Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BC2896

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
23-01-2008
Datum publicatie
29-01-2008
Zaaknummer
158725
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het debat tussen partijen spitst zich toe op de vraag of eiser recht heeft op uitbetaling van vakantiedagen en/of tantième en zo ja ter hoogte van welk(e) bedrag(en).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2008-0087
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 158725 / HA ZA 07-1220

Vonnis van 23 januari 2008

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur mr. J.W.M. Soentjens,

advocaat mr. J.M. Dunhof te Enschede

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BULTHAUP NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Arnhem,

gedaagde,

procureur mr. J.M. Bosnak

advocaat mr T.G.L.M. Heebing te Arnhem.

Partijen zullen hierna [eiser] en Bulthaup genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 26 september 2007

- het proces-verbaal van comparitie van 15 november 2007.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Bulthaup is een bedrijf dat zich onder meer bezig houdt met de productie, verkoop en inbouw van keukens en keukenaccessoires.

2.2. [eiser] treedt op 20 mei 1996 in dienst bij Bulthaup GmbH & Co. KG te Aich (Duitsland). [eiser] vervult in dienst van deze vennootschap diverse verantwoordelijke functies. Nadien wordt Bulthaup Nederland BV opgericht en met ingang van 1 januari 2000 is [eiser] werkzaam als bestuurder en statutair directeur van Bulthaup Nederland BV, gedaagde. Partijen ondertekenen een nieuwe arbeidsovereenkomst. Blijkens een uittreksel uit het handelsregister is Bulthaup International GmbH aandeelhouder en bestuurder van Bulthaup.

2.3. In 2005 legt Bulthaup [eiser] opnieuw een nieuwe arbeidsovereenkomst ter ondertekening voor. Op 17 oktober 2005 tekenen partijen deze nieuwe arbeidsovereenkomst. De volgende bepalingen in deze overeenkomst zijn voor de onderhavige zaak van belang.

Paragraaf 2.1 luidt:

Der Arbeitnehmer ist seit dem 20.5.1996 Mitarbeiter der KG und seit dem 01.01.2000 Geschäftsführer der Bulthaup Nederland b.v.. Die Zusammenarbeit zwischen ihm und Bulthaup soll mit diesem Anstellungsvertrag neu fixiert werden.

Paragraaf 3.1 luidt:

Herr Frank [eiser] erhält ein Brutto-Jahresgehalt in Höhe von EUR 102.500,-, das in 12 gleichen Teilbeträgen in Höhe von EUR 8.542,- jeweils zum Monatsende ausbezahlt wird. Hiermit ist die Zahlung eines Urlaubs- und Weihnachtsgeldes abgegolten.

Paragraaf 3.2 luidt:

2a Herr Frank [eiser] erhält als Sondervergütung eine Prämie für das Erfüllen der persönlichen Jahresaufgaben und beim Erreichen der jeweils vorgegebenen Jahres-Planzahlen.

Die jeweiligen Jahresvereinbarungen werden im gegenseitigen Einvernehmen festgestelt.

Werden die persönlichen Jahresaufgaben bzw die Jahres-Planzahlen nur teilweise erfüllt, behält sich Bulthaup vor, einen entsprechend geringeren Prämienbetrag zu zahlen.

Die jeweilige Jahresvereinbarung wird Bestandteil dieses Anstellungsvertrages.

2b Die Zahlung zu a) wird in zwei Teilen geleistet: eine Hälfte mit dem Juli-Gehalt, eine Hälte mit dem Dezember-Gehalt.

Bei Vertragsende im Laufe eines Kalenderjahres erfolgt die Zahlung zeitanteilig.

Paragraaf 3.6 luidt:

Der Jahresurlaub beträgt 30 Arbeitstage. Nicht in Anspruch genommene Urlaubstage werden nicht auf Folgejahre übertragen.

2.4. In de brief van de raadsman van Bulthaup International GmbH van 3 april 2006 wordt aangekondigd dat [eiser] met ingang van 4 april 2006 wordt geschorst vooruitlopend op het voorgenomen ontslag van [eiser] als bestuurder en op de opzegging van de arbeidsovereenkomst. Bij besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders van 19 april 2006 wordt [eiser] ontslagen als bestuurder en wordt de arbeidsovereenkomst met [eiser] opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van zes maanden, tegen 1 november 2006.

