Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BC2746

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
16-01-2008
Datum publicatie
25-01-2008
Zaaknummer
155623
Rechtsgebieden
Civiel recht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Op zichzelf staat wel vast dat eiser van de door zijn buren gerealiseerde uitbreiding hinder ondervindt. Onderzocht moet worden of die hinder zodanig ernstig is dat deze in de gegeven situatie als maatschappelijk onbetamelijk en daarmee als onrechtmatig heeft te gelden (artikel 5:37 BW in verbinding met artikel 6:162 BW).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 155623 / 07-791

Vonnis van 16 januari 2008

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur en advocaat mr. J. van Delft

te Nijmegen

tegen

1. [gedaagde 1],

2. [gedaagde 2],

beiden wonende te [woonplaats],

gedaagden,

procureur mr. N.L.J.M. Rijssenbeek te Arnhem,

advocaat mr. G. Hilberink te Apeldoorn.

Het verloop van de procedure

Voor het eerdere verloop van de procedure wordt verwezen naar het tussenvonnis van 5 september 2007. De daarop gehouden comparitie van partijen ter plaatse, waarvan het proces-verbaal zich bij de stukken bevindt, heeft niet tot overeenstemming geleid. Vervolgens is vonnis bepaald.

De vaststaande feiten en het geschil

1.1 De partijen wonen naast elkaar. [eiser] en zijn echtgenote zijn sinds

31 maart 2006 eigenaar van de woning c.a. aan de [adres] te [woonplaats], nadat zij vanaf 2001 de woning hadden gehuurd. [gedaagde 1] en zijn echtgenote (verder

[gedaagden]) zijn sinds 15 september 2006 eigenaar van de woning c.a. op het adres [adres].

1.2 [gedaagden] hebben in september 2006 aan [eiser] plannen voorgelegd hun

woning aan de achterzijde uit te breiden. [eiser] kon zich met die plannen niet verenigen. Hij vreesde nadelige effecten op zijn woongenot.

1.3 Op 8 september 2006 heeft [gedaagde 1] een bouwvergunning aangevraagd, die op 4 oktober 2006 is verleend. [eiser] heeft tegen de verleende vergunning bezwaar gemaakt. Het bezwaar is op 2 februari 2007 ongegrond verklaard. De bouwvergunning is nadien onherroepelijk geworden.

1.4 Inmiddels is de uitbreiding van de woning van [gedaagden] gerealiseerd.

Het betreft een aanbouw met een plat dak aan de achterzijde met een totale diepte van 4.80 meter en een hoogte van drie meter. De noordwestelijke zijmuur van de aanbouw is op eigen terrein opgetrokken langs de gemeenschappelijke erfgrens.

1.5 Mede aan de hand van een schaduwkaart is op 25 januari 2007 de door de uitbreiding van de woning van [gedaagden] veroorzaakte waardevermindering van de woning van [eiser] getaxeerd op

€ 20.000,--.

2 Na wijziging van zijn eis vordert [eiser] primair de veroordeling van [gedaagden] de uitbouw aan de achterzijde van de woning af te breken, subsidiair de uitbouw zodanig aan te passen dat de nadelige effecten voor [eiser] beperkt en rechtmatig blijven, meer subsidiair aan hem te vergoeden de door de uitbouw te lijden schade, waaronder in het bijzonder de waardedaling van zijn woning, de kosten voor tuin(her)aanleg, en in alle gevallen de kosten van de taxatie, alsmede een veroordeling in de kosten van de procedure.

[eiser] legt aan zijn vorderingen de vaststaande feiten ten grondslag.

De uitbouw heeft volgens hem zeer negatieve gevolgen voor de hoeveelheid directe zonlichttoetreding in zijn achtertuin en de achterzijde van zijn woning. Begin 2006 heeft hij zijn achtertuin opnieuw ontworpen en aangelegd waarbij speciaal rekening is gehouden met de bestaande toetreding van het zonlicht. Nu zal het terras voor de keuken (de zuidwesthoek van de achtertuin) nauwelijks nog zonlicht ontvangen en zal de beplanting aan de zuidoostzijde van de tuin het gehele jaar in een permanente schaduw liggen.

[gedaagden] voeren gemotiveerd verweer.

De beoordeling van het geschil

3 Tijdens de comparitie zijn de partijen het er over eens geworden dat naast [gedaagde 1] ook [gedaagde 2] als gedaagde partij kan worden aangemerkt. Dit is hiervoor bij de weergave van de namen van de partijen tot uitdrukking gebracht.

4. [eiser], die vóór deze procedure had laten weten dat de uitbouw in strijd met het burenrecht zou zijn, baseert zijn vordering kennelijk op onrechtmatige hinder.

Op zichzelf staat wel vast dat [eiser] van de door zijn buren gerealiseerde uitbreiding hinder ondervindt. Onderzocht moet worden of die hinder zodanig ernstig is dat deze in de gegeven situatie als maatschappelijk onbetamelijk en daarmee als onrechtmatig heeft te gelden (artikel 5:37 BW in verbinding met artikel 6:162 BW).

5. Toen [eiser] in de [adres] kwam wonen gold daar het ook nu nog vigerende bestemmingplan Paalbos IV uit 1983, dat uitbreiding van de bebouwing ter plaatse toeliet. Toen hij de woning in 2006 kocht kond hij dus weten dat een dergelijke uitbreiding niet kon worden uitgesloten. In de bestuursrechtelijke procedure is na bezwaar door burgemeester en wethouders van [woonplaats] overwogen dat de verleende bouwvergunning voldoet aan de eisen van rechtmatigheid zoals die gelden op grond van de Woningwet.

6. De woningen aan de [adres] liggen in een woonwijk die in de jaren zeventig van de vorige eeuw is ontstaan. De woningen [adres] 2-6 zijn gebouwd met twee woonlagen onder een kap. Hoewel de uitbreiding van [adres] voor [eiser] zeker een schaduw zal werpen is de vermindering van (zon)licht niet zodanig dat daarvoor het belang van de familie [gedaagden] bij een ruimere woning zou moeten wijken. De aanbouw is relatief bescheiden en door toepassing van een plat dak is de hinder beperkt. Overigens komt een aanbouw zoals hier gerealiseerd in de wijk waarin de [adres] is gelegen meer voor. Nu een zodanige uitbreiding in het bestemmingsplan is mogelijk is gemaakt, is dat een aanwijzing te meer dat naar maatschappelijke opvattingen geen onrechtmatige hinder kan worden aangenomen.

7. De slotsom is dat van onrechtmatig handelen van [gedaagden] geen sprake is. De vordering van [eiser] stuit daarop af. De omvang van de gestelde schade komt vervolgens niet meer aan de orde.

8. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [eiser] de kosten van deze procedure moeten dragen.

De beslissing

De rechtbank,

ontzegt aan [eiser] zijn vorderingen,

veroordeelt [eiser] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van [gedaagden] tot op heden bepaald op € 1155,--, waarvan € 251,-- wegens verschotten en € 904,-- voor salaris, alsmede in de nakosten ad € 131,--,

verklaart de veroordeling in de kosten uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. D. van Driel van Wageningen en uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2008.