Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BL0986

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
20-12-2007
Datum publicatie
28-01-2010
Zaaknummer
07/323
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Inkomsten uit administratieve dienstverlening vormen geen winst uit onderneming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 07/323

Uitspraakdatum: 20 december 2007

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X], wonende te [Z], eiseres,

gemachtigde

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Randmeren, kantoor Apeldoorn, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 1999 een aanslag (aanslagnummer [00].H.96) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van fl. 456.314, ofwel € 207.066. Tevens heeft verweerder bij afzonderlijke beschikking een bedrag van fl. 26.523, ofwel € 12.036, aan heffingsrente in rekening gebracht aan eiseres.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 24 november 2006 de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van fl. 436.314, ofwel € 197.991. Tevens heeft verweerder de heffingsrente verlaagd met een bedrag van fl. 1.212, ofwel € 550.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 4 januari 2007, ontvangen bij de rechtbank op 8 januari 2007, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2007 te Arnhem. Namens eiseres is haar gemachtigde verschenen. Namens verweerder is verschenen

[gemachtigde].

De gemachtigde van eiseres heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen. De rechtbank rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

Eiseres is geboren op 29 augustus 1953.

Eiseres en de heer [A], de voormalige echtgenoot van eiseres, dreven tot 30 juni 1999 een vennootschap onder firma onder de naam “V.o.f. [B]” te [Z]. De activiteiten van de onderneming bestonden in 1999 uit het uitoefenen van een hoveniersbedrijf en de verhuur van onroerend goed. Tevens dreven eiseres en de heer [A] tot 30 juni 1999 het hoveniersbedrijf “V.o.f. [C]” te [Q].

Tot het ondernemingsvermogen van V.o.f. [B] is gerekend het woon- en winkelpand, gelegen aan de [a-straat 1-3] te [Z]. Dit pand is in 1996 verbouwd. Na de verbouwing zijn de panden nrs. [1] en [3] verhuurd aan derden. In pand nr. [1] bevindt zich een brillenzaak en in pand nr. [3] wordt een bloemenwinkel geëxploiteerd onder de naam [D]. Pand nr. [1a] betreft een, voor eigen gebruik bestemde, bovenwoning. Tevens worden tot het ondernemingsvermogen gerekend percelen (kwekerij-) grond, kadastraal bekend bij gemeente [Z] en [R], onder sectie W nummer [0000] (gedeeltelijk) en sectie U nummer [0001]. De percelen grond zijn gelegen tussen de [b-straat] en de [c-straat] te [Z].

Door echtscheiding zijn V.o.f. [C] en V.o.f. [B] per 30 juni 1999 ontbonden. De voormalige echtgenoot van eiseres heeft in de vorm van een eenmanszaak de onderneming(en) voortgezet.

Vanaf 1 juli 1999 is eiseres, handelend onder de naam [E], werkzaam als administratieve dienstverlener. Tot 1 juli 1999 zijn deze inkomsten beschouwd als voordelen uit niet in dienstbetrekking verrichte werkzaamheden.

Op 11 juli 2000 heeft eiseres het schattingsformulier over 1999 ingediend, waarbij het belastbaar inkomen is geschat op fl. 750.000, ofwel € 340.335.

Eiseres heeft op 30 maart 2001 aangifte IB/PVV over 1999 gedaan naar een belastbaar inkomen van fl. 421.716, ofwel € 191.366.

Bij de aanslagregeling IB/PVV over 1999 heeft verweerder de volgende correcties aangebracht:

Aangegeven belastbaar inkomen fl. 421.716 € 191.366

Correctie waardedrukkende factor eigen woning fl. 3.375 € 1.531

Correctie stakingsvrijstelling fl. 20.000 € 9.076

Correctie lijfrente-uitkering fl. 2.123 € 963

Correctie zelfstandigenaftrek fl. 7.515 € 3.410

Correctie investeringsaftrek fl. 1.585 € 719

Nader vastgesteld belastbaar inkomen fl. 456.314 € 207.066

Met dagtekening 26 september 2003 heeft verweerder de aanslag IB/PVV 1999 dienovereenkomstig aan eiseres opgelegd. Tevens heeft verweerder bij afzonderlijke beschikking een bedrag van fl. 26.523, ofwel € 12.036, aan heffingsrente in rekening gebracht aan eiseres.

Eiseres heeft bij brief van 3 november 2003 bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB/PVV 1999 en de beschikking heffingsrente.

Bij uitspraak op bezwaar van 24 november 2006 heeft verweerder alsnog de stakingsvrijstelling ad fl. 20.000 (€ 9.076) verleend. Het belastbaar inkomen is door verweerder nader vastgesteld op fl. 436.314, ofwel € 197.991. Als gevolg van deze correctie heeft verweerder de heffingsrente verlaagd met fl. 1.212, ofwel € 550.

Tegen deze uitspraak heeft eiseres beroep ingesteld.

3. Geschil

In geschil is het antwoord op de volgende vragen:

- Welke waardedrukkende factor is van toepassing bij de overdracht van de woning naar het privévermogen?

- Zijn de inkomsten uit administratieve dienstverlening aan te merken als winst uit onderneming?