2.5. Bij beschikking van de rechtbank Almelo van 30 oktober 2006 is op verzoek van [eiser] de arbeidsovereenkomst ontbonden op grond van gewichtige redenen bestaande uit gewijzigde omstandigheden met ingang van de datum van de beschikking onder toekenning van een vergoeding ex artikel 7:685 lid 8 Burgerlijk Wetboek (BW) aan [eiser] ten laste van Bulthaup van € 165.501,- bruto. Bulthaup tekent hoger beroep aan tegen de beschikking stellende dat de rechtbank bij haar oordeel buiten het toepassingsgebied van artikel 7:685 BW is getreden. In het arrest van 24 juli 2007 verwerpt het Gerechtshof te Arnhem dit beroep. Er is geen cassatie ingesteld.

2.6. Na beëindiging van de arbeidsovereenkomst vindt geen financiële afwikkeling van het dienstverband plaats voor wat betreft de vergoeding niet-genoten vakantiedagen en tantième. In zijn brief van 19 april 2006 aan Bulthaup preciseert de raadsman van [eiser] de aanspraak van [eiser] op uitbetaling van niet-genoten vakantiedagen over de periode 2003 tot 2006 en komt uit op 61,5 dagen ten bedrage van € 24.153,32 bruto.

2.7. Bulthaup laat in reactie daarop in een e-mail van 27 april 2007 weten dat [eiser] geen aanspraak op tantième kan doen gelden omdat de financiële doelstellingen niet zijn behaald. Bulthaup reageert niet op de aanspraak op een vergoeding van niet-genoten vakantiedagen.

2.8. Op 29 mei 2007 bericht Bulthaup over te zullen gaan tot betaling van het minimum aantal vakantiedagen als bedoeld onder 7:634 BW en wel 20 dagen. Op 24 juli 2007 doet Bulthaup een bedrag van € 3.504,39 netto bijschrijven op de bankrekening van [eiser]. Blijkens de bijbehorende specificatie betreft dit een vergoeding voor 160 niet-genoten vakantie uren, totaal € 7.300,80 bruto.

2.9. Bij de stukken bevindt zich de Agreement on Individual Annual Objectives 2006 for Calculating the Variable Parts of the Salary van [eiser], welk stuk deel uit maakt van de tussen partijen gemaakte afspraken. Dit stuk is op 16 januari 2006 door [eiser] en op 18 januari 2006 door de heer Steib, de algemeen directeur van Bulthaup ondertekend.

2.10. Bij de stukken bevindt zich de Agreement on Individual Annual Objectives 2006 for Calculating the Variable Parts of the Salary van de heer [XXX], Sales Manager van Bulthaup.

2.11. Ter comparitie blijkt dat betaling van de in r.ov. 2.5 bedoelde ontbindings-vergoeding nog niet heeft plaatsgevonden.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert samengevat - veroordeling van Bulthaup tot betaling van € 47.881,52 bruto aan tantième alsmede € 24.153,32 bruto ter zake van niet-genoten vakantiedagen, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW en rente en kosten.

3.2. Bulthaup voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Het debat tussen partijen spitst zich toe op de vraag of [eiser] recht heeft op uitbetaling van vakantiedagen en/of tantième en zo ja ter hoogte van welk(e) bedrag(en).

De rechtbank zal de twee onderdelen van de vordering hierna één voor één behandelen.

vordering niet-genoten vakantiedagen

4.2. Uit de in r.ov. 2.3 geciteerde bepaling ‘paragraaf 3.6’ van de arbeidsovereenkomst blijkt dat partijen zijn overeengekomen dat [eiser] recht heeft op 30 vakantiedagen per jaar. [eiser] maakt thans aanspraak op een vergoeding van 61,5 vakantiedagen en verwijst naar de door hem (productie 4 bij dagvaarding) overgelegde overzichten en wijst er nadien op dat hij daarnaast op drie data waarop hij aanvankelijk vakantie had opgenomen toch heeft gewerkt. Hij licht dit als volgt toe. Op 24 en 25 juli 2003 stelt [eiser] zijn zomervakantie eerder te hebben beëindigd in verband met het faillissement van een dealer in Den Haag en op 30 december 2004 heeft hij, zo voert hij aan een bezoek gebracht aan een potentiële dealer bij Duitse Dealers. Dit brengt het totaal aan niet-genoten vakantiedagen op 64,5 aldus [eiser].

4.3. Bulthaup stelt bij antwoord dat [eiser] recht heeft op 30 vakantiedagen per jaar, dat hij op grond van artikel 7:634 BW recht heeft op minimaal 20 vakantiedagen en dat paragraaf 3.6 van toepassing is op de 10 bovenwettelijk overeengekomen vakantiedagen per jaar en dat om die reden de bovenwettelijke dagen niet meegenomen mogen worden naar het volgende jaar. Dit brengt mee, aldus Bulthaup, dat geen aanspraak kan worden gemaakt op een vergoeding van niet-opgenomen vakantiedagen voor zover zij uitkomen boven het wettelijke minimum. Bulthaup leidt uit het door [eiser] in het geding gebrachte overzicht (productie 4 bij dagvaarding) af dat 41,5 dagen bovenwettelijk zijn. Vervolgens gaat zij – hoewel reeds aangekondigd bij antwoord eerst kort voor de comparitie in deze zaak – over tot uitbetaling van 20 dagen (160 uur).

