Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BJ2883

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
31-05-2007
Datum publicatie
16-07-2009
Zaaknummer
AWB 06/2306, AWB 06/2565, AWB 06/2566, AWB 06/2653, AWB 06/2655, AWB 06/2656, AWB06/2657, AWB06/2658
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Motorrijtuigenbelasting en BPM. Verweerder heeft aannemelijk gemaakt dat in de taxi een kilometeronderbreker was ingebouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummers: AWB 06/2306, AWB 06/2565, AWB 06/2566, AWB 06/2653, AWB 06/2655, AWB 06/2656, AWB 06/2657, AWB 06/2658

Uitspraakdatum: 31 mei 2007

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de gedingen tussen

[X],

wonende te [Z] eiser,

gemachtigde [A] en [B].

en

de inspecteur van de Belastingdienst[te P],

verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Motorrijtuigenbelasting

1.1 Verweerder heeft aan eiser over de tijdvakken van 1 januari 1998 tot en met 12 oktober 1998, 13 oktober 1998 tot en met 12 oktober 1999 en 13 oktober 1999 tot en met 12 oktober 2000 naheffingsaanslagen (aanslagnummers [.].Y.8.90001/Y.8.90002/Y.9.90001) motorrijtuigenbelasting (hierna: MRB) opgelegd van respectievelijk € 911, € 1.170 en € 1.176, alsmede bij beschikkingen boetes van respectievelijk € 911, € 1.170 en € 1.176.

1.2 Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 10 februari 2006 de naheffingsaanslagen MRB gehandhaafd en de boetes verminderd tot respectievelijk € 455, € 585 en € 588.

1.3 Eiser heeft tegen deze uitspraken op bezwaar bij brieven van 21 maart 2006, ontvangen bij de rechtbank op 23 maart 2006, beroep ingesteld.

Belasting van Personenauto’s en Motorrijwielen

1.4 Verweerder heeft aan eiser over het tijdvak van 13 oktober 1997 tot en met 12 oktober 2000 een naheffingsaanslag (aanslagnummer [.]) belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd ten bedrage van € 6.306, alsmede bij beschikking een boete van € 3.153.

1.5 Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 2 maart 2006 de naheffingsaanslag BPM gehandhaafd en de boete verminderd tot € 1.576.

1.6 Eiser heeft tegen deze uitspraak op bezwaar bij brief van 10 april 2006, ontvangen bij de rechtbank op 11 april 2006, beroep ingesteld.

IB/PVV, WAZ en ZFW

Het jaar 1998

1.7 Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 1998 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) en een navorderingsaanslag premie arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (hierna: WAZ) met aanslagnummers [.].H.87/W.87 opgelegd. Verweerder heeft deze aanslagen gebaseerd op een belastbaar inkomen voor de IB/PVV van ƒ 20.839 en een vastgesteld premie-inkomen WAZ van ƒ 39.046. Tevens heeft verweerder bij beschikkingen boetes opgelegd van respectievelijk ƒ 2.220 en ƒ 396.

1.8 Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 23 februari 2006 de navorderingsaanslagen gehandhaafd en de boetes verminderd tot respectievelijk ƒ 1.110 en

ƒ 198.

1.9 Eiser heeft tegen deze uitspraken op bezwaar bij brieven van 3 april 2006, ontvangen bij de rechtbank op 4 april 2006, beroep ingesteld.

Het jaar 1999

1.10 Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 1999 een navorderingsaanslag (aanslagnummer [.].W.97) WAZ opgelegd. Verweerder heeft deze aanslag gebaseerd op een vastgesteld premie-inkomen WAZ van ƒ 38.620. Tevens heeft verweerder bij beschikking een boete opgelegd van ƒ 405.

1.11 Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 23 februari 2006 de navorderingsaanslag gehandhaafd en de boete verminderd tot f 202.

1.12 Eiser heeft tegen deze uitspraak op bezwaar bij brief van 3 april 2006, ontvangen bij de rechtbank op 4 april 2006, beroep ingesteld.

