Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2008:BC2310

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
18-01-2008
Datum publicatie
21-01-2008
Zaaknummer
AWB 07/259
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gedeputeerde Staten van de Provincie Gelderland hebben subsidie geweigerd voor een haalbaarheidsstudie naar de mogelijke gehele of gedeeltelijke overkapping van een gedeelte van de autosnelweg A12. De subsidie was aangevraagd op grond van de Stimuleringsregeling milieu Gelderland 2004. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het project niet voor subsidie in aanmerking komt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

Registratienummer: AWB 07/259

Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

Stichting Duurzame A12, eiseres,

gevestigd te Velp,

en

het College van Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 5 december 2006.

2. Procesverloop

Bij besluit van 24 juli 2006 heeft verweerder een aanvraag van eiseres om een subsidie op grond van de Stimuleringsregeling milieu Gelderland 2004 (hierna: de SmG 2004) afgewezen.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het daartegen ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van

28 september 2007. Eiseres is daar vertegenwoordigd door de heren [x], [y] en [z] en de heer mr. R.M. Rijpstra als advocaat-gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mevrouw ing. B. Verboom en mevrouw mr. A. Beemer.

3. Overwegingen

Op grond van artikel 1.2 van de SmG 2004 zijn Gedeputeerde Staten bevoegd tot verstrekking van subsidie als bedoeld in die regeling.

Ingevolge artikel 1.3, tweede lid, van de SmG 2004 wordt de subsidie uitsluitend verstrekt voor eenmalige activiteiten indien de activiteit valt onder één of meer van de volgende categorieën:

a. innovatieve milieu-initiatieven;

b. implementatie van innovatieve milieumaatregelen;

c. Leren voor Duurzame Ontwikkeling;

d. natuur- en milieueducatie.

Op grond van het derde lid, onder a, van dit artikel gaat het voor categorie a van het tweede lid om activiteiten die:

- innovatief zijn;

- een voorbeeldfunctie kunnen vervullen;

- afrekenbaar of evalueerbaar zijn in termen van milieuwinst;

- passen binnen het provinciale beleid zoals neergelegd in het GMP;

- niet leiden tot ongerechtvaardigde verrijking of tot concurrentievervalsing.

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat eiseres op 20 januari 2006 op grond van de SmG 2004 een aanvraag heeft ingediend voor een subsidie van € 50.000,- voor een innovatief milieu-initiatief. Het initiatief betreft het project “Haalbaarheidsstudie duurzame verbreding A12 Velperbroek t/m Waterberg” en ziet op een haalbaarheidsstudie naar de mogelijke gehele of gedeeltelijke overkapping van de autosnelweg A12 op het traject tussen het Velperbroekcircuit en het knooppunt Waterberg.

De haalbaarheidsstudie stelt zich blijkens de aanvraag tot doel om via een bij de aanvraag gevoegd Plan van Aanpak een duurzame oplossing te vinden voor de ernstige milieu- en gezondheidsproblemen, samenhangend met het sterk toegenomen snelverkeer op de A12 over het genoemde traject door toepassing van een innovatieve methode van overkapping in combinatie met zuivering van vuile verkeerslucht.

Bij besluit van 24 juli 2006 heeft verweerder de aanvraag van eiseres afgewezen. Aan dit besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat:

i. de aanvraag van eiseres slechts ziet op een haalbaarheidsonderzoek en een dergelijk onderzoek niet afrekenbaar of evalueerbaar is in termen van milieuwinst. Het subsidiëren van een voorfase (het haalbaarheidsonderzoek) biedt op zichzelf nog geen uitzicht op de vereiste milieuwinst en voldoet niet aan de inhoud en strekking van artikel 1.3, derde lid, onder a, van de SmG 2004;

ii. de A12 in beheer is bij het Rijk/Rijkswaterstaat en momenteel een onderzoek naar de verbreding van de A12 gaande is, waarbij zal worden nagegaan of en zo ja in welke mate sprake is van normoverschrijding. In een volgende fase van de planvorming zullen door het Rijk zo nodig de mogelijk te treffen maatregelen worden onderzocht. Het subsidiëren van een haalbaarheidsonderzoek acht verweerder daarom prematuur en niet opportuun;

iii. het Rijk vooralsnog geen financiële bijdrage heeft verstrekt aan het haalbaarheidsonderzoek in het kader van haar Innovatieprogramma Lucht.

Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt, welk bezwaar door verweerder ter advisering is voorgelegd aan de Commissie bezwaar- en beroepschriften van de Provincie Gelderland (hierna: de Commissie). Deze 3 november 2006 het bezwaar gegrond te verklaren en de gevraagde subsidie alsnog te verlenen.

Daartoe overwoog de Commissie onder meer dat de door eiseres in haar aanvraag verwoorde verwachtingen wel degelijk als concreet zijn te kwalificeren. Uit de bestreden beslissing valt op te maken dat een haalbaarheidsstudie in de visie van verweerder per definitie niet afrekenbaar of evalueerbaar is in termen van milieuwinst, terwijl dit standpunt niet nader wordt gemotiveerd. De Commissie achtte dit standpunt onjuist, aangezien de in de aanvraag genoemde resultaten zich weliswaar openbaren tijdens of na de plaatsing van de overkapping, maar toch de grootte van de kans centraal dient te staan. De overige afwijzingsgronden achtte de Commissie niet terzake doende, omdat de aanvraag dient te worden getoetst aan de SmG 2004 en deze regeling geen ruimte biedt de toekenning dan wel afwijzing van een subsidie afhankelijk te stellen van een beslissing van enig ander bestuursorgaan dan verweerder.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en het bestreden besluit gehandhaafd. Aan dit besluit heeft verweerder samengevat ten grondslag gelegd dat het bij het criterium “afrekenbaar of evalueerbaar in termen van milieuwinst” gaat om de kans dat daadwerkelijk relevante milieuwinst zal optreden. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de kans op realisatie van het project (overkapping van een gedeelte van de A12) gering is. De omstandigheid dat ook het Rijk naar aanleiding van een kamermotie wil bewerkstelligen dat het onderzoek wordt uitgevoerd, doet daaraan volgens verweerder niet af. Vervolgens stelt verweerder dat Rijkswaterstaat naar alle waarschijnlijkheid conventionele maatregelen zal treffen waarmee de normoverschrijdingen (van vigerende milieunormen) kunnen worden aangepakt. Pas daarna zou de optie van het overkappingsalternatief in beeld kunnen komen. Dientengevolge voldoet het subsidiëren van deze voorfase, die op zichzelf nog geen of onvoldoende uitzicht biedt op de vereiste milieuwinst, niet aan de inhoud en strekking van de SmG 2004, aldus verweerder.

Eiseres heeft het bestreden besluit gemotiveerd aangevochten. Op haar stellingen zal de rechtbank hierna, waar nodig, nader ingaan.

De rechtbank overweegt als volgt.

Niet in geschil is dat de aanvraag van eiseres voldoet aan alle cumulatieve subsidievoorwaarden als genoemd in artikel 1.3, derde lid, onder a, van de SmG 2004, met uitzondering van het criterium “afrekenbaar of evalueerbaar in termen van milieuwinst”.

Eiseres heeft onder meer aangevoerd dat verweerder handelt in strijd met het vertrouwensbeginsel. De gedeputeerden van Milieu en Verkeer en twee betrokken ambtenaren hebben volgens eiseres op 9 maart 2006 naar aanleiding van een presentatie van eiseres steun van het Rijk als belangrijke voorwaarde gesteld om tot subsidieverlening over te gaan. De gedeputeerden hebben toen met geen woord gerept over de invulling van het criterium “afrekenbaar of evalueerbaar in termen van milieuwinst”.