Subsidiair voert Bulthaup aan dat op het saldo niet-genoten vakantiedagen over 2003 in elk geval 8 dagen in mindering moeten worden gebracht. Zij verwijst naar productie 5b van de akte overlegging producties ter gelegenheid van de comparitie van partijen, waaruit volgens Bulthaupt blijkt dat [eiser] in 2003 8 dagen meer heeft opgenomen dan 30 dagen.

Voorts blijkt volgens Bulthaup uit het tevens bij productie 5b gevoegde overzicht declaratie reiskosten d.d. juli 2003 dat [eiser] op een aantal dagen dat hij volgens zijn eigen overzicht vakantie heeft genoten, reiskosten heeft gedeclareerd. Bulthaup stelt dat als [eiser] al recht zou hebben op uitbetaling van vakantiedagen in 2003 en 2004, er verrekening dient plaats te vinden met de ten onrechte gedeclareerde kilometervergoeding die Bulthaup voorlopig begroot op € 973,98. Ter comparitie heeft Bulthaup daaraan toegevoegd dat een bedrag van € 10.242,30 te veel aan [eiser] is uitbetaald aan kilometervergoeding en dat dit pas de week voorafgaande aan de comparitie is gebleken zodat geen stukken meer in het geding konden worden gebracht.

4.4. Afgezien van de door Bulthaup genoemde “8 dagen aftrek”, bedoeld in r.ov 4.3, heeft Bulthaup de door [eiser] opgestelde overzichten van niet-genoten vakantiedagen van 2003 tot 2006 niet betwist. De rechtbank verwerpt het verweer, voorzover Bulthaup dit verweer mocht handhaven, dat [eiser] in 2003 8 dagen te veel vakantie heeft opgenomen nu het stuk waarop Bulthaup haar verweer baseert (productie 5b) ook volgens haar eigen zeggen niet het juiste stuk blijkt te zijn. De door Bulthaup bedoelde brief d.d. 16 december 2003 is immers een brief aan een collega en niet aan [eiser]. Kennelijk is sprake van een vergissing aan de kant van Bulthaup.

4.5. Vooropgesteld wordt het volgende. Artikel 7:641 BW bepaalt dat een werknemer die bij het einde van de arbeidsovereenkomst nog aanspraak heeft op vakantie, recht heeft op een uitkering in geld tot een bedrag van het loon over een tijdvak overeenkomend met de aanspraak. Partijen zijn overeengekomen dat [eiser] recht heeft op 30 vakantiedagen per jaar. Vast staat dat [eiser] in de periode 2003 tot en met 2006 61,5 vakantiedagen niet heeft opgenomen. De rechtbank is van oordeel dat de bepaling in de arbeidsovereenkomst aangeduid met paragraaf 3.6 waarin staat dat niet-genoten vakantiedagen niet mogen worden meegenomen naar het daarop volgende jaar, niet rechtsgeldig is. Krachtens artikel 7:645 BW mag immers van de bepalingen in de afdeling over onder meer vakantie niet ten nadele van de werknemer worden afgeweken, behoudens het geval dat het betreffende artikel een afwijking toestaat. Dat sprake is van een toegestane afwijking is gesteld noch gebleken. Hieruit volgt dat de door [eiser] opgebouwde en niet-opgenomen vakantiedagen niet zijn vervallen. De omstandigheid dat partijen meer vakantiedagen zijn overeengekomen dan de wet als minimum bepaalt, doet aan voorgaande niet af. Het door Bulthaup aan paragraaf 3.6 verbonden verweer dat geen vergoeding voor bovenwettelijk niet-genoten vakantiedagen moet worden betaald, omdat deze vakantiedagen aan het einde van het jaar waarin ze zijn opgebouwd steeds zijn vervallen, verwerpt de rechtbank dan ook.