- Is sprake van schending van het vertrouwensbeginsel?

- Is terecht heffingsrente aan eiseres in rekening gebracht?

- Heeft verweerder bij uitspraak op bezwaar ten onrechte geen beslissing genomen op het verzoek van eiseres om proceskostenvergoeding in de bezwaarfase?

4. Beoordeling van het geschil

Inzake de aanslag IB/PVV

Waardedrukkende factor eigen woning

Eiseres stelt dat er, vanwege de gedeeltelijke staking van de onderneming, sprake is van een verplichte overgang van de eigen woning naar privé. Eiseres is van mening dat rekening dient te worden gehouden met de waardedrukkende factor van 40% wegens duurzame zelfbewoning. Volgens eiseres blijkt uit de jurisprudentie dat sprake kan zijn van lagere percentages dan welke zijn opgenomen in het begunstigende beleid van de staatssecretaris.

Verweerder heeft bij de vaststelling van het belastbaar inkomen over 1999 van eiseres, conform het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 16 mei 2001 (nr. CPP2001/1381), rekening gehouden met een waardedruk eigen woning van 35%.

De rechtbank overweegt dat eiseres geen taxatierapport heeft overgelegd waaruit blijkt dat in haar situatie rekening dient te worden gehouden met een waardedruk eigen woning van 40%. Daarnaast heeft eiseres geen omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat haar situatie niet vergelijkbaar is met de in het voormelde besluit omschreven situatie. De rechtbank ziet, op grond van hetgeen eiseres heeft aangevoerd, geen aanleiding om van een hogere waardedruk dan 35% uit te gaan. Het beroep dient op dit punt dan ook ongegrond te worden verklaard.

Ondernemerschap

Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij vanaf 1 juli 1999 haar werkzaamheden als administratieve dienstverlener heeft verricht als zelfstandig ondernemer. Naar haar mening dienen deze inkomsten dan ook als winst uit onderneming te worden gekwalificeerd.

Ter onderbouwing van deze stelling heeft eiseres aangegeven dat zij zich vanaf 1 juli 1999 nadrukkelijker op de markt heeft gepresenteerd, waarbij ze ook op zoek is gegaan naar nieuwe opdrachtgevers. Voor ten minste zeven bedrijven zou zij in 1999 de administratie hebben gevoerd. Daarnaast zou zij (in 1999) ten behoeve van haar onderneming de nodige investeringen hebben gedaan. Na aanvang is de onderneming alleen maar gegroeid, aldus eiseres.

De rechtbank stelt voorop dat op eiseres de bewijslast rust om aannemelijk te maken dat zij in 1999 is gestart met het drijven van een onderneming. Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres hier niet in geslaagd. Niet gebleken is op welke wijze zij zich vanaf juli 1999 actief op de markt heeft gepresenteerd. Ook voor het overige is de rechtbank van oordeel dat eiseres te weinig heeft aangevoerd om tot de conclusie te kunnen komen dat zij in 1999 is gestart met (het opzetten van) een onderneming. De overlegging van een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel en de jaarstukken over 1999 is in dit kader niet voldoende.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht de inkomsten uit administratieve dienstverlening niet heeft aangemerkt als winst uit onderneming. Eiseres heeft dan ook geen recht op toepassing van de investeringsaftrek. Het beroep van eiseres treft dan ook geen doel.

Vertrouwensbeginsel

Eiseres voert aan dat de aanslagregeling over 2000 inmiddels is afgerond. Daarbij zou zij wel als ondernemer zijn aangemerkt. Dit dient volgens eiseres ook te gelden voor 1999.

De rechtbank merkt dit standpunt van eiseres aan als een beroep op het vertrouwensbeginsel.

Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is meer vereist dan het volgen van de aangifte bij het regelen van de aanslag voor andere jaren. Niet gebleken is dat verweerder bij de aanslagregeling IB/PVV over 2000 een weloverwogen standpunt heeft ingenomen over het door eiseres ingenomen standpunt betreffende de opbrengsten uit [E]. Daarnaast heeft eiseres geen bijkomende omstandigheden aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat het ondernemerschap uitdrukkelijk en gemotiveerd aan verweerder is voorgelegd. Het vorenstaande is wel vereist voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel. Derhalve treft het beroep van eiseres in zoverre geen doel.

Inzake de heffingsrente

Eiseres betoogt dat het in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel dat verweerder aan haar geen voorlopige aanslag heeft opgelegd. Volgens eiseres heeft zij, via het indienen van een SO-biljet (schattingsformulier), hier wel om verzocht. Op grond hiervan is eiseres van mening dat een verlaging van de heffingsrente dient plaats te vinden.

Op grond van artikel 30f, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) wordt met betrekking tot onder meer de inkomstenbelasting heffingsrente berekend ingeval een voorlopige aanslag, een aanslag of een navorderingsaanslag wordt vastgesteld. Artikel 30f, derde lid, van de AWR bepaalt dat met betrekking tot de inkomstenbelasting heffingsrente wordt berekend over het tijdvak dat aanvangt op de dag na het einde van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven en eindigt op de dag van de dagtekening van het aanslagbiljet.