Nog daargelaten dat eiseres deze beroepsgrond niet, althans onvoldoende, met bewijs(middelen) heeft onderbouwd, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van schending van het vertrouwensbeginsel, aangezien verweerder de aanvraag van eiseres op 9 maart 2006 immers nog inhoudelijk diende te beoordelen. Aan het enkele feit dat een tweetal leden van verweerder op 9 maart 2006 niet zouden hebben aangegeven aan welke (eventuele) overige voorwaarden de aanvraag van eiseres diende te voldoen, kon eiseres niet het gerechtvaardigde vertrouwen ontlenen dat haar aanvraag door verweerder zou worden gehonoreerd. Bovendien wist eiseres, althans behoorde zij te weten, dat niet voornoemde gedeputeerden en ambtenaren, maar verweerder op haar aanvraag zou beslissen. Gesteld noch gebleken is echter dat verweerder uitspraken of toezeggingen heeft gedaan, waaraan eiseres het vertrouwen mocht ontlenen dat haar aanvraag zou worden gehonoreerd. Het bestreden besluit is derhalve niet genomen in strijd met het vertrouwensbeginsel. Deze beroepsgrond treft dan ook geen doel.

De beroepsgronden van eiseres komen er verder op neer dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte concludeert dat niet is voldaan aan het criterium “afrekenbaar of evalueerbaar in termen van milieuwinst”, althans dat verweerder een onjuiste uitleg aan dit criterium geeft. Meer in het bijzonder heeft eiseres aangevoerd dat haar haalbaarheidsonderzoek wel degelijk afrekenbaar of evalueerbaar is in termen van milieuwinst. Verweerder motiveert niet, althans niet deugdelijk, waarom zij de aanvraag van eiseres afwijst. De SmG 2004 biedt geen ruimte voor een subjectieve beoordelingsvrijheid van verweerder. Ter zitting heeft eiseres nog benadrukt dat verweerder ten onrechte aan kansberekening doet door de kans op realisatie van de overkapping van de A12 in zijn beoordeling mee te nemen. Ook zou verweerder niet deugdelijk hebben getoetst of het haalbaarheidsonderzoek tot concrete milieuwinst zou kunnen leiden.

De rechtbank stelt voorop dat verweerder op grond van vaste jurisprudentie (vergelijk onder meer de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 april 2002, LJN: AE1563, 25 oktober 2006, LJN: AZ0846, 20 december 2006, LJN: AZ4815 en 14 november 2007, LJN: BB7807) bij de beoordeling van de aanvraag van eiseres een ruime vrijheid toekomt. Verweerder beoordeelt aanvragen als die van eiseres op grond van een hem toekomende discretionaire bevoegdheid. De beoordelingsvrijheid van verweerder brengt met zich dat verweerder, zelfs indien aan alle subsidievoorwaarden is voldaan, tot afwijzing van de aanvraag kan komen. Gelet op voormelde jurisprudentie van de Afdeling kan de rechtbank het bestreden besluit slechts terughoudend toetsen. De rechtbank kan derhalve slechts toetsen of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanvraag van eiseres niet voor subsidie in aanmerking komt.

De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is en overweegt daartoe als volgt.

De SmG 2004 heeft de financiële ondersteuning van projecten die bijdragen aan een milieuvriendelijk en duurzaam Gelderland tot doel.

Ten aanzien van het in artikel 1.3, derde lid, onder a, van de SmG 2004 vermelde criterium “afrekenbaar of evalueerbaar in termen van milieuwinst” is in de SmG 2004, noch in de Algemene Subsidieverordening Gelderland 1998, op grondslag waarvan de SmG 2004 tot stand is gebracht, aangegeven wat daaronder is te verstaan. Wel blijkt uit de eerste zin onder de toelichting bij artikel 1.3 van de SmG 2004 dat projecten waarvoor een subsidie wordt aangevraagd zullen moeten bijdragen aan het realiseren van de doelstelling van de verordening.

