de statuten met, voor zover de statuten daarnaar verwijzen, het CIC en de Algemene Bepalingen zoals die door de Bisschoppenconferentie zijn uitgevaardigd, en het aanvullende recht van het BW. De rechtbank stelt na kennisneming van de relevante bepalingen vast dat de regelingen, mits op deze wijze toegepast, niet botsen. De Algemene Bepalingen zorgen voor een aansluiting tussen de verschillende stelsels die bij publieke kerkelijke rechtspersonen het primaat aan het CIC laat en bij private aan het BW. Dit systeem sluit aan bij dat van het BW waarin art. 2:2 BW de kerkelijke rechtspersonen in beginsel door hun eigen statuut laat regeren.

5.15. Het voorgaande betekent dat eisers ten onrechte stellen dat tot de taken en bevoegdheden van de Bisschop van ‘s-Hertogenbosch ten aanzien van Heilig Land Stichting en Eerste Hulp Stichting krachtens het CIC behoren toezicht op de integriteit van geloof en zeden en waken dat er geen misbruiken sluipen in de kerkelijke discipline, visiteren van de stichting, bevestigen, aanstellen of benoemen van bestuurders, aanwijzen van een commissaris die bij bijzondere omstandigheden waar ernstige redenen dit eisen, in naam van de bisschop de instelling tijdelijk bestuurt, ontslaan van bestuurders en het uitoefenen van de hogere leiding over het beheer van de goederen.

Deze bevoegdheden komen de bisschop blijkens het CIC en de Algemene Bepalingen van de Bisschoppenconferentie slechts toe ten aanzien van de verenigingen van christengelovigen voor zover deze verenigingen publieke kerkelijke rechtspersonen zijn.

De bevoegdheden die de Bisschop van 's-Hertogenbosch ten aanzien van de beide stichtingen heeft, in het bijzonder op de terreinen van bestuursbenoeming, statutenwijziging en ontbinding, ontleent hij aan de statuten van de stichtingen, niet aan het CIC.

toepasselijkheid van burgerlijk recht

5.16. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat – behoudens mogelijke doorwerking van de regels van het CIC en de Algemene Bepalingen als aanvullend recht – het Nederlands burgerlijk recht van toepassing is op de vraag naar de geldigheid van besluiten genomen binnen de twee stichtingen. Het is in ieder geval van toepassing op de overeenkomsten die zij met derden hebben gesloten.

5.17. Daarmee kunnen nu de onderdelen van de vordering zelf aan de orde komen.

het belang van het Bisdom

5.18. Het belang van het Bisdom bij de vorderingen in deze procedure zou daarin zijn gelegen dat de goederen van Heilig Land Stichting gerekend moeten worden tot de kerkelijke goederen en dat deze door de gewraakte rechtshandelingen aan de invloed van het Bisdom worden onttrokken. Dit standpunt van eisers is onjuist omdat, zoals onder 5.11 is overwogen, Heilig Land Stichting geen publieke kerkelijke rechtspersoon is. Een gevolg daarvan is dat het beheer van haar goederen geen kerkelijke aangelegenheid is omdat dit zuiver door Nederlands privaatrecht wordt beheerst. Niet in geschil is dat Heilig Land Stichting rechthebbende is in privaatrechtelijke zin. Dat betekent dat het Bisdom in zijn vorderingen niet ontvankelijk is.

nietigverklaring c.q. vernietiging van de oprichting van Stichting Beheer Bijbels Openluchtmuseum en het besluit tot die oprichting

5.19. Wat betreft de oprichting van Stichting Beheer Bijbels Openluchtmuseum overweegt de rechtbank dat voorop staat dat de wet, art. 2:4 BW, een zeer beperkt aantal mogelijkheden opent om het bestaan van een rechtspersoon aan te tasten. Allereerst noemt lid 1 van dit artikel de non-existentie. Daarvan is hier geen sprake. Voorts voorziet het artikel in lid 2 in de gevolgen van vernietiging van de rechtshandeling waardoor de rechtspersoon is opgericht. Deze tast, zo bepaalt dit artikellid, het bestaan van de rechtspersoon niet aan. Andere mogelijkheden om de oprichting aan te tasten dan het constateren van non-existentie kent de wet derhalve niet. De vordering zal op dit onderdeel dan ook moeten worden afgewezen.