Het jaar 2000

1.13 Verweerder heeft aan eiser over het jaar 2000 een navorderingsaanslag IB/PVV, een navorderingsaanslag WAZ en een navorderingsaanslag Premie Ziekenfondswet (hierna: ZFW) opgelegd met aanslagnummers [.].H.07/W.07/S.07 opgelegd. Verweerder heeft deze aanslagen gebaseerd op een belastbaar inkomen voor de IB/PVV van ƒ 20.839, een vastgesteld premie-inkomen WAZ van ƒ 41.365 en een premie-inkomen ZFW van ƒ 23.645. Tevens heeft verweerder bij beschikkingen boetes opgelegd van respectievelijk ƒ 1.834, ƒ 432 en ƒ 397.

1.14 Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 23 februari 2006 de navorderingsaanslagen IB/PVV en WAZ gehandhaafd en de boetes verminderd tot respectievelijk ƒ 917 en ƒ 216.

1.15 Eiser heeft tegen deze uitspraken op bezwaar bij brieven van 3 april 2006, ontvangen bij de rechtbank op 4 april 2006, beroep ingesteld.

1.16 Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 24 maart 2006 de navorderingsaanslag ZFW gehandhaafd en de boete verminderd tot f 198.

1.17 Eiser heeft tegen de in 1.16 genoemde uitspraak op bezwaar bij brief 10 april 2006, ontvangen bij de rechtbank op 11 april 2006, beroep ingesteld.

1.18 Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.19 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2007 te Arnhem. De zaken zijn gevoegd behandeld en tegelijkertijd met de zaak met procedurenummer 06/2305. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door drs. [B]. Namens verweerder zijn [C] en [D] verschenen.

2. Feiten

2.1 Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

2.2 Eiser was in de betreffende jaren taxichauffeur. Eiser was gedurende de periode van 13 oktober 1997 tot en met 20 mei 2001 kentekenhouder van een [E] [AA-BB-00] (hierna: de [E]). Deze [E] werd door eiser gebruikt voor zijn werkzaamheden als taxichauffeur [.].

2.3 In 2003 heeft verweerder bij eiser een boekenonderzoek ingesteld naar de juistheid van de door eiser gedane verzoeken tot teruggaven BPM betreffende de [E] over de periode van 13 oktober 1997 tot en met 12 oktober 2000. Tevens is bij dit boekenonderzoek gekeken naar de directe gevolgen voor de heffing van IB/PVV, OB, WAZ en ZFW op het punt van het aan te geven privé-gebruik auto voor het geval de verzoeken om teruggaven BPM ten onrechte zouden zijn gedaan.

2.4 Ten behoeve van het onderzoek heeft eiser de volgende bescheiden ter beschikking gesteld:

- rittenkaarten;

- blad met kilometerstanden, zijnde de kilometeradministratie;

- zakelijke nota’s ten behoeve van de heer Brouwer.

2.5 Eiser heeft de volgende bescheiden niet overgelegd:

- werkmappen (vanaf 1 april 1999);

- de gegevens van de taxameter;

- declaraties van de ritten op rekening.

2.6 In het rapport van het boekenonderzoek van november 2003, opgemaakt door C.J. Rijser, is met betrekking tot de kilometeradministratie onder andere het volgende opgemerkt:

“3.5 Conclusie ten aanzien van de kilometeradministratie

Op grond van de volgende punten is er geen sprake van een juiste en controleerbare kilometeradministratie;

- In de auto is een kilometertelleronderbreker ingebouwd, waardoor er geen waarde aan de juistheid van de kilometeradministratie kan worden gehecht omdat de controleerbaarheid op volledigheid hierdoor onmogelijk wordt.

- De auto rijdt daadwerkelijk rond op momenten dat er volgens de aanwezige administratie niet gereden is. Er kan op deze momenten met of zonder ingeschakelde taxameter gereden zijn. Door op deze momenten de kilometertelleronderbreker in te schakelen zijn deze kilometers niet meer te achterhalen en blijft de administratie op papier sluitend.”

2.7 In het rapport van het boekenonderzoek is met betrekking tot de overige administratie het volgende geconcludeerd:

“4.5 Conclusie ten aanzien van de overige administratie

Op grond van de volgende punten voldoet ook de overige administratie niet aan de eisen zoals vermeldt in artikel 52 van de Awr.