Uit de redactie van artikel 1.3, derde lid, onderdeel a en b, van de SmG 2004 blijkt voorts dat voor de categorie van innovatieve milieu-initiatieven, waaronder de aanvraag van eiseres moet worden geschaard, het criterium “afrekenbaar of evalueerbaar in termen van milieuwinst” geldt, terwijl voor de implementatie van innovatieve milieu-initiatieven het criterium “een relevante milieuwinst opleveren” is opgenomen.

Ter zitting is namens verweerder aangegeven dat met beide criteria hetzelfde wordt bedoeld. Subsidie-aanvragen voor innovatieve milieu-initiatieven dienen evenals aanvragen voor de implementatie van dergelijke initiatieven daadwerkelijk tot milieuwinst te leiden. Om die reden beoordeelt verweerder bij subsidie-aanvragen voor projecten waarmee naar zijn mening geen directe milieuwinst wordt gerealiseerd bij de invulling van het criterium “afrekenbaar of evalueerbaar in termen van milieuwinst” de kans op realisatie van het project waarop de haalbaarheidsstudie ziet en daarmee dus de kans dat daadwerkelijk relevante milieuwinst zal kunnen optreden. In het onderhavige geval heeft dit tot een afwijzing geleid, aangezien het volgens verweerder volstrekt onzeker is of het haalbaarheidsonderzoek uiteindelijk een vervolg zal krijgen en het overkappingsalternatief zal worden toegepast. De realisatie van een overkapping is immers afhankelijk van verschillende factoren, zoals de kosteneffectiviteit, de daadwerkelijke milieuproblemen die op de locatie spelen en de opstelling van het Rijk. Nu de kans op realisatie van de overkapping klein is, is niet voldaan aan het criterium “afrekenbaar of evalueerbaar in termen van milieuwinst”, aldus verweerder.

Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder de hem toekomende beoordelingsvrijheid aldus niet te buiten gegaan. Deze ruime vrijheid in aanmerking nemende, stond het verweerder in het onderhavige geval vrij bij de beoordeling of aan het criterium “afrekenbaar of evalueerbaar in termen van milieuwinst” is voldaan, de vraag te betrekken of een reëel uitzicht bestond op daadwerkelijke realisatie van het project. Dit geldt te meer nu de doelstelling van de SmG 2004 ziet op de financiële ondersteuning van projecten die bijdragen aan een milieuvriendelijk en duurzaam Gelderland. Deze doelstelling is tevens in de eerste zin van de toelichting bij artikel 1.3 van de SmG 2004 tot uitdrukking gebracht, in die zin dat daar is overwogen dat de projecten zullen moeten bijdragen aan het realiseren van de doelstelling van de verordening.

Aangezien het ten tijde van het nemen van het bestreden besluit nog volstrekt onduidelijk was of de toekomstige verbreding van de A12 en de daarmee gepaard gaande (milieu)gevolgen met conventionele(re) maatregelen kunnen worden geadresseerd (hetgeen de realisatie van een overkapping overbodig zou maken), heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank het reële uitzicht op daadwerkelijke realisatie zodanig gering mogen inschatten dat niet aan het criterium “afrekenbaar of evalueerbaar in termen van milieuwinst” is voldaan. Dat andere bij het initiatief betrokken partijen een haalbaarheidsonderzoek niet afwijzen en daar wellicht zelfs welwillend tegenover staan, doet daar niet aan af.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de slotsom dat verweerder zich met de in het bestreden besluit gegeven motivering in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het project van eiseres niet voor subsidieverlening in aanmerking komt. Het bestreden besluit kan dan ook in rechte stand houden en het daartegen gerichte beroep is ongegrond.

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. J.M. Neefe als voorzitter, mr. E. Klein Egelink en mr. K.A.M. van Hoof, rechters, en in tegenwoordigheid van mr. G.W.B. Heijmans, griffier, in het openbaar uitgesproken op 18 januari 2008.

De griffier, De voorzitter

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op:18 januari 2008.