5.20. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat het ongedaan maken – ook wordt gesproken van terugdraaien – van de oprichtingshandeling zoals op basis van onrechtmatige daad gevorderd wordt, als deze al mogelijk zou zijn, om dezelfde redenen niet kan worden toegewezen.

nietigverklaring c.q. vernietiging van het aangaan van overeenkomsten en van de besluiten daartoe in het algemeen; het doel van de stichtingen

5.21. Om de verhouding tussen de partijen, voor zover daaraan door redelijkheid en billijkheid inhoud wordt gegeven, duidelijk te maken, stelt de rechtbank het volgende voorop.

5.22. Niet weersproken is de stelling van de gedaagden dat de Bisschop van ‘s-Hertogenbosch – eiser én zijn voorgangers – op de hoogte zijn gehouden van de ontwikkelingen binnen de beide stichtingen op de daartoe voorgeschreven wijzen en dat vóór 2001 niet ingegrepen is door de Bisschop van 's-Hertogenbosch in de gang van zaken. Onder ingrijpen verstaat de rechtbank dan het eerste moment waarop de Bisschop aangaf het niet eens te zijn met het bestuur. Dat is geweest het najaar van 2001, toen de benoeming van een bestuurslid niet werd geaccordeerd door de Bisschop. Dat de Bisschop niet uitdrukkelijk zijn goedkeuring heeft gehecht aan veranderingen, zoals eisers aanvoeren, verandert hieraan niets. Het canoniek recht en de statuten gaven hem ruimte om zijn mening naar voren te brengen. Gesteld noch gebleken is dat een bisschop die vóór 2001 heeft benut om de veranderingen bij het Bijbels Openluchtmuseum tegen te houden.

5.23. De Bisschop van 's-Hertogenbosch stelt dat hij uit de hem ter beschikking gestelde stukken niet de indruk kon krijgen dat het Bijbels Openluchtmuseum een geheel andere weg zou inslaan dan uit de statuten volgde.

5.24. De rechtbank kan hem hierin niet volgen. Wie de tekst van de vanaf 1993 verschenen stukken naast de doelomschrijving van Heilig Land Stichting legt, valt een accentverschuiving op die kort gezegd inhoudt dat naast de aandacht voor de Bijbel en met name het Nieuwe Testament, aandacht naar het jodendom en de islam gaat. Dit kan en mag de Bisschop van 's-Hertogenbosch in redelijkheid, gezien de van hem te verwachten diligentie, niet zijn ontgaan.

5.25. Het doel van de rechtspersoon zoals dat een rol speelt bij de vraag of het doel overschreden wordt – die hier weliswaar niet in de zin van art. 2:7 BW, maar wel indirect aan de orde is – is niet beperkt tot de statutaire doelomschrijving. Dit blijkt uit de jurisprudentie. De rechtbank wijst in het bijzonder op de volgende arresten.

HR 16 oktober 1992, NJ 1993, 98: “Bij beantwoording van de vraag of door een bepaalde rechtshandeling het doel van de rechtspersoon in naam waarvan de handeling werd verricht, is overschreden, moeten alle omstandigheden in aanmerking worden genomen. De wijze waarop het doel in de statuten van de rechtspersoon is omschreven is daarvoor niet alleen beslissend.”

