Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BJ2970

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
16-10-2007
Datum publicatie
17-07-2009
Zaaknummer
AWB 07/1829
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Grondwaterbelasting. Eiser is houder van de inrichting en is derhalve terecht aangemerkt als belastingplichtige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 07/1829

Uitspraakdatum: 16 oktober 2007

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X], wonende te [Z], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst[te P], verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft met dagtekening 26 oktober 2006 aan eiser over het jaar 2003 een naheffingsaanslag (aanslagnummer [1]) grondwaterbelasting opgelegd van € 18.799, alsmede bij beschikking een boete van € 500.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 9 maart 2007 de naheffingsaanslag en boetebeschikking gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 19 april 2007, ontvangen bij de rechtbank op 20 april 2007, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft voor de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift doorgestuurd naar verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2007 te Arnhem.

Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. [A]. Namens verweerder zijn verschenen mr. [B] en [C].

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

Eiser exploiteert een melkveebedrijf.

In 2003 is een nieuwe stal met kelder gebouwd. De oppervlakte van de stal is ongeveer 200 m2.

Om de bouwput droog te houden is bronbemaling toegepast die is uitgevoerd door [D] uit [Q] (hierna: [D]). Daarbij zijn drie pompen gebruikt, twee

electropompen en één dieselpomp.

Blijkens de factuur van [D] aan diens opdrachtgever, [E] BV te [Q], zijn drie watermeters geplaatst.

De bronbemaling is gemeld bij de provincie [R] (hierna: de provincie) op 3 september 2003. In de brief van de provincie van 16 september 2003 aan eiser is onder meer het volgende vermeld:

“ Omdat de gezamenlijk geïnstalleerde pompcapaciteit meer bedraagt dan 10 m3 per uur, is de door u gemelde bronbemaling registratieplichtig.

Wij hebben deze inrichting dan ook ingeschreven in het Provinciaal Register Grondwateronttrekkingen (REGRO) onder gemeentecode [0000] en volgnummer [xxx].

(….)

Aan deze registratieplicht zijn voorschriften verbonden ten aanzien van meten en registreren van de onttrokken hoeveelheden grondwater. Dit betekent dat de totaal onttrokken hoeveelheid grondwater gemeten dient te worden. (…..)

Daarnaast dient u de onttrokken hoeveelheden grondwater vast te stellen en daarvan aantekening te houden.

(…..)

(…..)

Deze brief wordt in afschrift gezonden aan de Belastingdienst Grote Ondernemingen te [S] en aan de waterschappen.

(…..)”

De bronbemaling is gestart op 5 september 2003 en geëindigd op 23 oktober 2003.

Op 25 oktober 2003 is de bronbemaling bij de provincie afgemeld. Daarbij is aangegeven dat in het derde kwartaal 2003 62.496 m3 en in het vierde kwartaal 2003 45.360 m3 grondwater is opgepompt. De afmelding is ondertekend door eiser. In de brief van 30 april 2006 van [D] aan verweerder is vermeld dat de debietstanden destijds aan eiser zijn verstrekt.

De provincie heeft met dagtekening 16 juli 2004 een aanslag grondwaterheffing aan eiser opgelegd. De aanslag is gebaseerd op een hoeveelheid onttrokken water van 107.856 m3.

Tot de gedingstukken behoort een rapport d.d. 29 september 2006 van een bij eiser ingesteld boekenonderzoek. In genoemd rapport is het volgende opgenomen:

“5. Administratie

De heer [X] verklaarde dat de onttrekking van grondwater op geen enkele wijze door hem is bijgehouden en kan daardoor geen administratie van de onttrokken hoeveelheid grondwater in de periode van 5-9-2003 t/m 23-10-2003 overleggen. Volgens mededeling van de heer [X] bemoeide hij zich amper met de bronbemalingswerkzaamheden.

(…..)”

Op grond van de bevindingen van dit onderzoek heeft verweerder de thans bestreden naheffingsaanslag grondwaterbelasting aan eiser opgelegd. Daarbij heeft verweerder met toepassing van artikel 67c van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (hierna: AWR) een verzuimboete opgelegd van, na matiging, € 500.

3. Geschil

In geschil is of verweerder terecht de naheffingsaanslag grondwaterbelasting en de boetebeschikking aan eiser heeft opgelegd. Het geschil spitst zich toe op het antwoord op de vraag of eiser belastingplichtige is en op de hoeveelheid onttrokken grondwater.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4. Beoordeling van het geschil

Ten aanzien van de belastingplicht

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet belastingen op milieugrondslag (hierna: Wbm), wordt onder inrichting verstaan: een inrichting als bedoeld in de Grondwaterwet, bestemd tot het onttrekken van grondwater.

Ingevolge artikel 4 van de Wbm wordt onder de naam grondwaterbelasting een belasting geheven ter zake van het onttrekken van grondwater. Artikel 5 van de Wbm bepaalt dat de belasting wordt geheven van de houder van de inrichting.

Ingevolge artikel 13 van de Grondwaterwet houden gedeputeerde staten ter provinciale griffie een register bij waarin de inrichtingen worden ingeschreven met vermelding van de verstrekte gegevens.

In het aanmeldingsformulier registratieplichtige inrichtingen (bijlage 8 bij het verweerschrift) staat bij vraag 1 als houder van de inrichting vermeld “Dhr [X]”. Bij brief van 16 september 2003 heeft de provincie aan eiser bericht dat de door hem gemelde bronbemaling registratieplichtig is en dat deze inrichting is geregistreerd in het Provinciaal Register Grondwateronttrekkingen.

