Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BJ2953

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
11-07-2007
Datum publicatie
17-07-2009
Zaaknummer
AWB 06/2726
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Mediation-activiteiten vormen geen bron van inkomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2010, 382
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/2726

Uitspraakdatum: 11 juli 2007

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X], wonende te [Z], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst[te P], verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2003 een aanslag (aanslagnummer [H.36]) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 39.253 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 633.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 30 maart 2006 de aanslag gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 10 mei 2006, ontvangen bij de rechtbank op 11 mei 2006, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 november 2006 te Arnhem.

Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door [A] FB. Namens verweerder is verschenen mr. [B].

Eiser heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan verweerder.

De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

Aangezien de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat het onderzoek in deze procedure niet volledig is geweest, heeft de rechtbank het onderzoek heropend. Op 30 november 2006 is een kopie van de beslissing om het onderzoek te heropenen verzonden aan partijen.

Eiser en verweerder hebben nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

Partijen hebben toestemming gegeven uitspraak te doen zonder dat een nadere zitting plaatsvindt. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

Eiser heeft in 2001 een opleiding tot mediator gevolgd en afgerond.

Op 1 juli 2001 is eiser gestart met zijn eenmanszaak, firma [C]. De activiteiten van deze eenmanszaak waren aanvankelijk alleen gericht op mediation, waarbij de werkzaamheden zich voornamelijk richtten op arbeidsconflicten en zakelijke conflicten.

Tot 1 januari 2002 is eiser als directeur in loondienst werkzaam geweest. Vanaf dat moment heeft eiser zich volledig gericht op de activiteiten van zijn eenmanszaak.

Eiser heeft voordat hij met zijn eenmanszaak is gestart, geen ondernemingsplan opgesteld. Eiser heeft ook geen onderzoek gedaan naar de markt voor mediation in Nederland. Zijn beslissing om met mediation te beginnen heeft hij gebaseerd op de gegevens vanuit de Verenigde Staten en Engeland. Hieruit bleek dat je daar aan mediation een dagtaak hebt en er je brood mee kunt verdienen. In 2001/2002 werd algemeen verwacht dat de ontwikkeling in Nederland dezelfde kant op zou gaan. Mediation was in die jaren in Nederland een nieuwe ontwikkeling.

Na enige tijd werd eiser duidelijk dat mediation zich in Nederland niet op dezelfde manier ontwikkelde als in de Verenigde Staten. Hij is zich toen ook op andere werkzaamheden gaan richten zoals advieswerk, coaching van mensen en recentelijk ook met reïntegratiewerkzaamheden. Deze werkzaamheden zijn tot nog toe niet succesvol geweest.

De eenmanszaak heeft in de jaren 2003 tot en met 2005 volgens eiser de volgende omzetten en resultaten laten zien:

Jaar Omzet Resultaat

2003 € 6.133 € 4.287 -/-

2004 € 7.470 € 1.845 -/-

2005 € 19.536 € 6.596

Het positieve resultaat in 2005 heeft betrekking op de activiteiten die samenhangen met mediation.

Verweerder gaat met betrekking tot de behaalde resultaten over 2004 en 2005 uit van respectievelijk € 1.673 negatief en € 6.932 positief. Voor het jaar 2003 gaat verweerder evenals eiser uit van een resultaat van € 4.287 negatief.

Bij eiser is een boekenonderzoek ingesteld, waarvan op 3 november 2005 een rapport is opgemaakt. Hierin is, voor zover hier van belang, het navolgende vermeld:

‘ (…)

Belastingplichtige heeft zich tot en met 31 december 2003 ingespannen om als mediator vaste voet aan de grond te krijgen (…). De omvang van de activiteiten staan volgens belastingplichtige niet in verhouding tot de gegenereerde opbrengsten. Op het moment van onderzoek zijn de volgende omzetten duidelijk:

2001 € 137

2002 - 3.863

2003 - 6.131

2004 - 7.470

2005 - 8.000 (bij benadering)

Belastingplichtige heeft de toezegging van het ministerie van Verkeer en Waterstaat om cursussen te verzorgen. Hierdoor zal ongeveer € 10.000 (14 dagdelen) worden gegenereerd. De cursus is volgens informatie van belastingplichtige door hemzelf in “elkaar gezet”.

Veel van de activiteiten zijn verricht voor de Stichting “[D]”. Deze Stichting is de gesprekspartner voor grote(re) potentiële opdrachtgevers. De werkzaamheden voor de Stichting zijn Pro Deo. Daarnaast zijn er incidentele baten geweest. (…)

De conclusie die ik trek is dat er tot op het moment van dit onderzoek nog geen sprake is van het genieten van resultaat uit overige werkzaamheden. Wanneer dit omslaat in het genieten van een resultaat uit overige werkzaamheden of ondernemerschap hangt af van de feiten vanaf het moment dat genoemde activiteiten leiden tot een structureel positieve bate (…)’.

Eiser heeft aangifte IB/PVV 2003 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 26.641. Hierin is begrepen een negatief resultaat van € 4.287, de zelfstandigenaftrek van € 6.430 en de startersaftrek van € 1.895. Bij het opleggen van de aanslag IB/PVV 2003 heeft verweerder voormelde posten niet geaccepteerd omdat hij van mening is dat geen sprake is van een bron van inkomen. Het belastbaar inkomen uit werk en woning is bij de aanslagregeling IB/PVV 2003 vastgesteld op € 26.641 plus € 12.612 is € 39.253.