In navolging hiervan, maar met een uitbreiding die juist in deze zaak van belang is, HR 20 september 1996, NJ 1997, 149: “Het Hof heeft tot uitgangspunt genomen (…) dat bij de beantwoording van de vraag of het doel is overschreden, niet alleen beslissend is de wijze waarop het doel in de statuten is omschreven, doch dat alle omstandigheden daarbij in aanmerking moeten worden genomen. Dit uitgangspunt is juist (vgl. HR 16 oktober 1992, NJ 1993, 98). Evenzeer terecht heeft het Hof daaraan toegevoegd dat met name in aanmerking moet worden genomen of het belang van de vennootschap is gediend met de betrokken rechtshandeling. Vervolgens heeft het Hof (…) de door S. aangevoerde omstandigheden - erop neerkomende dat de continuïteit van de onderneming door de aandelenoverdracht werd gewaarborgd en dat aldus het belang van de vennootschap met de overdracht werd gediend - vermeld en geoordeeld dat een en ander door de vennootschap niet deugdelijk was weersproken, welk oordeel in cassatie niet wordt bestreden.”

5.26. De doelomschrijving en het geciteerde arrest uit 1996 leiden voorts tot de volgende overweging. Volgens eisers dient de statutaire doelomschrijving leidend te zijn bij het door het bestuur gevoerde beleid. De rechtbank is, zoals uit het bovenstaande blijkt, van oordeel dat deze doelomschrijving niet geïsoleerd kan worden van alle omstandigheden die daarbij in aanmerking moeten worden genomen (zie HR 16 oktober 1992, NJ 1993, 98), dat daarbij, zoals gedaagden terecht stellen, in aanmerking moet worden genomen of het belang van de rechtspersoon is gediend met de betrokken rechtshandeling en dat een van de relevante omstandigheden is de zorg dat de continuïteit van de onderneming wordt gewaarborgd (vergelijk HR 20 september 1996, NJ 1997, 149).

5.27. De conclusie van de rechtbank is dat het standpunt van de Bisschop van 's-Hertogenbosch dat hij uit de hem ter beschikking gestelde stukken niet de indruk kon krijgen dat het Bijbels Openluchtmuseum een geheel andere weg zou inslaan dan uit de statuten volgde, onjuist is omdat de ter beschikking gestelde stukken duidelijk zijn én omdat de doelomschrijving bij het beoordelen van de handelingen van het bestuur niet zonder meer naar de letter genomen kan worden, zeker niet, zo voegt de rechtbank hieraan toe, als er sprake is van een langdurige ontwikkeling zoals in casu, waar een doelomschrijving uit 1911 wordt toegepast op een situatie die negentig jaar later in een ingrijpend veranderde samenleving bestaat.

5.28. Eisers verwijten de stichtingsbesturen dat zij hun beleid richten op het vergroten van de omzet en het verhogen van de inkomsten uit subsidiegelden. Dit verwijt is niet gerechtvaardigd. Het vergroten van de omzet en het verhogen van de inkomsten uit subsidiegelden wordt beoogd, maar uitsluitend, zo stellen gedaagden, om de continuïteit van het Bijbels Openluchtmuseum te waarborgen. Dit laatste wordt niet weersproken, met name wordt door eisers niet aangevoerd dat er meer winst gemaakt zou worden dan redelijkerwijs nodig is om de exploitatie op een verantwoorde wijze te kunnen voortzetten.

5.29. Eisers verwerpen in de dagvaarding het standpunt van de stichtingen dat zij moesten handelen zoals zij gedaan hebben omdat zij, gelet op de exploitatiemoeilijkheden, niet anders konden. Het op dit punt gevoerde betoog van eisers gaat echter aan de kern van het betoog van de stichtingen voorbij. Dat commercieel succes niet mag prevaleren, geldt voor vrijwel alle stichtingen, dus ook voor Heilig Land Stichting en Eerste Hulp Stichting, maar anders dan eisers menen, is niet gebleken dat het zou prevaleren in de keuzes van de besturen. Die reppen niet van meer of minder succes, maar van voortbestaan of de deuren sluiten.

