Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BC2393

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
10-01-2008
Datum publicatie
22-01-2008
Zaaknummer
AWB 06/2804
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift. Dat eiseres pas na het verstrijken van de bezwaartermijn bekend is geworden met het arrest Seeling van het Hof van Justitie EG kan haar niet helpen, nu niet aannemelijk is geworden dat het eiseres binnen de wettelijke bezwaartermijn moeilijk is gemaakt om te onderkennen dat zij een rechtsmiddel kon aanwenden en te onderkennen dat, indien zij dat achterwege zou laten, de rechtmatigheid van de heffingen niet meer aan de orde zou kunnen worden gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2008/317
FutD 2008-0192
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/2804

Uitspraakdatum: 10 januari 2008

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X], wonende te [Z], eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/[P], verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij brief van 31 oktober 2005 heeft eiseres verweerder verzocht om ambtshalve teruggaaf van de nog niet in aftrek gebrachte voorbelasting voor het tijdvak vierde kwartaal 2002.

Verweerder heeft de brief van eiseres aangemerkt als een bezwaar tegen de beschikking met dagtekening 20 juni 2003, waarin aan eiseres teruggaaf van omzetbelasting is verleend voor het vierde kwartaal van 2002. Bij uitspraak op bezwaar van 4 april 2006 heeft verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 11 mei 2006, ontvangen bij de rechtbank op 15 mei 2006, beroep ingesteld.

Eiseres heeft zich desgevraagd uitgelaten over de tijdigheid van het bezwaar.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2007 te Arnhem. Eiseres is daar vertegenwoordigd door haar echtgenoot, [Y]. Namens verweerder is verschenen drs. [A].

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

Eiseres woont in een woning met een bedrijfsruimte (hierna: het pand). Vanuit de bedrijfsruimte exploiteert zij een schoonheidssalon en een kapsalon. De bedrijfsruimte heeft een aparte ingang. Eiseres is ondernemer voor de omzetbelasting.

Het bouwjaar van het pand is 2002. Het bedrijfsgedeelte is in gebruik genomen in november van dat jaar.

Eiseres heeft op 5 februari 2003 aangifte gedaan voor de omzetbelasting over het vierde kwartaal 2002. Daarbij heeft zij overeenkomstig een door haar accountant gemaakte splitsing, 30 % van de omzetbelasting over de bouwkosten van het pand, als voorbelasting in aftrek gebracht. Dit resulteerde in een negatieve aangifte omzetbelasting van € 11.051.

Met dagtekening 20 juni 2003 heeft verweerder bij beschikking een teruggave verleend van

€ 11.051.

Op 4 november 2003 is namens verweerder door [B] (hierna: de controlemedewerker) bij eiseres met betrekking tot de aangiften omzetbelasting voor de tijdvakken vierde kwartaal 2002 en eerste kwartaal 2003 een boekenonderzoek ingesteld naar de juistheid van de in aftrek gebrachte voorbelasting die betrekking had op de bouwkosten. Hiervan is met dagtekening 19 januari 2004 een rapport opgemaakt. Het onderzoek gaf geen aanleiding tot correcties.

Tijdens het boekenonderzoek heeft de echtgenoot van eiseres aan de controlemedewerker een artikel overhandigd met de titel “Woon-bedrijfspand en BTW” afkomstig uit het tijdschrift “Tips en advies”. In dit artikel staat onder meer het volgende vermeld:

“ Ook aftrek BTW woongedeelte. Er is een opvallende beslissing van het Europese Hof van Justitie (8-5-2003, C-269/00) verschenen, waar een aantal ondernemers hun voordeel mee kan doen. Het ging over een woon-bedrijfspand dat door een Duitse ondernemer was gebouwd. De ondernemer vroeg de volledige BTW op de bouwkosten, terug in zijn BTW-aangifte en daarin heeft hij gelijk gekregen. Dus ook de BTW die betrekking heeft op het woongedeelte heeft hij terugontvangen! (...)

Wat te doen? Wanneer u dus een woon-bedrijfspand koopt of laat bouwen kunt u alle BTW terugvragen. U hoeft nadien niets te corrigeren voor het woongedeelte. Heeft u in de afgelopen vijf jaar zo’n pand gekocht of laten bouwen, bekijk dan met uw adviseur of er nog mogelijkheden zijn via een bezwaarschrift of een verzoek om ‘ambtshalve teruggave’.”.

Bij brief van 31 oktober 2005 heeft eiseres verweerder verzocht om ambtshalve teruggave van de nog niet in aftrek gebrachte voorbelasting over het woongedeelte van het pand voor het vierde kwartaal 2002 ad € 24.745.