- Ten aanzien van de taxameter is er niet voldaan aan de bewaarplicht van artikel 52 Awr.

- De rittenkaarten zijn niet of niet volledig ingevuld.

- De werkmappen zijn niet bewaard.

- De ritten op rekening declaraties zijn niet bewaard dan wel niet overgelegd.

Door deze gebreken is de controle op de juistheid en volledigheid van de overige administratie onmogelijk geworden.”

2.8 Op grond van de voormelde bevindingen van het onderzoek heeft verweerder geconcludeerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de [E] voor ten minste 90% is gebruikt voor taxivervoer, zodat de teruggaven van BPM ten onrechte hebben plaatsgevonden. Ook heeft verweerder geconcludeerd dat eiser niet heeft aangetoond dat met de [E] minder dan 1000 kilometer privé is gereden in de betreffende jaren, zodat de winst van eiser gecorrigeerd moet worden met 20% van de cataloguswaarde van de [E]. Verweerder heeft daarom de onder 1. genoemde naheffingsaanslagen en navorderingsaanslagen opgelegd.

2.9 Als bijlage 13 bij het verweerschrift zijn de processen-verbaal van de FIOD overgelegd die betrekking hebben op de taxicontroles uitgevoerd door de Belastingdienst/Kantoor Amsterdam. Hierin zijn diverse verklaringen opgenomen van personen die bij [F] hebben gewerkt. Onder meer is verklaard:

“U toont mij thans een inbeslag genomen agenda (...). Ik herken deze agenda als zijnde de agenda van de zaak, welke betrekking heeft op het jaar 2000. Deze agenda werd gebruikt om de afspraken voor de inbouw en reparaties te noteren. (....).”

“U toont mij nu een agenda (...). Ik herken deze agenda als onze agenda van de zaak. Hij heeft betrekking op het jaar 1999. In deze agenda werden de afspraken genoteerd voor de werkplaats, welke betrekking hadden op het inbouwen van allerlei apparatuur in taxi’s. Ook de onderbrekers werden hier in genoteerd”.

“ Om afspraken te noteren voor het inbouwen van een onderbreker werd in het begin gebruik gemaakt van een gele stift, later van de term diversen.”

“U kunt zien aan het woord ‘diverse’ dat het om een onderbreker gaat.”

“Omdat wij wisten dat het gebruik van kilometeronderbrekers illegaal was, konden we er ook geen factuur voor uitschrijven”

“Als een klant een taximeter ingebouwd wilde hebben, werd op aanvraag van de klant ook gelijk een schakelaartje tussen de pulsdraad geplaatst. Op het geheel van het inbouwen van een taximeter was het nagenoeg te verwaarlozen omtrent de tijd die nodig was voor het plaatsen van een schakelaar. Volgens mij werd er niet eens betaald voor zo’n schakelaar. Het zat bij het totale pakket in.”

“Door (.....) werden er in de jaren 1997, 1998 en 1999 gemiddeld zo’n zeven kilometertelleronderbrekers per week ingebouwd.”

2.10 Een van de medewerkers die de kilometertelleronderbrekers inbouwde, hield hiervan aantekeningen bij in een schrift. Over zijn aantekeningen in het schrift verklaart de medewerker:

“De datum is de datum waarop ik de kilometertelleronderbreker heb ingebouwd. Het drie- of vier-cijferige getal betreft het taxinummer. Vervolgens heb ik het merk of het type auto genoteerd. De aantekening “tijd 2” geeft een bepaalde schakeling aan. Het geeft niets aan omtrent de tijdsduur van het inbouwen. De tijdsduur voor het inbouwen is ongeveer 3 uur, maar dat is toch per auto verschillend.”

2.11 Uit het onderzoek van de politie is gebleken dat de auto’s waarin een kilometertelleronderbreker (kto) werd aangetroffen of waarvan de eigenaren de inbouw van een kto bekenden, steeds op de door de medewerkers van [F] bij de FIOD beschreven wijze terug te vinden waren in de agenda van [F] en vaak ook in het bovengenoemde schrift van één van de inbouwmedewerkers.