5.30. Hierboven zijn uit de dagvaarding de woorden geciteerd “En zelfs al zou op dat gebied wél een veer gelaten moeten worden, dan rechtvaardigt ook dat nog niet een loslaten van de statutaire doelstelling.” Dat het laten van een veer het sluiten van de deuren van het Bijbels Openluchtmuseum zou betekenen, wordt door de eisers betwist. Zij stellen dat niet gebleken is dat subsidiënten in relevante mate zouden afhaken als het bestuur andere keuzes zou maken. Ook nadat de onder 4.9 bedoelde brieven van subsidiënten zijn overgelegd, zijn eisers niet overtuigd. Zij weerspreken niet dat een terugvallen op de vroegere koers het einde van subsidies zou betekenen, maar stellen bij repliek: “Ook hier laten gedaagden zien dat zij zich hebben laten verblinden door het nastreven van grote geldstromen (het middel) en dat zij zich daardoor hebben laten afleiden van het doel van de stichtingen, zie de statuten.”

5.31. De rechtbank kan de eisers hierin niet volgen. Doel en middel zijn verweven. Kort gezegd: zonder geld geen museumexploitatie. Dit laatste is door gedaagden gemotiveerd gesteld en de betwisting van deze stelling wordt slechts onderbouwd met het onder 5.30 bedoelde betoog dat de stichtingsbesturen een onnodig winststreven verwijt.

Eisers hebben niet weersproken dat de exploitatie al vanaf de jaren zestig, zeventig grote zorgen baarde en eerst vanaf de ontvangsten van subsidies die volgden op de koerswijziging die met de nota ‘Geloof in de Toekomst’ was ingezet, in een rustiger vaarwater is gekomen. Dat de besturen bezig zijn middelen te vergaren om de continuïteit van het museum te waarborgen en niet omwille van de verkrijging van die middelen, valt dan ook in redelijkheid niet te ontkennen. Van het gestelde loslaten van de statutaire doelstelling is dan ook geen sprake.

nietigverklaring c.q. vernietiging van overeenkomsten en de besluiten daartoe; de positie van de Bisschop van 's-Hertogenbosch

5.32. Uitgangspunt bij de volgende overwegingen is dat de rechtbank, zoals uit het voorgaande blijkt, van oordeel is dat de positie van de Bisschop van 's-Hertogenbosch inhoud heeft gekregen enerzijds door de statuten van de beide stichtingen en anderzijds door hun karakter van private kerkelijk rechtspersoon en de daarmee samenhangende regeling in de CIC en de Algemene Bepalingen.

5.33. Niet in geschil is dat de Bisschop van 's-Hertogenbosch formeel tot aan het moment waarop de gewraakte besluiten werden genomen geïnformeerd en betrokken is gebleven zoals dat door de statuten van de stichtingen wordt geëist. Een van de door eisers opgeworpen vragen is of de statuten niet ook zijn betrokkenheid eisten bij de gewraakte besluitvorming zelf omdat het daar in wezen om besluiten ging die gelijk zijn te stellen aan besluiten tot statutenwijziging (zie hieronder, 5.39 e.v.).

5.34. Gedaagden hebben een punt van geschil opgeworpen door aan te voeren dat de Bisschop van 's-Hertogenbosch zich als orgaan van de stichtingen dient te gedragen in overeenstemming met de door art. 2:8 BW bedoelde eisen van redelijkheid en billijkheid en dat, met name door de plotselinge ontslagen, niet heeft gedaan. Eisers brengen hier tegen in dat de stichtingen een publiek kerkelijk karakter hebben. Dat standpunt is hiervoor al door de rechtbank verworpen.

5.35. De rechtbank stelt vast dat de Bisschop van 's-Hertogenbosch aan de statuten van de stichtingen de bevoegdheid ontleent om in de organisatie van die rechtspersonen een bepaalde functie te vervullen en dat hij daarmee een orgaan van de stichtingen is.

5.36. Ook voor de Bisschop van 's-Hertogenbosch geldt dus de regel van art. 2:8 BW:

1. Een rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken, moeten zich als zodanig jegens elkander gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd.