Nu eiser in het aanmeldingsformulier als houder van de inrichting staat vermeld, hij bij de provincie als meldingsplichtige is geregistreerd en de brief van de provincie van 16 september 2003 ook aan hem is gericht, kan hieruit geen andere conclusie worden getrokken dan dat eiser de houder van de inrichting, en daarmee de belastingplichtige is. Dit te meer nu eiser naar aanleiding van voornoemde brief van de provincie geen actie heeft ondernomen ter correctie van de geregistreerde gegevens.

Gelet op het voorgaande treft eisers in beroep betrokken stelling dat het bouwbedrijf belastingplichtig is, dan ook geen doel.

Ten aanzien van de hoeveelheid onttrokken grondwater

Ingevolge artikel 6 van de Wbm wordt de belasting geheven over de onttrokken hoeveelheid grondwater, gemeten in kubieke meters.

Verweerder is bij de naheffingsaanslag uitgegaan van een hoeveelheid onttrokken grondwater van 62.496 m3 in het derde kwartaal en 45.360 m3 in het vierde kwartaal, in totaal 107.856 m3.

Eiser heeft betoogd dat in het derde kwartaal 46.698 m3 en in het vierde kwartaal 35.475 m3 is onttrokken, in totaal 82.173 m3.

De rechtbank stelt voorop dat, nu verweerder de naheffingsaanslag heeft opgelegd op hem de bewijslast rust de hoeveelheid onttrokken water aannemelijk te maken.

Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder daarin geslaagd. De rechtbank overweegt in dat verband het volgende.

Verweerder heeft zich gebaseerd op de gegevens zoals die blijken uit het afmeldingsformulier van eiser van 25 oktober 2003. Daarin staan vermeld als hoeveelheden onttrokken water 62.496 m3 en 45.360 m3. De gegevens zijn verkregen door [D] en het afmeldingsformulier is ondertekend door eiser. Eisers stelling dat [D] slechts de capaciteit van de gehuurde pompen heeft aangegeven en niet de standen van de watermeter wordt op geen enkele wijze nader onderbouwd. De stelling valt ook niet te rijmen met hetgeen [D] op 30 april 2006 aan verweerder heeft bericht, namelijk dat de debietstanden destijds aan eiser zijn opgegeven en dat de capaciteit van de pompen 60 m3 per uur bedraagt. Ook in het licht van verweerders berekening op pagina 4 van het verweerschrift acht de rechtbank het niet aannemelijk dat [D] met zijn opgave de capaciteit van de pompen heeft bedoeld.

Eisers stelling dat de pompen niet continu hebben gedraaid en dat derhalve van de capaciteit van de pompen slechts 43 m3 per uur is gebruikt, is naar het oordeel van de rechtbank niet onderbouwd. De rechtbank onderschrijft verweerders standpunt dienaangaande zoals vermeld onder punt 8.2 van het verweerschrift.

Noch de door eiser overgelegde foto’s van de scheuren in de belendende opstal, noch de nota van NUON van 18 november 2003, zijn naar het oordeel van de rechtbank aanwijzingen dat de pompen niet continu hebben gedraaid, nog afgezien of daarmee zou worden verklaard een verschil van ruim 25.000 m3 water. Hierbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat eiser geen administratie heeft bijgehouden van de hoeveelheid onttrokken grondwater en zich, naar eigen zeggen, amper met de bronbemalingswerkzaamheden bemoeide.

Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat er een hoeveelheid water is onttrokken van 107.856 m3. Hetgeen eiser daartegen heeft aangevoerd is naar het oordeel van de rechtbank van onvoldoende gewicht om anders te oordelen.

Hoewel niet van doorslaggevende betekenis wordt het voorgaande nog ondersteund door het feit dat eiser geen bezwaar en beroep heeft ingesteld tegen de provinciale grondwaterheffing die op dezelfde hoeveelheid onttrokken grondwater is gebaseerd.

Voor zover eiser heeft geklaagd over het feit dat hij niet vooraf is geïnformeerd over de heffing van grondwaterbelasting overweegt de rechtbank als volgt.

De Wbm is via publicatie in het Staatsblad op de juiste wijze bekend gemaakt. Van de Belastingdienst mag worden verwacht dat er voldoende informatie beschikbaar wordt gesteld, zodat bij een onttrekking van grondwater rekening kan worden gehouden met de heffing van grondwaterbelasting. Er bestaat voor de Belastingdienst echter geen verplichting om (mogelijk) belastingplichtigen vooraf te informeren over de regeling van de grondwaterbelasting. De omstandigheid dat verweerder in eisers situatie geen informatie heeft gegeven, kan niet leiden tot een vernietiging of vermindering van de naheffingsaanslag omdat de verschuldigdheid van deze belasting uit de Wbm voortvloeit (vgl. uitspraak Rechtbank Arnhem van 21 september 2007, AWB 07/1831).

Ten aanzien van de boete

Aan eiser is een verzuimboete ex artikel 67c van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen opgelegd. Ingevolge paragraaf 24 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 (hierna: het BBBB) bedraagt de boete 10% van de verschuldigde belasting met een maximum van € 4.537.

Met toepassing van paragraaf 44 van het BBBB heeft verweerder de boete gematigd tot

€ 500.

Nu de naheffingsaanslag in stand blijft ziet de rechtbank geen aanleiding tot vermindering van de boete.

Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 16 oktober 2007

en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. V.M. van Daalen – Mannaerts, rechter, in tegenwoordigheid van L.A. Witten, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.