4.6. In reactie op het verweer van Bulthaup dat in elk geval een bedrag aan ten onrechte door [eiser] gedeclareerde en ontvangen reiskostenvergoeding met de eventuele vergoeding niet-genoten vakantiedagen moet worden verrekend heeft [eiser] gemotiveerd gesteld dat hij nimmer reiskosten heeft gedeclareerd omdat hij een auto van het bedrijf had waarvan alle kosten werden vergoed. [eiser] heeft ter comparitie uiteengezet dat hij wel overzichten maakte van zijn reiskosten teneinde verantwoording af te leggen, maar dat hij deze overzichten nimmer ter declaratie heeft ingediend. Ter comparitie heeft Bulthaup haar verweer niet verder aangevuld. Zij heeft verklaard niet te beschikken over enig bewijs van betaling(en) aan [eiser] ter zake van reiskosten. De rechtbank is van oordeel dat Bulthaup haar verweer hiermee onvoldoende nader heeft geconcretiseerd en verwerpt dit verweer om die reden.

4.7. Uit voorgaande volgt dat de vordering van [eiser] kan worden toegewezen met dien verstande dat daarop in mindering dient te worden gebracht hetgeen Bulthaup inmiddels heeft betaald, te weten een bedrag van € 7.300,80 bruto, zodat resteert te voldoen een bedrag van € 16.852,52 bruto.

[eiser] heeft in de in het tussenvonnis verzochte schriftelijke toelichting op zijn vordering gemotiveerd aangegeven dat hem inmiddels is gebleken dat geen sprake is van 61,5 maar van 64,5 niet-genoten vakantiedagen, welke stelling Bulthaup niet heeft betwist. De eisvermeerdering is echter niet conform de daarvoor gestelde regels (eiswijziging bij akte) ingesteld en evenmin is becijferd welk bedrag [eiser] in dat geval vordert. De rechtbank zal om die redenen recht doen op basis van de bij dagvaarding ingestelde vordering (61,5 dagen) en een bedrag van € 16.852,52 bruto toewijzen.

vordering op grond van tantièmeregeling

4.8. [eiser] stelt dat niet alleen tot op heden geen afrekening heeft plaatsgevonden van de tantièmeregeling maar dat Bulthaup in strijd met artikel 6:619 BW geen enkele mededeling heeft gedaan over de voor de berekening van tantième relevante aspecten van de regeling zoals omzet en brutowinst. [eiser] heeft zijn berekening gebaseerd op gegevens die hij van zijn toenmalige medewerker [XXX], sales manager, heeft ontvangen. [eiser] wijst erop dat in de tantièmeregeling van [XXX] nagenoeg dezelfde doelstellingen zijn vermeld als in de regeling van [eiser] en dat [XXX] hem onder meer heeft verteld dat hij wat tantième betreft “volle bak” heeft gehad. [eiser] heeft beide regelingen in het geding gebracht. [eiser] wijst erop dat [XXX] voorbedoelde informatie op 15 maart 2007 telefonisch aan [eiser] heeft gegeven en deze later nog eens heeft bevestigd. Ter onderbouwing van zijn vordering heeft [eiser] een zeer uitvoerige toelichting op de tantièmeregeling en berekening overgelegd. [eiser] komt in zijn berekening uit op een bedrag van € 47.879,92 bruto. Bij dagvaarding is een bedrag van € 47.881,50 gevorderd.

4.9. Bulthaup heeft geen bezwaren/verweren aangevoerd tegen de methode van berekening van de tantième. Bulthaup betwist echter dat aan de diverse doelstellingen is voldaan. Zij wijst op het feit dat al vanaf januari 2007 het als productie 4 in het geding gebrachte bewijs van omzet voor handen is en dat [eiser] de hele boekhouding wilde inzien en dat aan die eis niet zal worden voldaan en dat dit ook niet van Bulthaup geëist kan worden. Tevens wordt de juistheid van de door [eiser] via [XXX] verkregen informatie betwist. Bulthaup stelt dat [eiser] hoogstens aanspraak kan maken op het totaal bedrag van € 43.928,00 minus het bedrag van de individuele doelstelling sub 3 en daarvan 75%. Bulthaup wijst ook op de opeisbaarheid van de tantième in twee termijnen, te weten juli 2007 en december 2007.

4.10. Op grond van artikel 7:619 BW behoeft een werknemer indien sprake is van een situatie waarin het loon of een deel van het loon afhankelijk is gesteld van de boekhouding van de werkgever geen genoegen te nemen met een mededeling van de werkgever. In de onderhavige situatie heeft de werkgever na heel lang aandringen twee pagina’s met cijfers ter beschikking gesteld. Rechts onderaan op een van de twee pagina’s met cijfers blijkt dat het gaat om pagina 4 van een stuk met totaal 4 pagina’s. Bulthaup heeft deze gegevens niet overgelegd bij antwoord, maar eerst nadat de rechtbank daarom had verzocht in het tussenvonnis van 26 september 2007, derhalve bijna een jaar na beëindiging van het dienstverband.