2. Een tussen hen krachtens wet, gewoonte, statuten, reglementen of besluit geldende regel is niet van toepassing voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

5.37. Daarmee is de rechtbank toegekomen aan de beoordeling van de concrete besluiten en overeenkomsten. Zij zal eerst de besluiten behandelen.

nietigverklaring c.q. vernietiging van de besluiten tot het aangaan van de verhuur- / exploitatieovereenkomst en de samenwerkingsovereenkomst

5.38. Er moet van uitgegaan worden dat het bestaan van Stichting Beheer Bijbels Openluchtmuseum een gegeven is. Dit kan, nu deze stichting is opgericht door de beide andere juist met het doel de aangevochten overeenkomsten met haar te kunnen gaan sluiten, uiteraard niet betekenen dat bij het beoordelen van de onderhavige besluiten de statutaire taak van Stichting Beheer Bijbels Openluchtmuseum en haar wens c.q. bereidheid om de overeenkomsten met Heilig Land Stichting en Eerste Hulp Stichting aan te gaan, een rol speelt. Met andere woorden: het is juist dat doel dat beoordeeld moet worden.

5.39. De besturen wordt geen formele beperking opgelegd om overeenkomsten als de onderhavige aan te gaan. Eisers stellen dat het in wezen om statutenwijziging gaat, waarbij wel formele beperkingen gelden. Hierop zal de rechtbank onder 5.41 en 5.42 nader ingaan.

Mocht er sprake zijn van doeloverschrijding, dan geldt daarvoor alleen de bijzondere wettelijke regeling van art. 2:7 BW, die hier als zodanig niet aan de orde is (zie voorts 5.41).

5.40. De hierboven (3.4-3.10) opgesomde bezwaren houden ten aanzien van de mogelijke vernietigbaarheid van de besluiten het volgende in.

De besluiten zijn in strijd met de eisen van de redelijkheid en billijkheid naar hun wijze van totstandkoming omdat

- zij in wezen ertoe strekten zonder statutenwijziging, waarbij de Bisschop van 's-Hertogenbosch betrokken diende te worden, de banden van de doelomschrijving van Heilig Land Stichting af te schudden,

- zij inhoudelijk zeer dicht een besluit tot ontbinding zonder akkoord van de Bisschop van 's-Hertogenbosch naderden.

De besluiten zijn in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid naar hun inhoud omdat

- zij ertoe strekten de door Heilig Land Stichting gedreven onderneming uit de invloed van de Bisschop van 's-Hertogenbosch en de statutaire doelstelling te brengen,

- het resultaat van het sluiten van de overeenkomsten met Stichting Beheer Bijbels Openluchtmuseum, in het bijzonder de verhuur-/exploitatieovereenkomst, die voor vijfendertig jaar is aangegaan, mee zou brengen dat van de beide andere stichtingen niet veel meer dan een lege dop overbleef,

- er bij het nemen van deze besluiten sprake geweest is van misbruik van bevoegdheid,

- in de periode dat de aangevochten rechtshandelingen werden verricht, overleg gaande was met de Bisschop van 's-Hertogenbosch.

Zijn de besluiten nietig wegens strijd met de statuten en/of in strijd met de eisen van de redelijkheid en billijkheid naar hun wijze van totstandkoming?

5.41. De rechtbank onderschrijft niet het standpunt van eisers dat de besluiten tot het aangaan van de overeenkomsten met de nieuw op te richten c.q. opgerichte Stichting Beheer Bijbels Openluchtmuseum ertoe strekten om de knellende banden van de doelomschrijving af te schudden. Uit niets is immers gebleken dat de besturen zich door de doelomschrijving gehinderd voelden. Zij voelden zich wel gehinderd door de eisen die de Bisschop van 's-Hertogenbosch op grond van zijn interpretatie van de doelomschrijving stelde, maar dat is een andere kwestie, die hierna aan de orde komt. Er is dus geen sprake van dat de Bisschop werd gepasseerd bij wat volgens eisers in wezen een statutenwijziging was.

