Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BC2700

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
24-01-2008
Datum publicatie
25-01-2008
Zaaknummer
AWB 07/1904
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Berekening van het dagloon in het kader van de Werkloosheidswet. Bij deze berekening dient toepassing te worden gegeven aan artikel 11, eerste lid, aanhef en onder j, ten eerste van de Wet LB 1964, in die zin dat het sv-loon wordt verhoogd met de door de werknemer betaalde bijdragen met het oog op het Reglement Flexibel Pensioen en Uittreden. Dit Reglement moet worden aangemerkt als een regeling voor vervroegd uittreden als bedoeld in genoemd artikel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2008, 27
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

Registratienummer: AWB 07/1904

Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[naam], eiser,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. J.J. Pinkster,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 19 april 2007.

2. Procesverloop

Eiser is vanaf 1 augustus 1999 werkzaam geweest als docent in dienst van de Stichting Alliantie Voortgezet Onderwijs Nijmegen. In verband met de beëindiging van dit dienstverband heeft eiser op 10 augustus 2006 een werkloosheidsuitkering aangevraagd.

Bij besluit van 2 oktober 2006 heeft verweerder vastgesteld dat eiser per 1 augustus 2006 recht heeft op een loongerelateerde werkloosheidsuitkering, gebaseerd op een dagloon van € 152,41.

Tegen dit besluit, voor zover het ziet op de hoogte van het dagloon, heeft eiser bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 2 oktober 2006 gehandhaafd.

Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 14 december 2007. Zoals vooraf aangekondigd, is eiser noch zijn gemachtigde daar verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Diekema.

3. Overwegingen

Ingevolge artikel 45, eerste lid, van de Werkloosheidswet (WW) wordt voor de berekening van de uitkering als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer in de periode van één jaar voorafgaand aan zijn werkloosheid verdiende.

Blijkens artikel 1, eerste lid, aanhef en onder j, van het (op artikel 45, tweede lid, van de WW gebaseerde) Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen wordt onder loon verstaan het loon, bedoeld in hoofstuk 3, afdeling 1, paragraaf 1, van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv).

Blijkens artikel 16, eerste lid, van de Wfsv wordt onder loon verstaan het loon overeenkomstig de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB 1964).

In artikel 11, eerste lid, aanhef en onder j, ten eerste, van de Wet LB 1964 is bepaald dat niet tot het loon behoort een bijdrage ingevolge een pensioenregeling of een regeling voor vervroegde uittreding, met dien verstande dat bij een regeling voor vervroegde uittreding de helft van deze bijdrage in aanmerking wordt genomen.

Verweerder heeft het dagloon berekend aan de hand van de door eisers werkgever verstrekte opgaaf van het loon voor de sociale verzekeringswettten (sv-loon) in de referteperiode van 1 augustus 2005 tot en met 31 juli 2006. In deze opgaaf heeft de werkgever de premie van € 89,54 die ingevolge het Reglement Flexibel Pensioen en Uittreden (FPU) maandelijks op eisers loon werd ingehouden, buiten beschouwing gelaten.

Partijen zijn uitsluitend verdeeld over de vraag of de helft van het bedrag van € 89,54 (dat is € 44,77) tot het sv-loon van eiser dient te worden gerekend. Volgens eiser moet deze vraag bevestigend worden beantwoord. Verweerder stelt zich blijkens het bestreden besluit op het standpunt dat het niet aan het Uwv is om zelfstandig van het aan de belastingdienst opgegeven sv-loon af te wijken. Verder is verweerder van mening dat het FPU-Reglement meer te kwalificeren is als pensioen en daardoor niet als een regeling voor vervroegde uittreding kan worden aangemerkt, zodat het bepaalde in artikel 11, eerste lid, aanhef en onder j, ten eerste, van de Wet LB 1964 geen toepassing kan vinden.

De rechtbank merkt allereerst op verweerders eerstgenoemde standpunt niet te onderschrijven. Verweerder is belast met de uitvoering van de WW en daarom verantwoordelijk voor een juiste toepassing van de daarin neergelegde bepalingen. Zoals eiser terecht heeft aangevoerd, brengt deze verantwoordelijkheid mee dat verweerder zelfstandig bevoegd is om, waar nodig, van het opgegeven sv-loon af te wijken.

Ten aanzien van de aard van het FPU-Reglement overweegt de rechtbank vervolgens als volgt.

In artikel 32aa, zesde lid, eerste volzin, van de Wet LB 1964 is neergelegd wat onder een regeling voor vervroegde uittreding wordt verstaan. Blijkens de tweede volzin van dit artikel wordt een regeling in afwijking van de eerste volzin niet als regeling voor vervroegde uittreding aangemerkt, voor zover die regeling een pensioenovereenkomst inhoudt als bedoeld in de Pensioenwet.

Ingevolge artikel 2, vierde lid, aanhef en onder b, van de Pensioenwet is een geldelijke, vastgestelde uitkering voor een gewezen werknemer, die wordt gedaan bij wijze van inkomensvoorziening bij ouderdom in verband met vervroegde uittreding, geen pensioen in de zin van deze wet, indien die uitkering gebaseerd is op de Wet kaderregeling Vut overheidspersoneel.

Naar het oordeel van de rechtbank is het hier aan de orde zijnde FPU-Reglement geen pensioen als bedoeld in de Pensioenwet. De rechtbank vindt hiervoor bevestiging in de memorie van toelichting bij de Pensioenwet (TK, vergaderjaar 2005-2006, 30 413, nr. 3), waarin ter toelichting op het vierde lid van artikel 2 van de Pensioenwet wordt opgemerkt dat de zogenaamde FPU-regelingen, voor zover zij op omslagbasis gefinancierd worden, onder het tweede subonderdeel vallen.

Op basis van artikel 2, eerste lid, van de Wet kaderregeling vut overheidspersoneel is op 13 december 2005 de Centrale vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel gesloten (Stcrt. 2005, nr. 248, p. 13). Deze overeenkomst regelt de aanpassing van het FPU-reglement per 1 januari 2006. Uit artikel 3 van de overeenkomst blijkt dat het

FPU-reglement gefinancierd wordt volgens een omslagstelsel (wat betekent dat de bijdragen van de zittende werknemers geheel of gedeeltelijk worden gebruikt voor de uitkeringen aan de gewezen werknemers van de werkgever).

Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat het FPU-Reglement een regeling voor vervroegde uittreding is, waarop het bepaalde in artikel 11, eerste lid, aanhef en onder j, ten eerste, van de Wet LB 1964 van toepassing is. Het sv-loon van eiser dient dan ook met de helft van de door hem in de referteperiode betaalde FPU-bijdragen verhoogd te worden. Doordat verweerder dit niet heeft onderkend, is het dagloon op een te laag bedrag vastgesteld. Het beroep is dan ook gegrond. Het bestreden besluit zal worden vernietigd en verweerder zal worden opgedragen om met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn conform het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 322 aan kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Van andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.

Mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, wordt beslist als volgt.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het besluit van 2 oktober 2006 en bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van het in de uitspraak overwogene;

veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ten bedrage van € 322 en wijst het Uwv aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

bepaalt dat het Uvw het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 39 aan hem vergoedt.

Aldus gegeven door mr. S.H. Bokx-Boom, voorzitter, en mrs. W.H.A.C.M. Bouwens en K.A.M. van Hoof, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.W.B. Heijmans, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 januari 2008. .

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 24 januari 2008