2.12 Verweerder heeft als bijlage bij zijn verweerschrift een kopie van een bladzijde uit het schrift overgelegd waarop het volgende staat vermeld:

“20/7/98 77 camry tijd 3”.

2.13 Eiser heeft ter zitting verklaard dat hij op 20 juli 1998 bij [F] is geweest. Hij heeft verklaard dat hij die dag eerst naar de bandenzaak is geweest en daarna naar [F] omdat zijn daklicht kapot was. Hij heeft ter zitting zijn rittenkaart van die dag overgelegd. Op deze kaart staat onder meer

“[F] daklicht kapot (draadbreuk)

Service”.

2.14 Uit de rittenkaart blijkt dat eiser op 20 juli 1998 overigens geen ritten heeft gereden.

2.15 Een kto zorgt ervoor dat de kilometerteller van de auto door middel van een schakelaar of afstandsbediening wordt uitgezet. Het gevolg daarvan is dat de auto rond kan rijden zonder dat de kilometerstand van de auto oploopt.

3. Geschil

In geschil is

a. of verweerder terecht de onder 1. genoemde naheffingsaanslagen BPM en MRB heeft opgelegd. Dit geschilpunt spitst zich toe op de vraag of eiser de [E] voor ten minste 90% heeft gebruikt als taxi;

b. of verweerder terecht de onder 1. genoemde navorderingsaanslagen heeft opgelegd. Dit geschilpunt spitst zich toe op de vraag of eiser minder dan 1000 kilometer per jaar privé heeft gereden in de [E].

c. of de boetes terecht en voor het juiste bedrag zijn opgelegd.

4. Beoordeling van het geschil

Ten aanzien van de naheffingsaanslag BPM

4.1. Ingevolge artikel 16, vijfde lid, Wet BPM bedraagt de teruggaaf van BPM nihil indien de personenauto in de voorafgaande periode van een jaar niet geheel of nagenoeg geheel, dat wil zeggen voor ten minste 90%, is gebruikt voor het verrichten van openbaar vervoer of taxivervoer in de zin van de Wet personenvervoer. Dit impliceert dat de taxiondernemer die verzoekt om teruggave van BPM aannemelijk moet maken dat aan dit 90% criterium is voldaan. Dit kan door middel van een adequate kilometeradministratie.

4.2. Verweerder heeft de door eiser overgelegde kilometeradministratie verworpen. Daarbij heeft hij erop gewezen dat die administratie, afgezien van geconstateerde gebreken daarin, niet betrouwbaar is, omdat er een kto was ingebouwd in de auto.

4.3. Eiser heeft ontkend dat er in de [E] een kto was ingebouwd.

4.4. Ten aanzien van de stelling dat er een kto was ingebouwd, rust de bewijslast op verweerder. De rechtbank is van oordeel dat als een kto in de [E] was ingebouwd, de kilometeradministratie manipuleerbaar en dus onbetrouwbaar is. Daarbij gaat de rechtbank ervan uit dat een ingebouwde kto ook gebruikt zal zijn. In dat geval kan de kilometeradministratie niet dienen als bewijs voor de stelling dat is voldaan aan het 90% criterium van artikel 16, vijfde lid, Wet BPM.

4.5. De rechtbank heeft de verklaring van eiser afgewogen tegen het bewijs dat door verweerder is overgelegd. De rechtbank acht het door verweerder overgelegde bewijs over de gang van zaken rond de inbouw van kto’s en de vermelding van de [E] in het schrift van een werknemer die kto’s inbouwde dermate sterk dat de verklaring van eiser onvoldoende gewicht in de schaal legt om dat bewijs te ontkrachten. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat in de auto een kto was ingebouwd.

4.6 Nu ervan moet worden uitgegaan dat in de auto een kto was ingebouwd, acht de rechtbank de kilometeradministratie onbetrouwbaar. Eiser kan daarom niet door middel van die administratie voldoen aan de op hem rustende bewijslast dat aan het 90% criterium is voldaan. Aangezien ander bewijs dat aan het 90% criterium is voldaan niet voorhanden is, voldoet eiser niet aan de op hem rustende bewijslast en blijft de naheffingsaanslag in stand. Het beroep is in zoverre ongegrond. Dit brengt mee dat alle overige stellingen van eiser en verweerder ten aanzien van de naheffingsaanslag BPM onbesproken kunnen blijven.