Volgens de eisers naderden de besluiten zeer dicht ontbindingsbesluiten omdat de kern van de activiteiten werd verlegd naar Stichting Beheer Bijbels Openluchtmuseum. Ook dit standpunt verwerpt de rechtbank. Weliswaar werd een cruciaal deel van de activiteiten – zo men wil: de bedrijfsvoering – op een andere manier georganiseerd, maar daarbij bleef een taak bij de twee oude stichtingen liggen met de daaruit voortvloeiende gevolgen voor verantwoordelijkheid van het bestuur, ook tegenover de Bisschop.

5.42. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank de stelling van eisers dat er in wezen sprake is geweest van besluiten tot statutenwijziging en/of ontbinding verwerpt. Voor zover nietigverklaring c.q. vernietiging van de besluiten op die grond – langs de weg van strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid dan wel langs de weg van strijd met de statuten – wordt gevorderd, zal de vordering dan ook worden afgewezen.

Zijn de besluiten in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid naar hun inhoud?

5.43. De rechtbank constateert dat in dit onderdeel van het geschil de kern van het conflict ligt. Het is immers evident dat de besluiten tot het aangaan van de overeenkomsten met Stichting Beheer Bijbels Openluchtmuseum ertoe strekten de onderneming uit de invloed van de Bisschop te brengen. Niet, overigens, ook buiten de invloed van de statutaire doelstelling, zoals de rechtbank onder 5.41 heeft overwogen.

5.44. De gedaagden erkennen dat het de bemoeienis van de Bisschop van 's-Hertogenbosch was die, los van hun respect voor het overleg met hem, tot de overeenkomsten leiden. De rechtbank verwijst daarvoor naar de overwegingen 4.9 tot en met 4.13 hierboven. Uit hetgeen daarin verkort is weergegeven, maar in de stukken uitvoerig uit de doeken wordt gedaan, valt af te leiden dat de besturen ervan uit gingen dat de Bisschop het gewijzigde beleid, dat op continuïteit van het Bijbels Openluchtmuseum gericht was, accepteerde, althans niet wenste tegen te houden, en dat de wijziging die de huidige bisschop, mgr. [eiser sub 1], aangebracht wilde zien, hen voor het dilemma stelde of de Bisschop te volgen en daarmee het risico te lopen de exploitatie te moeten staken, met alle gevolgen van dien (4.11) of de Bisschop te passeren en langs een andere weg de continuïteit van het beleid en – in hun ogen – daarmee de continuïteit van het museum te waarborgen.

5.45. In de rechtspraak wordt veel belang gehecht aan lopend overleg in situaties als deze. Vast staat dat er in de periode dat de aangevochten rechtshandelingen werden verricht, overleg gaande was met de Bisschop van 's-Hertogenbosch. Uit de stukken en de hierboven, op grond daarvan weergegeven feiten blijkt echter niet dat de besturen enige reden hadden te verwachten dat de mgr. [eiser sub 1] tegemoet zou komen aan hun wensen ten aanzien van het beleid. Aan de andere kant kon en moest de Bisschop uit de opstelling van de besturen begrepen hebben dat zij van mening waren niet anders te kunnen dan op de ingeslagen weg voort te gaan en daarbij niet in strijd te handelen met de statuten. Dat dit hun standpunt was blijkt uit de aan de Bisschop van 's-Hertogenbosch gezonden brieven en uit de overgelegde vergaderverslagen. De rechtbank is van oordeel dat onder deze omstandigheden het bestaan van een onderhandelingssituatie tussen de stichtingsbesturen en de Bisschop in redelijkheid niet gezien kan worden als een beletsel om een andere oplossing te zoeken om uit de ontstane impasse te geraken.