Verweerder heeft de brief van eiser aangemerkt als een bezwaar tegen de teruggaafbeschikking van 20 juni 2003. Bij uitspraak op bezwaar van 4 april 2006 heeft verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en geweigerd om ambtshalve teruggaaf te verlenen.

3. Geschil

In geschil is of verweerder het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Eiseres beantwoordt deze vraag ontkennend. Verweerder beantwoordt deze vraag bevestigend.

Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot een teruggaaf van omzetbelasting van € 24.745.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4. Beoordeling van het geschil

Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Ingevolge artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, voor zover hier van belang, vangt deze termijn aan op de dag na die van dagtekening van de voor bezwaar vatbare beschikking, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking, dan wel op de dag na die van de voldoening of de inhouding onderscheidenlijk de afdracht. Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

De dagtekening van de teruggaafbeschikking is 20 juni 2003. De rechtbank heeft geen aanleiding om aan te nemen dat het besluit pas na die datum is verzonden, zodat ervan moet worden uitgegaan dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift op die datum is aangevangen. De bezwaartermijn eindigde derhalve op 1 augustus 2003. Het bezwaarschrift is op 2 november 2005 door verweerder ontvangen. Gelet op het bepaalde in artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is het bezwaar dus niet tijdig. Dit geldt ook als ervan zou moeten worden uitgegaan dat, zoals eiseres in haar aanvulling op het beroepschrift van 22 april 2007 stelt maar door verweerder is betwist, zij al in november 2003 een bezwaarschrift zou hebben ingediend. Immers ook toen was de bezwaartermijn reeds geruime tijd verstreken.

Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft bij een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift een niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Eiseres heeft gesteld dat zij het bezwaarschrift heeft ingediend naar aanleiding van het bezoek van de controleambtenaar in november 2003. Verweerder heeft de juistheid hiervan betwist. Volgens verweerder heeft de controleambtenaar alleen meegedeeld dat over deze kwestie een procedure liep bij het Hof van Justitie in Luxemburg, dat teruggave van de omzetbelasting over het woongedeelte afhankelijk was van de uitkomst daarvan en voorts dat, om hiervoor in aanmerking te komen, een bezwaarschrift tegen de teruggaafbeschikking moest zijn ingediend. Eiseres heeft ter zitting nog verklaard dat zij pas op of omstreeks 17 oktober 2003 bekend is geworden met het onder 2 genoemde artikel “Woon-bedrijfspand en BTW”, dat zij niet wist dat zij binnen zes weken bezwaar moest maken en dat haar toenmalige belastingadviseur in die periode een hersenbloeding heeft gehad.

In verband hiermee acht de rechtbank het volgende van belang. Ook wanneer er met eiseres vanuit zou worden gegaan dat de controleambtenaar bij het boekenonderzoek in november 2003, aan eiseres heeft meegedeeld dat zij nog tijdig bezwaar kon maken, kan dit gelet op het arrest van de Hoge Raad van 2 november 2001, 36 157, BNB 2002/16, er niet toe leiden dat het bezwaar als tijdig kan worden beschouwd, nu die uitlating is gedaan na afloop van de wettelijke bezwaartermijn. Dat eiseres niet wist dat de wettelijke bezwaartermijn zes weken is, kan haar niet helpen reeds omdat eiseres zich liet bijstaan door een belastingadviseur. De stelling van eiseres dat haar belastingadviseur in oktober 2003 een hersenbloeding heeft gehad, maakt dit niet anders omdat dit eveneens een omstandigheid betreft die betrekking heeft op de periode na het verstrijken van de bezwaartermijn. Dat eiseres eerst in oktober 2003 bekend is geworden met het onder 2 genoemde arrest Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 8 mei 2003, C-269/00 (Seeling) kan haar evenmin helpen nu niet aannemelijk is geworden dat het eiseres binnen de wettelijke bezwaartermijn moeilijk is gemaakt om te onderkennen dat zij een rechtsmiddel kon aanwenden en te onderkennen dat, indien zij dat achterwege zou laten, de rechtmatigheid van de heffingen niet meer aan de orde zou kunnen worden gesteld (zie HR 5 oktober 2007, 43 268, LJN: AZ9098).

Gelet op het voorgaande heeft verweerder het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank kan daarom niet toekomen aan de inhoudelijke beoordeling van de vraag of eiseres recht heeft op teruggaaf van de omzetbelasting die betrekking heeft op de bouwkosten van het woongedeelte van het pand.

Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 10 januari 2008 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. E.C.G. Okhuizen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. I. Lampe-Selanno, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.