4.7 De rechtbank zal op grond van hetgeen hiervoor is overwogen het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM ongegrond verklaren.

Ten aanzien van de MRB

4.8 Artikel 72, lid 1, onder n, van de Wet MRB bepaalt -kort gezegd- dat vrijstelling van belasting wordt verleend voor motorrijtuigen die blijkens een ingevolge de Wet Autovervoer Personen geldige vergunning, dan wel voor zover afgegeven een vergunningbewijs, zijn bestemd om daarmee als personenauto openbaar vervoer of taxivervoer te verrichten en daarvoor geheel of nagenoeg geheel worden gebruikt.

4.9 Artikel 76 van de Wet MRB bepaalt dat bij constatering van het feit dat met betrekking tot een motorrijtuig ten onrechte een vrijstelling van belasting is verleend dan wel niet wordt voldaan aan de voor een vrijstelling gestelde voorwaarden, de belasting kan worden nageheven.

4.10 Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet heeft voldaan aan de voorwaarde van artikel 72 van de Wet MRB dat de personenauto geheel of nagenoeg geheel, dat wil zeggen voor tenminste 90%, is gebruikt voor taxivervoer. De last te bewijzen dat aan de norm van 90% is voldaan rust op eiser.

4.11 De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat aan de 90%-norm is voldaan en verwijst daarvoor naar haar overwegingen 4.4 tot en met 4.6.

4.12 Op grond van het voorgaande heeft verweerder terecht MRB nageheven over de in geding zijnde tijdvakken.

Ten aanzien van de navorderingsaanslagen IB/PVV, WAZ en ZFW

4.13 Ingevolge artikel 42, tweede lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (Wet IB) worden bij het bepalen van winst uit onderneming de aan het houden van een personenauto verbonden kosten geacht tot een bedrag van ten minste twintig percent van de catalogusprijs - met inbegrip van de omzetbelasting en vermeerderd met de belasting van personenauto’s en motorrijwielen - van de auto niet te zijn gemaakt ten behoeve van de onderneming.

Ingevolge het vijfde lid van artikel 42 Wet IB is dit niet van toepassing indien blijkt dat de auto op jaarbasis voor minder dan 1000 kilometer voor privédoeleinden wordt gebruikt.

4.14 Het is aan eiser om aan te tonen dat de [E] voor minder dan 1000 kilometer per jaar in de hier relevante jaren voor privédoeleinden is gebruikt.

4.15 Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet voldaan heeft aan de verplichtingen van artikel 47 en 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) zodat eisers bewijslast op grond van artikel 27e van de AWR wordt verzwaard. De rechtbank is van oordeel dat toepassing van artikel 27e van de AWR niet aan de orde is omdat hiervan de bewijslast al rust op eiser. De rechtbank verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 3 februari 2006, nr. 41814, LJN: AV0826.

4.16 De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aangetoond heeft gemaakt dat de [E] voor minder dan 1000 kilometer per jaar in de betreffende jaren voor privédoeleinden is gebruikt. Gelet op hetgeen hiervoor in 4.4 tot en met 4.6 is overwogen kan eiser niet middels de kilometeradministratie voldoen aan de op hem rustende bewijslast. Ook hier geldt dat ander bewijs niet voorhanden is. Eiser voldoet dan ook niet aan de op hem rustende bewijslast.

4.17 Op grond van het voorgaande heeft verweerder de navorderingsaanslagen terecht opgelegd.

Ten aanzien van het gelijkheidsbeginsel

4.18 Naar de rechtbank begrijpt doet eiser een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Eiser beroept zich hierbij op onderzoeken die zijn ingesteld bij ander taxiondernemers.