5.46. Ontegenzeggelijk laat het resultaat van het sluiten van de overeenkomsten met Stichting Beheer Bijbels Openluchtmuseum voor een aanzienlijke periode twee stichtingen achter met veel minder zeggenschap en een veel beperkter activiteit dan tevoren. De contractuele band met degene die de onderneming drijft, is er nog, maar het zwaartepunt van de beleidsvorming voor het museum ligt niet langer bij Heilig Land Stichting en Eerste Hulp Stichting. De vraag is nu of dit indruist tegen de eisen van redelijkheid en billijkheid die in acht genomen moeten worden tegenover de Bisschop van 's-Hertogenbosch die krachtens de statuten van de beide stichtingen bevoegdheden heeft ten aanzien van de vervulling van vacatures, alsmede het recht heeft jaarlijks kennis te nemen van een verslag van de activiteiten van de stichtingen, jaarlijks kennis te nemen van de rekening en verantwoording, toestemming te geven voor statutenwijziging en ontbinding en liquidateuren te benoemen. Over de bevoegdheid de statutenwijzigingen en ontbinding goed te keuren heeft de rechtbank zich reeds afzonderlijk onder (5.41 en 5.42) uitgelaten. De overige bevoegdheden die gedurende het bestaan van de stichtingen een rol spelen, zijn intakt gebleven, zij het dat de bisschop geen kennis neemt van de stukken van exploiterende stichtingen, maar van contracterende stichtingen. Wanneer de contracten niet voortgezet worden en liquidatie van de stichtingen aan de orde zou zijn, kan de Bisschop onverkort van zijn dan belangrijke bevoegdheid gebruikmaken om vereffenaars aan te wijzen. De nieuwe situatie laat, mede in aanmerking genomen de kerkrechtelijke bevoegdheden van de Bisschop, overleg met hem onverkort in stand. Gesteld noch gebleken is dat de besturen onwaarheid spreken wanneer zij, in brieven aan de Bisschop van 's-Hertogenbosch en in de processtukken, bij herhaling aangeven daaraan waarde te hechten.

De conclusie van de rechtbank is dat op deze grond niet tot vernietiging van de besluiten kan worden gekomen.

5.47. Ten aanzien van de inhoud van de besluiten voeren de eisers ten slotte aan dat er bij het nemen van deze besluiten sprake geweest is van misbruik van bevoegdheid in de zin van art. 3:13 BW, omdat de besturen hun bevoegdheden hebben aangewend om, kort gezegd, de Bisschop buiten spel te zetten. Dit laatste is, niettegenstaande hetgeen hiervoor overwogen is, voor een belangrijk deel het geval gelet op de eerdere situatie. De rechtbank heeft echter reeds overwogen dat de visie van de Bisschop van 's-Hertogenbosch op zijn eigen positie, welke visie gebaseerd is op het standpunt dat het om publieke kerkelijke rechtspersonen zou gaan, niet juist is, omdat zijn positie in beginsel slechts door de statuten bepaald wordt. Daar komt bij dat de besluiten weliswaar tot gevolg hebben dat de Bisschop gedeeltelijk buiten spel komt te staan, maar dat dit een gevolg is van besluiten die zijn genomen (en ook noodzakelijk waren) met het oog op de continuïteit van de bedrijfsvoering en de onderneming. Er is dus niet sprake van het nemen van een besluit met geen ander doel dan de Bisschop van 's-Hertogenbosch te schaden of met een ander doel dan de concrete resultaten – de oprichting van de nieuwe stichting en de overeenkomsten met haar – dan waarop de besturen zich krachtens hun bestuursbevoegdheden mochten richten. Van misbruik van bevoegdheid kan ook sprake zijn als er sprake is van onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening van de bevoegdheid en het daardoor geschade belang. Voor zover eisers zich daarop, los van het voorgaande, beroepen overweegt de rechtbank het volgende. Zij acht, gelet op de positie van de Bisschop tegenover de private kerkelijke rechtspersoon aan de ene kant en op de bij continuïteit van de onderneming aan de andere kant betrokken belangen (zie 4.11) geen onevenredigheid aanwezig tussen het belang bij de uitoefening van de bestuursbevoegdheden en het belang van de Bisschop dat daardoor wordt geschaad.