4.11. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op alle omstandigheden in deze zaak, op Bulthaup als (ex)werkgever in het kader van de afwikkeling van het dienstverband ten aanzien van de tantièmeregeling een verzwaarde stelplicht rust. Die verzwaarde stelplicht brengt in de onderhavige situatie mee dat Bulthaup ter weerlegging van de zeer uitvoerige en zo veel als mogelijk onderbouwde vordering van [eiser] niet kon volstaan met een enkele betwisting van het behalen van de overeengekomen doelstellingen en de overlegging van twee pagina’s met cijfers waaruit volgens Bulthaup de omzet over 2006 blijkt. Niet is gesteld of gebleken dat dit objectief deugdelijke gegevens zijn die voor [eiser] dan wel een deskundige controleerbaar zijn. De rechtbank is van oordeel dat Bulthaup, mede bezien in het licht van de gedetailleerdheid van de stellingen van [eiser], daarmee niet aan haar verzwaarde stelplicht heeft voldaan. De vordering ter zake van de tantième zal – zoals gevorderd in de dagvaarding – derhalve als onvoldoende gemotiveerd betwist worden toegewezen. Aan bewijslevering wordt derhalve niet toegekomen.

4.12. De rechtbank zal tevens de gevorderde wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW toewijzen over de in r.ov. 4.7 en 4.8 bedoelde bruto bedragen. Vast staat immers dat de niet tijdige betaling van de vergoeding voor niet-genoten vakantiedagen en tantième aan Bulthaup kan worden toegerekend.

4.13. De rechtbank zal de wettelijke rente toewijzen zoals verzocht nu daartegen geen verweer is gevoerd. Met betrekking tot de ingangsdatum van de wettelijke rente ten aanzien van de vordering niet-genoten vakantiedagen overweegt de rechtbank dat nu de in de dagvaarding primair (1 november 2006) en subsidiair (11 april 2007) genoemde data van verzuim niet zijn betwist, de rente zal worden toewijzen vanaf de eerste datum, 1 november 2006. De vordering ter zake van tantième is op grond van paragraaf 3.2 b van de arbeidsovereenkomst eerst voor de helft opeisbaar vanaf juli 2007 en de andere helft vanaf december 2007. De wettelijke rente is derhalve toewijsbaar vanaf respectievelijk 1 augustus 2007 over de helft van het toegewezen bedrag ad € 47.881,50 en vanaf 1 januari 2008 tevens over de andere helft van dit toegewezen bedrag.

4.14. De gevorderde buitengerechtelijke kosten zullen worden afgewezen omdat deze onvoldoende zijn onderbouwd. Zo is onder meer niet gesteld welke werkzaamheden zijn verricht die voor een aparte vergoeding naast de proceskostenvergoeding in aanmerking komen.

4.15. De rechtbank zal tevens de gevorderde nakosten toewijzen, aan de zijde van [eiser] bepaald op EUR 131,00 voor nasalaris procureur, te vermeerderen, voor het geval betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden en nodig is geweest, met EUR 68,00 voor nasalaris procureur en de werkelijk gemaakte kosten voor het doen uitbrengen van een exploot van betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dagtekening van dit vonnis.

4.16. Bulthaup zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Omdat een aanzienlijk deel van het gevorderde bedrag wordt afgewezen, begroot de rechtbank de proceskosten aan de zijde van [eiser] op basis van het toegewezen bedrag op:

- dagvaarding EUR 90,26

- vast recht 1.840,00

- salaris procureur 1.341,00 (1,5 punten x EUR 894,00)

- nakosten 131,00

-------------------

Totaal EUR 3.402,26.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt Bulthaup om aan [eiser] te betalen een bedrag van EUR € 16.852,52 bruto (zestienduizendachthonderdtwee en vijftig euro en twee en vijftig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6: 119 BW over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf 1 november 2006 tot de dag van volledige betaling,

5.2. veroordeelt Bulthaup om aan [eiser] te betalen een bedrag van EUR € 47.881,50 bruto (zevenenveertigduizendachthonderdeenentachtig euro en vijftig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6: 119 BW vanaf respectievelijk 1 augustus 2007 over de helft van het toegewezen bedrag ad € 47.881,50 en vanaf 1 januari 2008 tevens over de andere helft van het toegewezen bedrag tot de dag van volledige betaling,

5.3. veroordeelt Bulthaup om aan [eiser] te betalen de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over de in 5.1 en 5.2 toegewezen bedragen,

5.4. veroordeelt Bulthaup in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot

op EUR 3.402,26,

5.5. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.C.J. van Bavel en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2008.