4.19 De rechtbank overweegt hieromtrent dat voor een succesvol beroep op het gelijkheidsbeginsel allereerst sprake moet zijn van belastingplichtigen die zich feitelijk en rechtens in gelijke omstandigheden bevinden. Naar het oordeel van de rechtbank is dat hier niet het geval. In het geval van eiser is immers sprake van een ingebouwde kto. Bij de door eiser genoemde taxiondernemers is er geen sprake van een ingebouwde kto. Derhalve kan niet worden gezegd dat er sprake is van feitelijk en rechtens gelijke gevallen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt derhalve.

Ten aanzien van de boetebeschikkingen

4.20 Met betrekking tot de opgelegde boetes overweegt de rechtbank als volgt.

4.21 Blijkens een op 16 oktober 2003 gedateerde kennisgeving ex artikel 67k van de AWR gaat verweerder uit van (voorwaardelijk) opzet van de kant van eiser. In de kennisgeving wordt meegedeeld dat verweerder voornemens is boetes op te leggen van 50% van de naheffingsaanslag BPM en 50% van de navorderingsaanslagen IB/PVV, WAZ en ZFW. Verweerder heeft in de betreffende uitspraken op bezwaar deze boetes gematigd tot 25%. Uit het verweerschrift blijkt dat de reden hiervoor was de cumulatie van alle boetes en het proportionaliteitsbeginsel. De opgelegde boetes inzake de MRB bedragen na uitspraak op bezwaar 50%. Deze boetes bedroegen in eerste instantie 100%.

4.22 Gelet op hetgeen in 4.6 is overwogen ten aanzien van de kto, acht de rechtbank opzet bewezen, zodat een boete van 50%, respectievelijk 100% voor wat betreft de MRB, in beginsel passend en geboden is. Echter, nu in dit geval sprake is van een samenloop van boetes acht de rechtbank, alle feiten en omstandigheden in aanmerking genomen, de matiging tot 25%, respectievelijk 50% voor wat betreft de MRB zoals die door verweerder reeds is toegepast passend en geboden. Aangezien de boetebeschikkingen MRB met dagtekening 22 december 2003 zijn opgelegd en de overige boetes op 16 oktober 2003 middels de hiervoor genoemde kennisgeving zijn aangezegd, is de redelijke termijn van artikel 6 EVRM overschreden met een periode van meer dan een jaar. Nu niet gebleken is dat verweerder bij de matiging van de boetes hiermee rekening heeft gehouden zal de rechtbank de boetes verminderen met 40% van het vastgestelde bedrag.

4.23 Gelet op het bovenstaande dienen de beroepen tegen de boetebeschikkingen gegrond te worden verklaard. De uitspraken op bezwaar betreffende deze boetebeschikkingen moeten worden vernietigd.

5. Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 966 (1 punt voor het indienen van de beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1,5). Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat er sprake is van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van dit Besluit.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen de naheffingsaanslagen MRB ongegrond;

- verklaart het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM ongegrond;

- verklaart de beroepen tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV, WAZ en ZFW ongegrond;

- verklaart de beroepen tegen de boetebeschikkingen gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar op bezwaar betreffende de boetebeschikkingen;

- vermindert de boete betreffende de BPM tot een bedrag van € 945;

- vermindert de boetes betreffende de MRB tot bedragen van respectievelijk € 273, € 351 en

€ 352;

- vermindert de boetes betreffende de IB/PVV en WAZ 1998 tot bedragen van

respectievelijk € 302 (? 666) en € 53 (? 118);

- vermindert de boete betreffende de WAZ 1999 tot een bedrag van € 55 (? 121);

- vermindert de boetes betreffende de IB/PVV, WAZ en ZFW 2000 tot bedragen van

respectievelijk € 249 (? 550), € 58 (? 129) en € 53 (? 118);

- bepaalt dat deze uitspraak wat betreft de verminderingen van de boetebeschikkingen in de

plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar.

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 966, en wijst de

Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan dit bedrag aan eiser te voldoen;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiser betaalde

griffierecht van drie maal € 38 en één maal € 141 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 31 mei 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. M.M. Bijker - Veen, voorzitter, en mr. I. Linssen en mr. J.J. Catsburg, rechters, en in tegenwoordigheid van mr. L.L. van Benthem, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.