Het hiertegen door eiser ingediende bezwaarschrift is door verweerder afgewezen, waarna eiser beroep heeft ingesteld bij de rechtbank.

Eiser heeft bij brief van 13 december 2006 met bijlagen op verzoek van de rechtbank nog een nadere onderbouwing van zijn standpunten gegeven. Hierin heeft hij onder meer aangegeven dat hij naar buiten toe optreedt als ondernemer. In de brief is, samengevat en voor zover hier van belang, het navolgende vermeld:

- eiser heeft een zakelijk telefoonnummer dat bij afwezigheid wordt doorgeschakeld naar de secretariaatsservice A.A. Boodschappenservice;

- de mediation-activiteiten zien met name op zakelijke- en arbeidsconflicten. Hierdoor vinden de meeste afspraken bij bedrijven plaats. Indien nodig beschikt eiser over een extern bezoekadres;

- acquisitie vond ook plaats door een extra vermelding in de Gouden Gids, een extra vermelding in de Telefoongids en advertenties in Management Team. Tevens heeft eiser zelf een website ontwikkeld;

- eiser heeft het dienstenassortiment in 2003 uitgebreid met een zogenaamde conflictscan;

- in 2003 heeft eiser gratis het boekje “Kies uw recht” verstuurd. Dit boekje heeft eiser geschreven als acquisitiemiddel voor zijn eenmanszaak.

3. Geschil

Tussen partijen is in geschil of eisers activiteiten kunnen worden aangemerkt als een bron van inkomen. Bij een bevestigende beantwoording van deze vraag is in geschil of deze activiteiten een onderneming vormen. Bij een bevestigende beantwoording van deze laatste vraag, is aan de orde of eiser aan het urencriterium heeft voldaan.

4. Beoordeling van het geschil

Een voordeel kan slechts inkomen zijn indien er een bepaalde bron aan ten grondslag ligt. Volgens vaste jurisprudentie (vgl. HR 3 maart 1954, BNB 1954/125 en HR 1 februari 2002, BNB 2002/128) worden als uitgangspunt de volgende drie algemene voorwaarden gesteld aan een bron van inkomen: deelname aan het economische verkeer, het (subjectieve) oogmerk om voordeel te behalen, en de (objectieve) verwachting dat het voordeel redelijkerwijs kan worden behaald.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 14 oktober 2005 (nr. 40 244, BNB 2006/54) geoordeeld dat bij de vraag of redelijkerwijs voordeel is te verwachten, over de jaargrens heen gekeken dient te worden. Hieruit volgt dat voor de vraag of er in 2003 bij eiser een objectieve winstverwachting bestond, ook de resultaten van de jaren 2004 en 2005 in aanmerking dienen te worden genomen.

De rechtbank stelt vast dat niet geschil is dat eiser zijn activiteiten in het economische verkeer heeft verricht en dat eiser met deze activiteiten voordeel heeft beoogd. Voor de vraag of sprake is van een bron van inkomen dient de vraag te worden beantwoord of in het onderhavige jaar met de activiteiten redelijkerwijs een voordeel kon worden verwacht.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk geworden dat er in 2003 een objectieve winstverwachting bestond. Hierbij heeft de rechtbank belang gehecht aan het feit dat eisers activiteiten in 2003 en 2004 een negatief resultaat hebben opgeleverd. In 2005 laat de omzet een duidelijke stijging zien en is het resultaat voor het eerst positief, echter onduidelijk is of deze trend zich na 2005 zal voortzetten. Tevens heeft de rechtbank belang gehecht aan het gestelde in het beroepschrift en ter zitting dat de verwachting van eiser dat mediation in Nederland zou doorbreken niet uitkwam en dat eiser in Nederland niemand kent die als mediator zijn brood kan verdienen. Eiser heeft geen enkele omstandigheid genoemd, welke in redelijkheid de verwachting zou kunnen rechtvaardigen dat hierin op korte termijn verandering zou kunnen optreden. Tevens is in dit beroepschrift aangegeven dat doorgaan met investeren van tijd en het financieren van de activiteiten van zijn eenmanszaak de enige optie is voor eiser, nu solliciteren gelet op zijn leeftijd zinloos is en hij geen beroep kan doen op een WW-uitkering. Het feit dat eiser veel tijd en energie in zijn eenmanszaak heeft gestoken en, zoals ook blijkt uit zijn brief met bijlagen van 13 december 2006, veel aan acquisitie heeft gedaan is onvoldoende voor het oordeel dat sprake is van een objectieve winstverwachting.

Op grond van het bovenstaande oordeelt de rechtbank dat eisers activiteiten niet kwalificeren als een bron van inkomen. Reeds hierom kan eiser het negatieve resultaat niet in aftrek brengen en heeft eiser geen recht op de zelfstandigenaftrek en startersaftrek. De overige geschilpunten behoeven dus geen behandeling.

Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. M.C.G.J. van Well, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.C. Munniks, griffier, op 11 juli 2007

De rechter,

De griffier is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.