Slechts indien en voor zover voldoening uit eigen beweging om bij de belastingdienst gelegen redenen niet mogelijk is of door de belastingdienst niet wordt gewenst, brengt het zorgvuldigheidsbeginsel mee dat geen heffingsrente in rekening mag worden gebracht (vgl. HR 28 maart 2001, BNB 2001/297).

In artikel 11, derde lid, van de AWR is bepaald dat de bevoegdheid tot het vaststellen van de aanslag vervalt door verloop van drie jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Indien voor het doen van aangifte uitstel is verleend, wordt deze termijn met de duur van dit uitstel verlengd.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de AWR kan de inspecteur aan de belastingplichtige een voorlopige aanslag opleggen.

De rechtbank overweegt dat de onderhavige aanslag binnen de termijn van artikel 11, derde lid, van de AWR is opgelegd en dat voor verweerder geen verplichting bestond tot het opleggen van een voorlopige aanslag. Voorts is de rechtbank van oordeel dat eiseres via het indienen van een schattingsformulier geen verzoek om vaststelling van een voorlopige aanslag heeft gedaan als bedoeld in het Besluit van 27 september 2000, nr. CPP2000/1954M (in verband met de invoering van de euro herzien bij Besluit van 24 oktober 2001, nr. CPP2001/2110M). Hierdoor kan niet worden gezegd dat heffingsrente is berekend over een periode van een aan verweerder te wijten vertraging, zodat van een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel in het onderhavige geval geen sprake is. Het beroep van eiseres faalt op dit punt.

Inzake de kostenvergoeding van het bezwaar

Bij brief van 19 oktober 2006 heeft eiseres verzocht om toekenning van volledige vergoeding voor de in bezwaar gemaakte kosten. Eiseres betoogt dat verweerder ten onrechte nog geen beslissing heeft genomen op dit verzoek.

Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, eerste volzin, van de Awb worden de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

Ingevolge artikel 7:15, derde lid, van de Awb wordt het verzoek gedaan voordat het bestuursorgaan op het bezwaar heeft beslist en beslist het bestuursorgaan op het verzoek bij de beslissing op het bezwaar.

Tussen partijen is niet in geschil dat het verzoek om kostenvergoeding tijdig, dat wil zeggen voordat op 24 november 2006 op het bezwaar was beslist, is ingediend. Verweerder had derhalve bij uitspraak op bezwaar van 24 november 2006 op het verzoek van eiseres dienen te beslissen, maar heeft dit nagelaten. Het beroep van eiseres op dit punt is gegrond. De rechtbank zal, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, alsnog beslissen op het verzoek om proceskostenvergoeding voor de in bezwaar gemaakte kosten.

Vast staat dat het bezwaar van eiseres (gedeeltelijk) gegrond is verklaard, zodat een herroeping van het bestreden besluit in de zin van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb heeft plaatsgevonden. Naar het oordeel van de rechtbank is deze herroeping te wijten aan onrechtmatig handelen van verweerder. Redengevend hiervoor acht de rechtbank dat verweerder eiseres nimmer in kennis heeft gesteld van zijn voornemen om af te wijken van haar aangifte IB/PVV over 1999. Niet in geschil is dat eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar kosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand heeft gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze kosten redelijkerwijs gemaakt. Nu aan de in artikel 7:15 van de Awb gestelde voorwaarden is voldaan, heeft eiseres recht op een vergoeding van de door haar gemaakte kosten in bezwaar. Wat betreft van de hoogte van deze vergoeding, overweegt de rechtbank als volgt.

De kosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand komen ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) voor vergoeding in aanmerking.

De vergoeding van kosten vindt ingevolge het Besluit plaats volgens forfaitaire normen. Slechts in bijzondere omstandigheden kan hiervan, ingevolge artikel 2, derde lid, van het Besluit, worden afgeweken. Uit de parlementaire geschiedenis van de wet Kosten bestuurlijke voorprocedures blijkt dat de wetgever bij bijzondere omstandigheden denkt aan zeer schrijnende gevallen (TK 1999-2000, 27024, nr. 3, p.7).

Naar het oordeel van de rechtbank is van een bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 2, derde lid, van het Besluit in de situatie van eiseres geen sprake. Hierdoor heeft eiseres geen recht op een integrale proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase. Wel heeft eiseres recht op een forfaitaire kostenvergoeding voor de in de bezwaarfase beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit vastgesteld op € 322 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting in bezwaar met een waarde per punt van € 161 en een wegingsfactor 1). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

5. Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kos¬ten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 644 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover niet is beslist op het verzoek om proceskostenvergoeding;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres in bezwaar ten bedrage van € 322 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres in beroep ten bedrage van € 644;

- wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan de proceskostenvergoeding voor de kosten van bezwaar en beroep, in totaal voor een bedrag van € 966, aan eiseres te voldoen;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiseres betaalde griffierecht van € 38 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 20 december 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. drs. L.B.M. Klein Tank, voorzitter, mr. F.M. Smit en mr. J.J. Catsburg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.P.J. Leenders, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.