5.48. De rechtbank is van oordeel dat de voor vernietiging op grond van strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid aangevoerde gronden noch afzonderlijk noch tezamen genomen de vordering tot vernietiging kunnen dragen. Deze zal dus worden afgewezen. Onder 5.42 is reeds overwogen dat ook van nietigverklaring wegens strijd met de statuten geen sprake kan zijn.

nietigverklaring c.q. vernietiging van het aangaan van de verhuur-/exploitatieovereenkomst en de samenwerkingsovereenkomst

5.49. De vordering tot nietigverklaring c.q. vernietiging van de overeenkomsten zelf wordt grotendeels gegrond op de personele unie tussen de twee oude stichtingen en de nieuwe. Nu daardoor Stichting Beheer Bijbels Openluchtmuseum op de hoogte was van de situatie binnen de andere stichtingen, de daar geldende doelstellingen en hun verhouding tot de Bisschop van 's-Hertogenbosch, treft de nietigverklaring of vernietiging van de bestuursbesluiten ook de daarop gebaseerde overeenkomsten, stellen eisers. Daaraan ligt de gedachte ten grondslag dat als een derde weet van de rechtspersonenrechtelijke ontoelaatbaarheid van de besluiten die aan de overeenkomst die met hem gesloten wordt, ten grondslag liggen, die overeenkomsten delen in de nietigheid c.q. vernietigbaarheid van besluiten. In zijn algemeenheid kan deze stelling niet onderschreven worden. Nu er echter geen sprake is van rechtspersonenrechtelijke ontoelaatbaarheid van de besluiten, hoeft de rechtbank deze kwestie niet uit te diepen en moet worden geconstateerd dat de grondslag aan de vordering tot vernietiging danwel nietigverklaring van de overeenkomsten is ontvallen.

onrechtmatig handelen

5.50. Naast de rechtspersonenrechtelijke problematiek gronden eisers de vorderingen op onrechtmatig handelen van de stichtingen, die inbreuk zouden hebben gemaakt op de rechten van eisers en/of zich gedragen in strijd met wat in het maatschappelijk verkeer betaamt.

5.51. Ten aanzien van het Bisdom heeft de rechtbank al overwogen dat het voor het bisdom aangevoerde belang niet bestaat, zodat het in zijn vorderingen niet ontvankelijk is. dat geldt ook de op onrechtmatige daad gebaseerde vordering.

5.52. De vordering die door de Bisschop is ingesteld stoelt niet op meer of andere zorgvuldigheidsregels dan ten aanzien van de door hem gestelde vernietigbaarheid of nietigheid van de besluiten naar voren zijn gebracht. Nu de rechtbank geen rechtens aantastbaar handelen ziet in het nemen van de gewraakte besluiten, neemt zij wat zij daartoe heeft overwogen hier over en komt zij tot de conclusie dat geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd die tot de conclusie leiden dat de gedaagden zich tegenover de Bisschop van 's-Hertogenbosch in strijd met de hen betamende maatschappelijke zorgvuldigheid hebben gedragen.

slotsom

5.53. Het voorgaande betekent dat de vorderingen zullen worden afgewezen.

5.54. Gelet op de samenwerking die tussen partijen heeft bestaan en – alleen al op grond van de statuten van Heilig Land Stichting en Eerste Hulp Stichting der Heilig Land Stichting – zal blijven bestaan en op de bijzondere, mede door het kerkelijk recht ingekleurde aard van die samenwerking, zal de rechtbank de kosten compenseren met dien verstande dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

6. De beslissing

De rechtbank

wijst de vorderingen af,

verstaat dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.D.A. den Tonkelaar, mr. N.W. Huijgen en mr. M.J. Blaisse en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2008.